N I E U W: Kantoren hebben plaatsgemaakt voor exclusief wonen in een unieke stadsvilla van 444 m2
De geschiedenis van Diest is diep geworteld in haar strategische ligging aan de rivier de Demer, op de grens van het Hageland en de Kempen. In 1229 verleende hertog Hendrik I van Brabant officiële stadsrechten aan de nederzetting, wat een periode van sterke economische en infrastructurele groei inluidde. Gedurende de veertiende en vijftiende eeuw ontwikkelde de stad zich tot een vooraanstaand centrum voor de lakennijverheid en -handel. Het Diestse laken verwierf een sterke reputatie en werd geëxporteerd naar grote markten in heel West-Europa, wat zorgde voor een aanzienlijke welstand onder de burgerij.
Deze middeleeuwse bloeiperiode weerspiegelt zich direct in het bewaard gebleven architectonische erfgoed. In 1346 begon de constructie van de Lakenhalle, een gotisch overheidsgebouw dat diende als het economische hart van de textielsector. Kort daarvoor, in 1321, startte de bouw van de monumentale Sint-Sulpitiuskerk. Dit bedehuis werd opgetrokken uit de kenmerkende, lokaal gewonnen bruine ijzerzandsteen. Een ander belangrijk historisch relict is het Begijnhof van Diest, gesticht in 1253. Dit goed geconserveerde complex werd in 1998 door UNESCO erkend als Werelderfgoed en illustreert de besloten leefomgeving van de historische begijnenbeweging.
Vanaf het midden van de vijftiende eeuw raakte de historie van Diest nauw verweven met de Europese hoogadel. Door het huwelijk van Jan IV van Nassau met Maria van Loon-Heinsberg in 1440 kwam de stad in het bezit van het Huis Nassau. Diest ontwikkelde zich hierdoor tot een belangrijke 'Oranjestad'. Filips Willem van Oranje-Nassau, de oudste zoon van Willem van Oranje, voerde de titel van heer van Diest en koos de stad na zijn overlijden in 1618 als zijn definitieve laatste rustplaats; zijn graf bevindt zich in de crypte van de Sint-Sulpitiuskerk. Tot op de dag van vandaag draagt de Nederlandse koning de adellijke titel Baron van Diest. Hoewel de textielindustrie aan het einde van het ancien régime instortte, behield Diest haar strategische betekenis, wat in de negentiende eeuw onder meer leidde tot de bouw van een omvangrijke militaire citadel ter verdediging tegen hernieuwde Nederlandse dreigingen.
De onvoltooide westertoren: Aan de constructie van de Sint-Sulpitiuskerk hebben over een periode van ruim twee eeuwen maar liefst achttien verschillende architecten meegewerkt. Vanwege een chronisch geldgebrek werd de bouw in 1534 definitief stopgezet, waardoor de geplande westertoren tot op de dag van vandaag onvoltooid is gebleven. (Diest Online)
Naamgever van een geologisch tijdperk: Diest heeft haar naam geleend aan de officiële geologische term 'Diestiaan'. Deze aanduiding verwijst naar de Formatie van Diest, een miljoenen jaren oude zandlaag met ijzerzandsteenbanken die in de regio aan de oppervlakte komen en veelvuldig als lokaal bouwmateriaal zijn gebruikt. (Natural Sciences)
De beschadigde Mosterdpot: De vieringtoren van de Sint-Sulpitiuskerk staat bekend onder de spotnaam 'De Mosterdpot', waaraan de inwoners van de stad hun bijnaam 'mosterdschijters' danken. Tijdens de Eerste Wereldoorlog raakte de toren op 18 augustus 1914 zwaar beschadigd door een Duits artilleriebombardement, waarbij de mechanische speeltrommel van de beiaard volledig werd vernield. (Diest Online)
Bierritueel op één been: Nieuwe leden van de historische Sint-Sebastiaansgilde moeten tot op de dag van vandaag een inwijdingsproef afleggen waarbij ze op één been staand een zilveren beker leegdrinken. Deze ceremoniële gildebeker is 311 jaar oud en officieel erkend als Vlaams Topstuk. (Hola Hageland)