OLB & HGD > Strategiefase > Hypothesen 'Studiekeuzetaken'' > Hypothese 4 - Kennis van zichzelf en de omgeving
Welke inschatting maakt de leerling over de informatie waarover hij beschikt over zichzelf en over zijn omgeving? Dat is de kernvraag die voorligt bij deze vierde keuzetaak. Een leerling die niet goed scoort op deze keuzetaak, vindt dus van zichzelf dat hij weinig weet over zichzelf en/of zijn omgeving.
Deze inschatting kan correct of realistisch zijn, maar kan dat ook niet zijn.
De leerling heeft het gevoel weinig kennis over en weinig inzicht in zichzelf en zijn omgeving te hebben.
Wat verklaart het feit dat de leerling aangeeft dat hij zichzelf en zijn omgeving niet goed kan inschatten ?
Ik kan niet goed inschatten waar ik goed ik ben.
Ik kan niet goed inschatten wat ik graag zou doen.
Ik weet niet goed welke studierichtingen bestaan of aansluiten bij mijn persoon.
Ik weet niet welk beroep ik later wil uitoefenen.
Ik kan niet goed inschatten wat ik belangrijk vind in het leven.
Ik kan niet goed inschatten welke waarden ik vooropstel en welke doelen ik wil bereiken.
Deze inschatting kan realistisch of onrealistisch zijn. Dat toetsen we af. Bijkomend is het belangrijk om een onderscheid te maken tussen enerzijds de mate waarin de leerling exploreerde over zichzelf en zijn omgeving en anderzijds de kennis die de leerling denkt te bezitten over zichzelf en de omgeving. Deze aftoetsing en dit onderscheid zullen bepalend zijn voor de begeleiding die de leerling nodig heeft. Hieronder worden 4 mogelijke situaties uitgewerkt.
Als de inschatting van de leerling over zijn zelfkennis en z’n kennis van de omgeving realistisch is, dan kunnen er zich 2 situaties voordoen
De leerling geeft aan veel kennis te bezitten over zichzelf en zijn omgeving en heeft bijkomend veel inspanningen gedaan om te exploreren.
In deze situatie zit de leerling op het goede spoor. Hij heeft voldoende kennis over zichzelf en zijn omgeving en kan daardoor een studierichting kiezen eigen aan z’n persoon.
De leerling geeft aan weinig kennis te bezitten over zichzelf en zijn omgeving, maar heeft ook weinig inspanningen gedaan om te exploreren.
In deze situatie is het belangrijk om de leerling te stimuleren om de studiekeuzetaak exploratie van zichzelf en exploratie van de omgeving in de breedte en diepte aan te pakken. De persoongebonden verklaringen van het niet-exploreren, zijn dan dezelfde zoals voorheen:
- De leerling toont weinig drang, interesse of nieuwsgierigheid om nieuwe zaken te ontdekken. Daardoor is het mogelijk dat de leerling weinig zin heeft om over zichzelf of zijn studie aanpak na te denken.
- De leerling heeft een laag effectiviteitsgevoel (= het geloof in de eigen capaciteiten om een bepaald gedrag te realiseren), gelinkt aan z’n zelfwaardegevoel. Indien de leerling zichzelf minder competent acht voor een bepaalde activiteit, i.c. zelfconceptverheldering, dan zal er ook minder interesse zijn voor die activiteit.
- De leerling heeft weinig zicht op mogelijke relevante informatiebronnen die hem input kunnen geven bij de beeldvorming van zichzelf. Het is goed mogelijk dat de leerling niet goed weet bij wie hij hiervoor terecht kan, dat je hiervoor bij meerdere personen terecht kan en je de relevantie of kwaliteit van deze bronnen kritisch kan bevragen (in hoeverre geeft deze bron betrouwbare informatie over wie ik ben als leerling en als persoon?).
- Als de leerling onbetrouwbare of eenzijdige informatie krijgt vanuit zijn omgeving, dan kan dat leiden tot incorrecte of onvolledige zelfkennis. Door weinig succeservaringen op schools vlak of systematische negatieve feedback is het enerzijds mogelijk dat de leerling zichzelf te laag inschat en enkel negatieve informatie over zichzelf opneemt. Anderzijds kan de leerling ook enkel positieve informatie opnemen en zichzelf daardoor te hoog inschatten.
