In bovenstaande foto is Henk degene met die rare zwembroek, hij staat er strijdlustig bij. De foto is welhaast zeker genomen in Bakkeveen en omgeving. Hetzelfde geldt voor de foto hieronder. Daarop is Henk de laatste in de rij. Iedereen draagt, veelzeggend, de schep alsof zo'n ding een geweer is!
In de jaren 20 en 30 werden velen, vooral jongeren, bevangen door grootse idealen. De verwoesting van de Eerste Wereldoorlog had te veel aangericht om zich bij neer te leggen. Het 19de-eeuws optimisme was nog niet gedoofd. Moderne ontwikkelingen boden tal van mogelijkheden. Een van die idealen betrof allerlei vormen van gemeenschapswerk in padvinderlijke en (avant la lettre) hippie-achtige clubs en verenigingen. Ook Henk werd door deze sfeer gegrepen. Hieronder iets meer over de sociale bewegingen waarin Henk actief was.
De moderne katholieke jeugdzorg begon in de negentiende eeuw met de Sint-Vincentiusverenigingen, die in 1833 in Frankrijk waren opgericht door historicus Frédéric Ozanam. In Nederland werd de eerste afdeling ('conferentie') in 1846 te Den Haag opgericht. Vandaaruit verspreidde de beweging zich al snel over het land; in 1850 waren er reeds 115 conferenties, in 1900 214 met ongeveer 4000 leden.
Doel van de vereniging was primair de zelfheiliging van de leden door het beoefenen van de christelijke liefdadigheid. En het ging daarbij zo mogelijk nog meer om de persoonlijke inzet van de Vincentianen dan om de feitelijke ondersteuning in de vorm van een spijskokerij, het verstrekken van kleding en geld. De belangrijkste activiteit was dan ook het huisbezoek. Elke Vincentiaan kreeg enkele armoedige gezinnen toegewezen die hij regelmatig (eenmaal per 14 dagen) moest bezoeken. Hij diende zich dan op de hoogte te stellen van de situatie in het gezin, niet alleen van de materiële omstandigheden, maar ook van de meer immateriële zaken: zorgden de ouders wel goed voor hun kinderen? Leefden zij oppassend? Werd het loon of de onderstand goed en zorgzaam besteed? Dronk vader niet te veel? Zonodig werd er enige steun verleend, in geld, maar liefst in natura (kleding, schoeisel, een bed, etc.)
Een belangrijker activiteit van de Vincentianen was dat zij de bezochte gezinnen opwekten tot een braaf, oppassend leven. Zij gaven adviezen over de besteding van de (magere) inkomsten en wijze waarop het huishouden werd gevoerd. Er werd veel werk van gemaakt om ongehuwd samenwonende mannen en vrouwen te bewegen tot het sluiten van een wettig en kerkelijk huwelijk. Trots maakten de jaarverslagen van verschillende conferenties melding van behaalde successen daarin. Alle werk was erop gericht de bezochte gezinnen tot een goed katholiek geloofsleven te brengen. Lukte dat niet (bijvoorbeeld wanneer ouders niet de kerk bezochten of in de ogen van de Vincentianen niet oppassend genoeg leefden), dan werden het huisbezoek en de ondersteuning gestaakt.
Tot de activiteiten die de Vincentianen ondernamen behoorde ook de zorg voor een goed godsdienstige opvoeding der jeugd. Allereerst konden zij dit doen tijdens het huisbezoek: zij gaven advies in opvoedkundige zaken, spoorden ouders aan hun kinderen naar school te sturen, stelden voorwaarden aan materiële hulp en beïnvloedden langs die weg de godsdienstige en vooral zedelijke vorming van de kinderen. In verschillende verslagen werd er melding van gemaakt dat men bedden ter beschikking stelde om te voorkomen dal jongens en meisjes in hetzelfde bed sliepen. Kleding en schoeisel werden verstrekt op voorwaarde dat de kinderen ze gebruikten om naar school en naar de kerk te gaan. Soms plaatsten de Vincentianen kinderen bij boeren of een bedrijf zodat de ouders hen niet meer behoefden te verzorgen. In een enkel geval werden kinderen, met instemming van de ouders, uit het ouderlijk huis weggehaald en in een opvoedingsinstelling geplaatst.
