In De verbazing van het masker Wouse liggen op de vloer de benodigdheden voor een carnavalsvermomming. Met behulp van dezelfde maskers, hoofddeksels, kledingstukken en muziekinstrumenten zouden we de mise-en-scène makkelijk kunnen reconstrueren. Achteraan leunt een masker tegen een rode uniformjas, een klarinet is tot tegen de mond van dit masker geschoven. Het instrument rust met zijn onderkant op een altviool. Voor het masker van de musicerende helleveeg, ligt een ander kledingstuk met het witte kartonnen masker van een doodshoofd met een kanten hoedje. Rechts leunt een hoge hoed op het masker van een man met een lange neus. Onder het gele kledingstuk dat bij dit masker hoort is een zwarte laars geschoven. Aldus lijkt de voorstelling niet meer dan een stilleven op de plankenvloer in Ensors atelier op de zolder van de ouderlijke woning in Oostende. Maar aan de randen van het doek verschijnen maskers als duiveltjes uit een doos en zonder zichtbare fysische steun. Vooraan ligt een doodshoofd met een brandende kaars in zijn hand. Daardoor wordt niet alleen de identiteit van het stilleven op de vloer, of het Japanse masker dat achteraan tegen de muurplint leunt, twijfelachtig. Maar ook het zwartgemaskerde personage dat links de kamer betreedt en de vrouw met een parasol en groteske gelaatstrekken schijnen op hun beurt niet langer vermomde mensen maar fantastische, irreële wezens. De twijfelachtige, dubbelzinnige realiteitswaarde van stillevenmotieven, carnavalsgasten of hersenschimmen en demonen is cruciaal voor het irreële karakter van de typisch Ensoriaanse groteske maskertaferelen vanaf 1887.