Over de door Mussert opgerichte Tijdelijke Bijzondere Rechtbank waarin Henk zitting had, zie het boek. Hierbij Musserts besluit plus de formulering van de eed die bij de aanstelling hoorde
Een van de zaken van de Tijdelijke Bijzondere Rechtbank van de NSB betrof jhr. mr. S.M.S. de Ranitz, gewezen advocaat te Amsterdam, sinds 1936 geheim lid van de NSB, adviseur van Mussert en na een aanslag op de zittende Secretaris-Generaal belast met het departement van Volksvoorlichting en Kunsten. Hem werd ten laste gelegd:
Verlating van zijn post op 5 september 1944 en daarmede verband houdende sluiting van het Departement van Volksvoorlichting en Kunsten
Onvoldoende zorg voor de achterblijvende Departementsambtenaren.
Rambonnet (die niet alleen het onderzoek leidde maar tijdens het proces ook als aanklager functioneerde) eiste ontslag uit de NSB voor een periode van minstens 4 jaar en het vervallen verklaren van De Ranitz’ rang in de Beweging. Henk c.s. vonden dit te veel gevraagd en meenden dat de man alleen de functie van adviseur van Mussert ontnomen moest worden. De omstandigheden waren hem simpelweg boven het hoofd gegroeid. ‘Kameraad de Ranitz heeft de situatie waarin hij aangesteld was, niet beheerscht,’ oordeelde de rechtbank maar voegde daar wel meteen aan toe dat dit vanzelfsprekend wel had gemoeten.
De beweging heeft in hare leiding mannen noodig die niet alleen de noodige verstandelijke en organisatorische capaciteiten bezitten, doch die ook voldoende sterk en onafhankelijk van karakter zijn om in uren van gevaar op zichzelf te kunnen staan, hun ondergeschikten leiding weten te geven en dezen het gevoel vermogen te verschaffen, dat zij op die leiding kunnen vertrouwen.
Met andere woorden: De Ranitz was inderdaad wel een beetje een slappeling maar ja, niet iedereen was uit hetzelfde hout gesneden.
Ruim een maand nadat het vonnis over De Ranitz geveld was, maakte de Griffier van de Bijzondere Rechtbank (de drie hoofdletters tonen dat ze bij de NSB niet van de straat waren!) de balans op van de zaken tot dan toe. Vreemd genoeg komt de naam van De Ranitz op die lijst niet voor. Die van tien anderen wel. Uit de opsomming blijkt dat het verre van eenvoudig was hen te berechten. De meesten kwamen simpelweg niet opdagen. Een enkeling werd zelfs vijf maal gedagvaard, de vierde keer verscheen hij wel maar toen was notabene de aanklager de afspraak vergeten. Van een ander was de verblijfplaats onbekend. Slechts een enkel vonnis was geveld. Enige weken later maakte de griffier nog een aanvulling op dit schrijven. Dit keer ging het om een overzicht van de gevallen waarvan het ‘technisch’ al dan niet mogelijk was deze alsnog te behandelen. De meeste behoorden tot de laatste categorie en wel vanwege de zogenaamde IJsselsperre (dat wil zeggen dat de personen in kwestie aan de bevrijde kant van Nederland verbleven) of omdat zij in Duitsland woonden. Eenmaal zover, dit laatste schrijven dateert van 7 maart, was de oorlog bijna ten einde en was er in ieder geval geen tijd meer voor gedoe als dit. Dit gold ook voor Henk - en dat niet alleen om beroepsmatige redenen. Er kwam iets bij, iets persoonlijks.
Het was dus nogal een zootje met die NSB-rechtbank. Begrijpelijk: eind 44, begin 45 had men 'andere dingen aan het hoofd.