Naast deze individuele hulp werden door een aantal conferenties speciaal voor de niet meer schoolgaande jeugd zondagsscholen en verenigingen voor ambachtsleerlingen opgezet. Uit de weinige ter beschikking staande bronnen kan worden opgemaakt dat het bij de zondagsscholen vooral om onderricht ging.
uit: Peter Selten Het apostolaat der jeugd. Katholieke jeugdbewegingen in Nederland 1900-1941 (proefschrift Nijmegen 1991) (DB1)
Wat Henk voor de Vincentiusvereniging precies gedaan heeft, weet ik niet. Vermoedelijk was het via deze vereniging dat hij een tijdje met een stel studenten in de volksbuurt rond de voormalige Leidse gasfabriek woonde, niet alleen om met ‘het volk’ in contact te komen maar ook om datzelfde volk, zoals dat genoemd werd, te ‘verheffen’.
De Vincentiusvereniging bestaat nog altijd. Hierboven een plaatje uit 1929, van de plaatselijke afdeling uit Den Bosch.
zie ook:
Henk op de voorgrond, zittend, tijdens een bijeenkomst van het Studentengilde. Op de achtergrond 'de rode leeuw', zie bijgaande tekst
Het Hollandsch(e) Studentengilde van St.-Jeroen werd opgericht in navolging van dat van Brabant dat op zijn beurt weer sterk geïnspireerd was door Vlaamse voorgangers als het Algemeen Katholiek Vlaams Studentenverbond. Dit verklaart ook waarom een man als de dominicaan Carlos van Sante een tijdlang zo'n grote rol speelde in de Nederlandse studentengildes. Tegelijkertijd dat er een duidelijke lijn loopt van studentengilde naar Groot-Nederlandse gedachten en vandaar naar katholiek radicalisme, corporatisme, fascisme en Verdinaso. Lang niet iedereen volgde die lijn. Sommigen wel. Onder hen Henk, Werenfried van Straaten en Henri Bruning - om maar even drie geheel verschillende figuren te noemen. In ieder geval staat het wel vast dat Henk (ook) via het Gilde van St.-Jeroen in de wereld belandde waarin hij belandde.
De verschillende studentengildes waren vooral actief in de periodes dat er geen college werden gegeven. Vandaar ook het enorme belang van de zogenoemde Zomerkampen waarover ook Henk schreef.
Uit: De Maasbode van 8 febr 1931. Hieronder uit: Pius-almanak. Jaarboek van katholiek Nederland, jrg 62, 1936
Hazerswoude 1935, Henk vooraan in het midden
Het adres van de redactie is het 'hok' van Henk, Kloksteeg 7.
Hieronder enkele pagina's uit de door Henk geredigeerde brochures, met links de aankondiging dat hij ermee ophoudt en rechts wat stimulerende oproepen met betrekking tot de zomerkampen.
Grappig de naam van Kees Swarttouw tegen te komen. Hij en zijn vrouw hebben met Miep altijd contact gehouden. Old boys networks never stop.
Uit: Sint Franciscus Maandschrift (1934). Ook hier weer de naam Van Sante
Hiernaast een fragment uit het boek van Wiechert ten Have over de Nederlandsche Unie. Over de vele pogingen om in de jaren 30 een nieuwe weg te vinden te midden van democratie, fascisme en communisme is veel geschreven. Ook in Grijs verleden (hfst 2. Kritiek) heb ik het er uitvoerig over. Daarin komt ook Woudschoten ter sprake. Daarover is ook door anderen heel wat geschreven. Veelal worden daarin verbanden gelegd met de Volkshogeschoolbeweging.
uit Henks autobiografie:
Ook de Volkseenheidconferenties en Indische Conferenties die in het centrum Woudschoten bij Zeist werden gehouden, hebben mij duidelijk beïnvloed. Ik herinner mij dat professor Willem Pompe, hoogleraar in het strafrecht te Utrecht, er een lezing hield over 'Nationaal en Sociaal', een koppeling tussen beide waarden die onder de katholieke jongeren duidelijk leefde en die ons van de internationaal georiënteerde socialisten scheidde. Wat wij later 'nationaal-socialisme' of nationaal-solidarisme' noemden, lag dan ook niet ver weg.
De foto hiernaast dateert uit 1936 en zit in Henks collectie. Vermoedelijk is hij daar in dat jaar dus geweest.
