OLB & HGD > Begeleidingsfase > Oriëntatie : Motiverende coach > Externe druk ervaren
Jongeren spiegelen zich vaak aan hun vrienden en leeftijdsgenoten. Dat is bij het maken van een studiekeuze niet anders. Die spiegelfunctie stelt jongeren in staat zichzelf te oriënteren in vergelijking met leeftijdsgenoten. Ze zien bijvoorbeeld welke interesses of aspiraties bij medeleerlingen aan de basis liggen van de keuze van een studierichting en kunnen zich hieraan toetsen. Jongeren inspireren en beïnvloeden elkaar op die manier.
Die sociale beïnvloeding kan evenwel ook de vorm aannemen van sociale druk. Leerlingen stemmen hun handelen dan af op de verwachtingen van vrienden en leeftijdsgenoten, maar ook van ouders en leerkrachten. Leerlingen die zeer gevoelig zijn aan sociale druk maken dikwijls een overhaaste of oppervlakkige studiekeuze. Ze sluiten hun keuzeproces vroegtijdig af zonder grondige exploratie van zichzelf en van de keuzemogelijkheden. Hun studiekeuze wordt sterk van buitenaf gestuurd en gaat gepaard met gevoelens van druk om te presteren en om te voldoen aan andermans verwachtingen of adviezen. Een controlerende of dwingende stijl van ouders of leraren kan dit proces nog versterken.
Het kan ook voorkomen dat de omgeving in de feiten geen druk legt op de leerling, maar dat hij dat wel zo aanvoelt. Dit kan bijvoorbeeld te maken hebben met perfectionisme bij de leerling. Hij denkt dan veel druk te ervaren omdat hij zichzelf veel druk oplegt. Hij stelt hoge eisen aan zichzelf. Ook voortdurend kritisch en streng zijn voor zichzelf kan ertoe leiden dat de leerling veel druk ervaart.
Een leerling die een authentieke studiekeuze maakt, positioneert zich in het landschap van mogelijke studiekeuzewegen. Hij benut de informatie van zijn omgeving over zichzelf en over zijn studiekeuze, maar hij weet zich gewapend tegenover de druk van de omgeving. Hij laat er zijn persoonlijke motieven en voorkeuren niet door ondermijnen.
In de begeleiding van leerlingen die onder externe druk staan, maken we hun eigen doelen, aspiraties, normen en wensen bespreekbaar.
We bevestigen de leerling in zijn zoektocht hierin en benutten de mogelijkheden die zich in het begeleidingsgesprek voordoen om zijn zelfwaardegevoel te versterken.
We helpen zijn zelfbeeld verbreden en uitdiepen (zie ook oriëntatie 2: ‘exploratie van zichzelf’). Dit zelfbeeld kunnen we plaatsen tegenover het beeld dat anderen van hem hebben. De verwachtingen die anderen hebben ten aanzien van zijn studiekeuze en die voor druk zorgen, zijn meestal op dat beeld gebaseerd (en niet op het zelfbeeld van de leerling).
We kunnen de leerling deze verschillende beelden als het ware met elkaar laten communiceren. Welke beelden heeft de omgeving van de leerling en hoe bepalen die zijn zelfbeeld? En welke stukjes van zichzelf zijn vaak onbekend voor zijn omgeving en zou hij graag meer op de voorgrond brengen?
Leerlingen zitten soms al lange tijd vast in de verwachtingen van hun omgeving. Het is een patroon geworden om te voldoen aan vermoede verwachtingen.
Ook hierover kunnen we de communicatie op gang brengen.
Wat houden die verwachtingen concreet in?
Vanwaar komen die verwachtingen?
Heeft zijn omgeving die verwachtingen effectief, of zitten die vooral in het hoofd van de leerling?
Hoe komt het dat ze druk creëren?
Hoe kunnen we de omgeving helpen om meer realistische verwachtingen te stellen, of althans verwachtingen die aansluiten bij de persoon van de leerling zelf?
In situaties waarin de omgeving het studiekeuzeproces van de leerling sterk aanstuurt volgens eigen visie en wensen kan je als begeleider een bemiddelende rol opnemen.
Zowel voor de omgeving als voor de leerling is een studiekeuzemoment een kans om los te laten.
Voor de ouders en de school kan het een moment zijn om ook eens afstand te nemen van eigen overtuigingen en verwachtingen en om aansluiting te zoeken bij het perspectief van de leerling.
Voor de leerling kan het een scharniermoment zijn om los te komen van de druk van de omgeving, om vrijuit te denken en een eigen draaiboek te schrijven.
Hoe ziet dat draaiboek er uit?
Bij welk scenario kan hij zich iets voorstellen en er zich zelfs mee identificeren?
Wat zou er gebeuren als hij dat scenario voorlegt aan z’n omgeving?
Het kan ook interessant zijn om met de leerling na te gaan hoe medeleerlingen hun scenario’s vorm en inhoud geven.
Hoe nemen vrienden en leeftijdsgenoten hun studiekeuzetraject in handen?
Welke interesses en talenten hebben ze?
Hoe houden die verband met de studiekeuze die ze voor zichzelf vooropstellen?
Hoe gaan zij om met meningen en verwachtingen van anderen?
Hoe gelijkend of hoe anders ziet de leerling zijn studiekeuzetraject in vergelijking met die van vrienden of medeleerlingen?
Hoe leiden verschillende persoonlijkheidsprofielen tot verschillende studiekeuzes?
Maar ook: hoe kunnen verschillende persoonlijkheidsprofielen leerlingen toch tot gelijkaardige studiekeuzes brengen?