Het is eigenlijk met geen pen te beschrijven hoe belangrijk het katholicisme is geweest voor mijn ouders, zeker in de eerste fase van hun leven. De oorlog sloeg een eerste gat, de naweeën van het Tweede Vaticaans Concilie en de jaren zestig een tweede. Vooral door dat tweede breukvlak nam mijn moeder grotendeels afscheid van de Kerk - al bleef ze in haar hart diep religieus. Mijn vader, veel minder religieus, bleef de kerk wel trouw maar dat was eerder om sociale- dan om geloofsredenen. Zie ter illustratie hiervan onder meer de brief die hij me schreef (staat hieronder).
Het katholicisme van mijn ouders blijkt uit 1001 details. Hier staan wat voorbeelden. Elders werk ik het voor mijn verhaal belangrijkste thema m.b.t. het katholicisme uit: de relatie tussen dit geloof en het fascisme.
Henk is hier tot en met 5 gym schoolgegaan, van 1928 tot 1933. Uiteindelijk deed hij in 1934 in Amsterdam eindexamen.
Deze twee foto's komen uit het bezit van Henk
bron: https://rooynet.nl/, hier voor meer afbeeldingen & hier voor wat artikelen.
Uit Henks autobiografie
Zo kwam ik als elfjarige op het franciscaans gymnasium 'Immaculatae Conceptionis' in Venray. Het was de bedoeling dat de jongens er tot franciscaan werden opgeleid, maar het was daarnaast een erkend gymnasium. Het was een internaat met alle consequenties van dien. Er heerste een niet onvriendelijke maar toch onmiskenbare sfeer van tucht en onvrijheid. Na het ontbijt begonnen de lessen die met onderbreking van het warme middageten en een half uurtje 'cour' tot het eind van de middag duurden. In de avond weer anderhalf uur verplichte studiezaal en daarna een korte recreatie. Wij sliepen in houten chambrettes die in een grote zaal waren ingebouwd. De klassen hadden nog de oude benamingen. De eerste klas heette 'klein figuur', de tweede 'groot figuur' en die hadden samen een recreatie-zaal. De derde heette 'grammatica en daarna volgde 'syntaxis', 'poesis' en 'retorica' die ook weer samen een recreatiezaal hadden. Ik mag niet beweren dat ik alle verplichte studie-uren werkelijk aan de studie besteed heb. Ik heb in de gesurveilleerde studiezaal stiekem heel wat boeken gelezen. Je kreeg er handigheid in het wakend oog van bepaalde surveillanten te ontwijken. Ik heb aan Venray veel te danken. Niet alleen leerden wij ons voegen in een vrij strak gemeenschapsverband, maar wij werden ook grondig in de klassieke talen gedrild. Ik heb er leraren gehad die een duidelijk stempel op mijn leven hebben gedrukt en die ik ook toen al bewonderde. Nederlands kregen wij er van pater Christinus Kops, de Haarlemmer die een prachtige rijmloze Dante-vertaling heeft gemaakt met noten en commentaar die je ook nu nog voor je genoegen leest. De fijn besnaarde Lucidius Verschueren van wie wij Grieks kregen, maakte ons vertrouwd met de middeleeuwse mystiek en hij publiceerde over de vijftiende-eeuwse mysticus Hendrick Herp (Herpius) en diens Spieghel der Volcomenheit. Renaldus Rats, een begaafd kunstenaar, houtsnijder en beeldhouwer, leidde ons binnen in de moderne expressionistische kunstwereld. Door hem heb ik het werk van Jozef Cantré leren kennen, mijn eerste kennismaking met de Vlaamse kunst uit de Leiestreek met Permeke en vooral Albert Servaes, bij wie ik later meermalen op bezoek ben geweest. Op kostschool heb ik ook voor de eerste maal een beetje uitgever gespeeld. Op de leestafel in de recreatiezaal publiceerde ik een periodiek gewijd aan de autotechniek. Ik heb er in de klas van gymnasiasten heel wat hoon om moeten verduren, want ik was een geestdriftig autoliefhebber, wat in de 'culturele' sfeer van een gymnasium natuurlijk niet zo erg paste. Met opgeplakte plaatjes van technische onderdelen en een zelf geschreven tekst deponeerde ik op die leestafel een soort cursus automobieltechniek. Toen ik pas een jaar of vijftien was, wist ik al precies hoe een auto in elkaar zat en hoe je hem moest besturen. Toen er eens op de 'cour' vlak bij het hek onbeheerd een kolenauto met draaiende motor op de bestuurder stond te wachten, stapte ik er stiekem in, reed een straatje rond en keerde door het hek weer terug, waar de stomverbaasde en verontwaardigde chauffeur verbijsterd stond te wachten. Ik weet niet meer welke straf ik daarvoor gekregen heb, maar het was niet best, temeer omdat ik er helemaal geen spijt van bleek te hebben.