Uit Henks autobiografie:
Door een toeval kwamen wij daarmee in contact en op een barre winterdag reisde ik met Bart Saris met wie ik samenwoonde, met de nachtboot naar Lemmer en vandaar uit met de fiets naar Bakkeveen. We sliepen op de boot zo'n beetje op een houten bank en stonden 's morgens om een uur of vier op de ijskoude kade van Lemmer, vanwaar wij na een paar uur fietsen in Bakkeveen aankwamen. Daar hoorden wij voor het eerst over de problemen van het platteland en van de landbouw. Daar kreeg ik de gelegenheid datgene wat tot nog toe onbewust in mij had geleefd vastere vorm te geven en mijn latere politieke stellingname te doen rijpen.
Over de Volkshogeschool (Bron: Canon Sociaal Werk)
In 1931 werd de Vereeniging tot Stichting van Volkshoogescholen opgericht. Een jaar later begon ze de eerste Nederlandse volkshogeschool Allardsoog, nabij het Friese Bakkeveen, met buurtwerk, studentenwerkkampen en cursussen voor werklozen en jonge boeren. Naar het voorbeeld van de Deense Folkehøjskole richtte ze zich vooral op de ‘versterking van de geestelijke en zedelijke kracht’ van de plattelandsbevolking.
De foto hiernaast, van de locatie Allardsoog van de Volkshogeschool, is de voorkant van een ansichtkaart van Henk aan zijn ouders. Hierboven de tekst op de achterkant. Ik heb niet kunnen achterhalen wanneer deze kaart geschreven werd.
Vervolg tekst Canon Sociaal Werk:
De Volkshogescholen kwamen niet uit de lucht vallen maar kwamen voort uit de traditie van volksontwikkeling en volksverheffing. Een traditie die in Nederland begon in Edam, waar vader en zoon Nieuwenhuijzen in 1784 de Maatschappij tot Nut van ’t Algemeen oprichtten. Zij lieten zich inspireren door verlichtingsidealen en vonden dat deze niet tot de maatschappelijke elite beperkt mochten blijven.
klik op deze tekst voor meer info
Gemeenschapsontwikkeling
Eind negentiende en begin twintigste eeuw kwamen er talrijke nieuwe initiatieven op het terrein van ‘volksontwikkeling’ en ‘volksopvoeding’ van de grond. Behalve volkshuizen werden er ook volksuniversiteiten en volkshogescholen opgericht. In vergelijking met de volksuniversiteiten legden de volkshogescholen meer de nadruk op persoonsvorming en gemeenschapsontwikkeling dan op kennisoverdracht. Vooral op het vlak van de gemeenschapsontwikkeling waren er parallellen tussen de volkshogescholen en de eerste initiatieven op het gebied van samenlevingsopbouw van de Stichting Opbouw Drenthe. Zo speelden de eerste volkshogescholen een rol in het buurtwerk en het versterken van de plaatselijke gemeenschap. Allardsoog organiseerde bijvoorbeeld praatavonden voor buurtbewoners, clubwerk voor jongeren, pakte werkeloosheid en gebrek aan scholing aan en bevorderde de samenwerking tussen bewoners om sterker te staan. Ook was er samenwerking tussen volkshogescholen en opbouwwerk. Zo was Jo Boer een van de oprichtsters van de Vereeniging tot Stichting van Volkshoogescholen.
Na de Tweede Wereldoorlog maakten volksuniversiteiten en volkshogescholen een flinke groei door. De volkshogescholen waren vooral gevestigd op het platteland en droegen in de periode 1945-1955 vooral bij aan ‘geestelijk-culturele bezinning’. In de periode rond 1960 richtten de volkshogescholen de blik nadrukkelijker naar buiten. Cees Stapel, een van de voorlieden, sprak over ‘samenlevingsvorming’. Hij zag de volkshogeschool als initiatiefnemer en stuwkracht van buurt(huis)werk en streekontwikkelingswerk. Dit naar buiten gerichte ‘tweede gezicht’ van het volkshogeschoolwerk ging in de praktijk een steeds grotere rol spelen naast het ‘intramurale’ werk van de cursussen. Stapel liet zich daarbij inspireren door een studiereis naar de Verenigde Staten in 1956, waar hij kennismaakte met community development en community organization.
