De filosofie of wijsbegeerte is de oudste theoretische discipline die het streven uitdrukt naar kennis en wijsheid. De filosofie houdt zich bezig met de fundamentele vragen over zaken als het bestaan, de werkelijkheid, de rede, waarden, taal en het menselijke verstand. Filosofie is een centraal element in de intellectuele geschiedenis van een cultuur.
De belangrijkste tradities in de geschiedenis van de filosofie zijn de westerse, Arabisch-Perzische, Indische en Chinese filosofie. De westerse filosofie vindt haar oorsprong in het oude Griekenland en bestrijkt een groot aantal filosofische deelgebieden. Veel moderne wetenschapsdisciplines, zoals natuurkunde en psychologie, zijn historisch gezien deels voortgekomen uit filosofische vraagstelling.
Belangrijke takken van de filosofie zijn epistemologie, ethiek, logica en metafysica. Epistemologie bestudeert wat kennis is en hoe men deze kan verwerven. Ethiek houdt zich bezig met morele principes – de kritische bezinning van het juist of onjuist handelen. Logica is de studie van correct redeneren en onderzoekt hoe goede argumenten van drogredenen kunnen worden onderscheiden. Metafysica onderzoekt de meest algemene beginselen van de werkelijkheid, objecten en eigenschappen.
Filosofen gebruiken verschillende methoden om tot antwoorden en inzicht te komen. Ze maken gebruik van conceptuele analyse, het logische verstand of intuïtie, het poneren van gedachte-experimenten, het analyseren van taal, en het kritisch beredeneren. Filosofie heeft een richtinggevende invloed in vakgebieden als natuurwetenschappen, wiskunde, bedrijfskunde, het recht en journalistiek.
In het Oudgrieks is het woord philosophía (φιλοσοφία) een samenstelling van de woorden voor liefde (φιλέω = ik houd van, φιλεῖν = houden van, φίλος = vriend, φιλία = vriendschap) en voor wijsheid (σοφία = wijsheid).
Oorspronkelijk betekende filosofie dus eenvoudig: "liefde voor wijsheid". Het woord filosoof verving aldus het woord sofist, dat gebruikt werd om "wijze mannen" of leraren in de retorica aan te duiden. Enkele van de vroege sofisten waren wat we nu filosofen zouden noemen. In de dialogen van Plato stelt Socrates vaak filosofen tegenover sofisten, die Socrates karakteriseert als oneerlijk en destructief, omdat ze hun onwetendheid camoufleren achter woordspelingen en vleierij, en anderen pogen te overtuigen van wat onwaar en zonder grond is. Aristoteles nam deze visie op de sofisten van Socrates en Plato over.[1] "Sofist" is hierdoor nog steeds een minachtende uitdrukking voor hen die anderen met hun redenaarskunst willen overtuigen zonder enige interesse in wijsheid of waarheid.
De introductie van de term "filosofie" werd toegeschreven aan de Griekse denker Pythagoras: "De vita et moribus philosophorum", I, 12; Cicero: "Tusculanae disputationes", V, 8-9). Deze verwijzing is waarschijnlijk gebaseerd op een verloren gegaan werk van Herakleides Pontikos, een leerling van Aristoteles. Het wordt beschouwd als deel van de wijdverspreide pythagorische legenden uit die tijd. In werkelijkheid werd de term "filosofie" niet gebruikt tot ver voor Plato.
Filosofie en 'filosoferen' was volgens Aristoteles de meest verheven en meest goddelijke activiteit voor de mens, die ze van nature voltooit en die een bron van vreugde is. In zijn "Uitnodiging tot de filosofie" lezen wij: "...want intelligentie is de god in ons..." en "Het stoffelijke leven heeft een goddelijk gedeelte", en nog: "Zodoende is de mens verplicht te filosoferen of anders afscheid te nemen van het leven; want alle andere activiteiten zijn slechts prullen in verhouding tot het filosoferen".
Het is een misverstand dat de wetenschapper Simon Stevin het woord "wijsbegeerte" heeft bedacht, want dit verscheen pas in 1661 voor het eerst.[2]