Dit is een tekst van Bart Van Damme en Joris Laroy.
Elk zijn stuk, elk zijn rol, elk zijn deel.
Onlosmakelijk van elkaar. Aan mekaar.
Ooit drie handen op één buik.
Ineengesmeed en gepolijst door Raf Goossens.
Joris, wie doet je wat?
Ik weet het niet. Ik weet het niet.
Jij, sir George, keizer op het podium.
Wereldberoemd in Gent.
Een in Het Nieuwsblad veel geschreven predicaat
Het past je, sir George, het past je goed
Jij was meer Macca, Paul Mc Cartney
Ik vond je als Beatle vooral Harisson, George.
Lonely rider, zoekend, creatief en onderschat
Nog meer dan die held op het podium, die jij vaak was
De man achter de schermen, jij, Shaker van ons hart
Gentse Feesten icoon, ja, Draker dat was je, zeker!
De middenstand regeert het land.
De Gentenaar, jouw krant.
Maar bovenal jongen van jouw dorp en ook jouw streek, dat weten we
Het stond al ergens geschreven, op één of ander sociaal medium,
begeesterd was je,
beïnvloed was je,
door meester-directeur Walter Verplaetse
Nog meer, naar eigen zeggen, door meester Jozef Verstraeten van ’t vijfde studiejaar.
Slenne Verdomme.
Het zat bij jou overal,
Zoals die kanker waarover je het niet hebben wou.
‘Kijkt, maar kijkt dan toch.’
Wat?
Hier. Joris toonde een papiertje.
Maar ziet ge dat niet?
…
Een etiketje?
Een etiket van een fles van Sint-Jorismelk. Fantastisch. Uniek. Enig.
Joris kon kinderlijke blijheid tonen bij een goed interview, een schone foto, een vergeten verhaal. Cowboystories om nooit te vergeten. Opnieuw en over en weer.
Gedreven door de Sleinse heimat.
Gedreven, nooit gelaten.
Verbeten, soms verbitterd.
Het Sleins Bevrijdingsleger, ook.
De Meetjeslandse Afscheidingsbeweging. Graag.
In de tuin bij Joris, elke keer opnieuw ter voorbereiding van Slenne zijngt Slèjns.
‘Wat drinkt ge. Ik heb iets fris staan. Iets speciaals.’
‘Een Westvoorde?’
We wisten dat zijn Westvoorde al lang niet meer gebrouwen werd.
Steevast reageerde Joris.
‘Ne Westvoorde … Nee, die wordt niet meer gebrouwen, spijtig.’
‘Nen Augustijn? Hebt ge nog eentje staan … goed wetende dat Joris dit nooit in huis haalde.
Joris hapte opnieuw: ‘Augustijn komt hier niet binnen.’
‘Joris, wat drinkt gij?’ vroegen we.
‘Ik drink niet,’ zei Joris. ‘Nu nog niet. Het is nog niet donker.’
En dan zwegen wij, want wij zagen onze held
In het repetitiekot heel vroeg, tegen alle punkers in.
Eind de jaren ’70 beetje rockabilly spelen, zijt ge nu helemaal?
Of je eigen bier brouwen?
Jij, dertig jaar geleden, nu doen ze het allemaal
Of fietsen op een kerkwegel, man, jij schreef onze nieuwe taal,
nu fietsen ze van paal naar paal.
Ja, jij was een mentor, een cantor, een zandstuiver zoals ze zeggen: dé drijvende kracht
Maar bovenal wie je was, zo duidelijk en helder, één en al vaderlijke pracht
Je pen en je verhalen, de Weststraat en de textiel
Joris, in je huis, je plek, bij je toren, je stek
Daar, in je huiskamer, waar je moeder en vader repeteerden
En waar wij allen, gelukzakken, vaak het leven fêteerden.
Of even een betere wereld mee regeerden,
onze Vrijstaat weet je wel?
Ge zegt dat niet van een mens, ik weet het, maar Joris was maïzena.
Maïzena.
Joris was een verbinder. Hij bracht volk samen.
Tarchief met De Constateurs, Slenne zijngt Slèjns, het SAVA, G & The Wild Gang, het klokhuis, de Vrijstaat, dat op stapel staat.
Slenne was zelfs te klenne. ‘t MIAT, De Gentse feesten op Sint-Baafs, De Ronde van Vlaanderen.
Hij had voorbeelden, Walter, Jozef, maar was zelf een voorbeeld.
Hè gulder hier nog een beetje goeste?
Joris was geen buskruit, wel de lont.
Hij stak ons aan, één voor één, gelijk domino’s vielen we voor zijn zotte dingen.
Met als doel, samen te zijn.
Verbinden. Maïzena.
Uw vier mooie madammen, uw familie, uw rijk archief
Met tapes, filmpjes en herinneringen die wij nu allen verder zullen bewaren
Joris, jij met je gouden hart, jouw tuin van Eden en al die onuitputtelijke kracht, G-kracht, G & The Wild Gang, je droom, je blijft maar bezig
Joris, wie meer dan jij wou blijven leven? Wie meer dan jij wou maar blijven ‘constateren’?
Wie meer dan jij, wou tot op de laatste dag alles blijven geven?
Ik weet het niet, ik weet het niet .
Doorgaan … zonder u.
Dat gaat toch niet, dat kan toch niet,
doorgaan zonder u?
Ik weet het niet, ik weet het niet.
Maar we moéten doorgaan, of ’t is voor niets geweest.
Doorgaan … zonder u.
Doorgaan … zeer zeker.
Voor U. Voor ons. Voor Slenne.
Hè gulder hier nog een beetje goeste?