Volksopvoeding te velde
De ‘flirt’ tussen community organization en volksopvoeding werd in de loop der jaren inniger, getuige bijvoorbeeld een tekst van Rob Hajer uit 1960, getiteld ‘Community organization als volksopvoeding te velde’. De tekst is opgenomen in een boekje waarvan het initiatief lag bij Marie Kamphuis , die ook het voorwoord schreef, en waarin verder bijdragen stonden van Jo Boer en Gradus Hendriks . Hajer nam in zijn bijdrage stelling in een debat dat internationaal woedde over de strekking van community organization. Daarbij stonden twee benaderingen tegenover elkaar: het tot stand brengen van concrete voorzieningen versus het proces van community organization. Hajer koos de kant van Murray Ross die het succes van samenlevingsopbouw niet afleidde van de mate en het tempo waarin concrete voorzieningen tot stand zijn gebracht, coördinatie is bereikt of bevolkingsgroepen overtuigd zijn door een actiecomité. Succes werd daarentegen afgemeten aan “de mate waarin mensen beter hebben leren samenwerken, een beter begrip hebben gekregen voor elkaar en voor de situatie waarin zij leven en vervolgens hebben ontdekt, dat zij in staat zijn om hun omgeving mee vorm te geven en te veranderen”. Community organization bood het werk in de volkshogescholen de gelegenheid om meer ‘werkelijkheidsgetrouw’ en ‘levensecht’ te zijn, vandaar ‘volksopvoeding te velde’. In navolging van Amerikaanse auteurs, sprak ook Hajer over ‘community education’ en ‘education in action’. Een belangrijke bijdrage van de volksopvoeding in dat verband vormde ‘kadervorming’: het ontwikkelen van potentieel leiderschap in de (buurt)gemeenschap en het scholen van vrijwilligers van verenigingen.
Opbouwwerk uit het zicht
In de jaren zestig werd het Nederlands Centrum voor Volksontwikkeling (NCVO) opgericht, dat het vormings- en ontwikkelingswerk in zijn volle breedte stimuleerde, onder meer in vormingsinternaten en volkshogescholen, centra voor plaatselijk vormingswerk, vormingswerk vanuit kerken, volksuniversiteiten en club- en buurthuiswerk en vormingswerk voor specifieke doelgroepen (bijvoorbeeld vrouwengroepen). Het vormingswerk voor volwassenen vervulde een emancipatoire functie en beoogde onder meer de verbetering van de positie van groepen in achterstandssituaties. Waar het volksontwikkelingswerk in de periode ervoor vooral op de persoon en de persoonlijke ontwikkeling was gericht, ging de aandacht van vormingswerk meer uit naar het werken aan maatschappelijke verandering. In het vormingswerk ontwikkelden zich dezelfde stromingen – de personalistische, de maatschappijkritische en de pragmatische – als in het opbouwwerk, maar de controverses waren er minder heftig. Dat was mede het gevolg van de ‘pacificerende’ werking van het NCVO, dat vooral pleitte voor het samengaan van persoonlijke en maatschappelijke vorming.
In de loop van de jaren tachtig gingen de volkshogescholen en vormingsinternaten zich afzonderlijk steeds meer specialiseren, bijvoorbeeld in ‘etnische minderheden’, ‘gezondheidszorg en maatschappelijke dienstverlening’, ‘afscheid van arbeid’ (de zogenoemde ‘Pensioen in zicht-cursussen’), ‘vrouwenemancipatie’ en ‘natuur- en milieuproblematiek’. Een belangrijk onderdeel van het werk van volkshogescholen en vormingsinternaten vormden tevens de cursussen voor ondernemingsraden, die een aparte financiering kenden. Behalve via ‘open werving’ vonden er steeds meer cursussen plaats voor specifieke groepen en organisaties.
Het ‘tweede gezicht’ van de volkshogescholen en vormingsinternaten en daarmee ook de relatie met het opbouwwerk raakte in deze periode wat meer uit zicht. Omgekeerd vond het educatieve aspect wel definitief ingang in het opbouwwerk, getuige bijvoorbeeld het beroepsprofiel uit 1990 waarin ‘educatieve adviezen’ golden als een van de hoofdtaken van de ondersteuning door opbouwwerkers, naast ‘sociaal organisatorisch advies en bijstand’ en ‘strategisch advies en bijstand’. Het plaatselijke vormings- en ontwikkelingswerk legde zich in deze periode ook steeds meer toe op specifieke doelgroepen, zoals vrouwen, ouderen, gehandicapten, baanlozen, etnische minderheden en arbeidsongeschikten. Vanuit het plaatselijke vormings- en ontwikkelingswerk bestonden er allerlei dwarsverbanden met het opbouwwerk. Zoals bijvoorbeeld ook zichtbaar is in het werk van Piet Willems in Den Bosch-Oost waar WAO-groepen, vrouwengroepen, kinder- en jongerenactiviteiten en een wijkgezondheidscentrum samengingen met alfabetiseringswerk, een basisacademie voor vrijwilligers en andere educatieve activiteiten.