Het is ook mogelijk dat de leerling over weinig vaardigheden beschikt om zichzelf in te schatten ( = weinig zelfkennis) en niet weet hoe hij dit moet aanpakken.
- De leerling ontwikkelt onvoldoende loopbaancompetentie. Loopbaancompetentie houdt in dat de leerling competenties moet ontwikkelen om om te gaan met loopbaanveranderingen en dat hij die zelf mee vorm geeft. De leerling loopt niet vast op onvoorziene wendingen, maar hij zoekt aansluiting met nieuwe situaties en past zich daaraan aan. Is dat niet het geval, dan voelt de leerling zich niet competent genoeg om het studiekeuzeproces aan te pakken en zelf vorm te geven.
- Disfunctionele mythe. De leerling houdt zich de mythe voor dat er maar één studierichting bij hem past. Daar fixeert hij zich op en kijkt of denkt daardoor niet meer breder naar of over zichzelf.
Als de inschatting van de leerling over zijn zelfkennis en z’n kennis van de omgeving onrealistisch is, dan kunnen er zich 2 situaties voordoen:
De leerling geeft aan veel kennis te bezitten over zichzelf en zijn omgeving, maar heeft eigenlijk weinig inspanningen gedaan om te exploreren.
In deze situatie is het belangrijk om af te toetsen in hoeverre de leerling effectief stilgestaan heeft bij zichzelf, informatie opgezocht heeft over verschillende studierichtingen en ze heeft verkend in de breedte en diepte.
Is dat niet het geval, dan stimuleren we de leerling opnieuw om de studiekeuzetaak exploratie van zichzelf en de omgeving in de breedte en diepte aan te pakken. Daarna kunnen we nagaan of er een match is tussen de kenmerken van de persoon van de leerling en mogelijke studierichting(en).
De persoonsgebonden verklaringen van het niet-exploreren zijn dan dezelfde zoals omschreven bij hypothese 2 en hypothese 3.
De leerling geeft aan weinig kennis te bezitten over zichzelf en zijn omgeving, maar heeft toch veel inspanningen gedaan om te exploreren.
In deze situatie heeft het geen zin om de leerling te stimuleren om verder te exploreren. De leerling heeft reeds veel inspanningen gedaan om informatie op te zoeken, maar heeft nu nog steeds het gevoel over onvoldoende informatie of kennis te bezitten.
In deze situatie zijn er andere mogelijke persoonsgebonden verklaringen waarom de leerling blijft exploreren:
- Perfectionisme. De leerling legt de lat voor zichzelf heel hoog en is kritisch ingesteld. Hij heeft het gevoel dat hij nooit genoeg kennis en informatie kan bezitten.
- (Faal)angst. De leerling is angstig omwille van het feit dat hij onvoldoende zelfkennis ervaart of inschat belangrijke informatie te ontbreken. Uit angst zal de leerling dan blijven exploreren.
- Lage zelfwaardering. De leerling voelt zich niet voldoende competent of schat zichzelf laag in om voldoende kennis op te bouwen over zichzelf en zijn omgeving.
- Als de leerling onbetrouwbare of eenzijdige informatie en feedback krijgt vanuit zijn omgeving, dan kan dat leiden tot incorrecte zelfkennis. Door weinig succeservaringen op schools vlak of negatieve feedback is het enerzijds mogelijk dat de leerling zichzelf te laag inschat en enkel negatieve informatie over zichzelf opneemt. Anderzijds kan de leerling ook enkel positieve informatie opnemen en zichzelf daardoor te hoog inschatten. Het is ook mogelijk dat de leerling zichzelf niet of moeilijk kan inschatten ( = weinig zelfkennis) en niet weet hoe hij dit kan aanpakken.
Een mogelijke omgevingsfactor die bij elk van deze 3 laatste situaties verklarend kan zijn, is:
- Gebrek aan informatiebronnen. Het is mogelijk dat de leerling weinig feedback of informatie aangereikt krijgt van leerkrachten, vrienden, studenten, ouders, enz.