geboortekaartjesstilleven
hieronder enkele fragmenten, gevolgd door bijna de hele brief (op p. 3 staan een paar woorden)
Je zegt dat je religieus bent, maar niet gelovig. Dat is een erg vrijblijvende keuze, een je terugtrekken op de positie van jezelf alleen. Het verplicht je tot niets, maar ik vrees dat het tot eenzaamheid en vertwijfeling leidt. Al het menselijke vraagt om het tussenmenselijke en om vorm; zonder dat zwalkt hij stuurloos. Een mens wil ergens bij horen; hij wil een dak boven zijn hoofd. Groep en tehuis zijn de steunberen van zijn vrijheid. Een bewust en zelfstandig denkend mens prikt wel door de vormen heen, maar ontkent of miskent ze niet. Hij onderscheidt van elkaar de kern en de franje.
De kerk boezemt je eer afkeer in, zo schrijf je. Maar Christoph, is het waar dat het gregoriaans, het lied waarin tachtig generaties hun lief en leed hebben uitgezongen je afkeer inboezemt; dat Franciscus, Fra Angelico, Erasmus, Rembrandt en Bach, wier schoonste, door het Evangelie gedragen scheppingen de rijkdom uitmaken van onze menselijke beschaving, je afkeer inboezemen? Je hebt de tegenstelling gemaakt 'meer Franciscus' te willen en 'minder vaticaan', maar ben je dan vergeten dat diezelfde Franciscus in het prachtige tafereel van Giotto de kerk op zijn schouders neemt en in z'n argeloosheid het kerkje van Portiuncola met eigen handjes met stenen en mortel wil herbouwen? Neen, zeg je: 'van dit alles heb ik geen afkeer', maar hoe bestaat hun schoonheid zonder de schoonheid en waarheid van het Evangelie? Wil je echt de eigen traditie van tweeduizend jaar als een bagatel in de prullenbak gooien, omdat mensen de vormen met domheid en vuile handen hebben bezoedeld?
Christoph, je kent de werkelijkheid van de huidige kerk niet meer. Je leeft in het verleden met een stugge, norse en bemoeizuchtige kerk die op dood gezag steunde. Die kerk bestaat hier niet meer. Persoonlijk besef is ook in de kerk met reuzenschreden vooruitgegaan. Wanneer ik in de gemeenschap van de huidige kerk, de basis-kerk zoals we die noemen, kleine kinderen van zes tot tien jaar naast de priester aan het altaar zie staan en hen ongedwongen en met kinderlijke eerbied het brood en de wijn van de Eucharistie zie nuttigen, wanneer ik de eenvoudige zorgvuldigheid zie waarmee de mensen van ons dorp elkaar in en buiten de kerk bejegenen en door de priester bejegend worden, dan moet ik zeggen dat je voor mijn gevoel gewoon achter bent geraakt. Je drijft op indrukken uit de oude doos. Het klinkt de moderne mens als minderwaardig in de oren zich te voegen in de vormen en tradities van de liturgie en het kerkelijk jaar. Maar hij vergeet dat hij met het badwater het kind weggooit. In die zin verzet ik mij tegen de geest van de tijd, zoals zovelen vóór mij hebben gedaan. Dit kan als 'preken' worden afgedaan, maar zij die dit 'preken' noemen, vergeten dat zij in een werkelijkheid leven die oneindig groter, blijvender, rijker en onvoorzienbaarder is dan zij.