In de jaren tachtig kreeg het vormings- en ontwikkelingswerk te maken met ingrijpende bezuinigingen en herstructureringen. Een belangrijke verandering was dat het vormings- en ontwikkelingswerk onderdeel uit ging maken van de volwasseneneducatie. Dit kreeg in 1995 zijn beslag met de Wet educatie en beroepsonderwijs (WEB). Doordat het beleid van volwasseneneducatie – mede door de crisis – sterker werd gericht op scholing ten behoeve van de arbeidsmarkt, raakte de vormingscomponent steeds meer in de marge. De prioriteit in de volwasseneneducatie ging uit naar volwassenen met ‘de grootste educatieve achterstand’. Voor het ‘oorspronkelijke’ vormings- en ontwikkelingswerk kwamen er landelijk steeds minder publieke middelen beschikbaar. Vooral vanuit het sociaal-cultureel werk en het plaatselijke vormings- en ontwikkelingswerk werd de overgang naar de volwasseneneducatie met argusogen bekeken. Men vreesde een verschoolsing en verschraling van het educatieve werk. Het pionierswerk van club- en buurthuiswerkers en plaatselijk vormingswerkers werd door de basiseducatie in dank aanvaard. Het werd ingezet ten behoeve van een educatief pakket met sterk functionele en instrumentele kenmerken: leren lezen, rekenen, schrijven en sociale vaardigheden. De aansluiting van het vormingswerk bij wijkgerichte activiteiten, inclusief het opbouwwerk, en bij maatschappelijke vraagstukken dreigde verloren te gaan.
Actuele betekenis
De geschetste teloorgang van het vormings- en ontwikkelingswerk in de jaren tachtig en negentig betekent niet dat de oorspronkelijke idealen van vorming, leren en educatie compleet op de achtergrond raakten. Zo ontwikkelden zich in de afgelopen decennia onder de noemer ‘non-formeel leren’, ‘informeel leren’ en ‘sociaal leren’ nieuwe activiteiten in de geest van het oude vormings- en ontwikkelingswerk, bijvoorbeeld binnen debatcentra, vanuit bibliotheken, educatieve omroep, SeniorWeb en taallessen aan huis. Ook de ‘buurtacademies’, een verre echo van de basisacademie die Piet Willems opzette, passen in dit rijtje. Net als de talrijke buurtacademies in Drenthe, de Haagse buurtacademie in Molenwijk en de Pendecht Universiteit in Rotterdam, allemaal initiatieven waar geprobeerd wordt om kadervorming en leerprocessen bij bewoners en bij vrijwilligers mogelijk te maken.
Een halve eeuw lang – ruwweg vanaf de jaren dertig tot aan de jaren tachtig van de vorige eeuw – was er een sterke band tussen de volksontwikkeling en de samenlevingsopbouw. Sindsdien is de onderlinge relatie een stuk losser geworden. Meer onderlinge interactie zou de toekomst van beide ‘werksoorten’ ongetwijfeld ten goede komen.
Publicatiedatum: 30-01-2020
Datum laatste wijziging :18-03-2021
Auteur(s): Marcel Spierts,
Literatuur
Marcel Spierts (2014), De stille krachten van de verzorgingsstaat. Geschiedenis en toekomst van sociaal-culturele professionals. Amsterdam: Van Gennep. ISBN 9789461642455.
Maarten van der Linde en Johan Frieswijk (2013), De Volkshogeschool in Nederland, 1925-2010. Hilversum: Verloren.
Aanvullend materiaal
https://www.canonsociaalwerk.eu/eregalerij/biografisch_portaal_details.php?prominent_id=96 (2021), Rob Hajer (1929-2021) in: Biografisch Portaal Sociaal Werk.
Cees Stapel (1958), ‘Volkshogeschoolwerk als samenlevingsvorming’ , in: De Volkshogeschool, jrg. 13, br. 1/2, pp. 2-4.
Rob Hajer (1960), ”Community organization als opvoeding te velde’ , in: G. Hendriks, Jo Boer en R. Hajer, Wat is community organization? Een korte verkenning. Kaleidoscoop - flitsen. Uitgave: Academie voor sociale en culturele arbeid, Groningen
Na de oprichting van de eerste Nederlandse Volkshogeschool in Bakkeveen, volgden tal van andere initiatieven in dezelfde richting. Henk, vriend Bart Saris en enkele anderen probeerden iets dergelijks voor de provincies Noord- en Zuid-Holland. Verder dan een plan kwam 't niet.