Post date: Jul 11, 2016 12:52:51 PM
Onder: het berglandschap van Urvassheia tussen de dorpjes Nomeland en Suleskard (provincie vest-Agder) dat wij doorkruisten
Als rechtgeaarde wildkampeerder en natuurliefhebber moet je een keer in Noorwegen geweest zijn, waar wildkamperen ieders goed recht is! Zo kwam het dat wij ondanks onze voorliefde voor het beklimmen van zonnige kalkrotsen in blote bast en bijhorende Mediterrane geniet-van-het-leven-culturen, deze zomer kozen voor de granietrotsen van het hoge noorden.
Gewapend met een beroerde landkaart en een aardig klimgidsje reden we via Duitsland naar het Deense Hirtshals, waar we met een veerpont van Color Line het ruime sop kozen naar Noorwegen. Een ticket was eenvoudig gescoord op het internet (www.aferry.com).
Onderweg
In Denemarken brachten we een nacht door aan het strand, haast op steenworpsafstand van de veerponten. Handiger wordt het niet en ‘t is nog gratis ook. In weerwil van wat de afschrikwekkende borden beweerden – ‘verboden met campers te parkeren’, ‘levensgevaar: drijfzand!’ en dat soort geklets - stonden wij en de nodige andere camperaars comfortabel en sliepen als rozen.
Aangekomen in het Noorse Kristiansand wordt er tot onze teleurstelling niet op illegaal ingevoerde drank gecontroleerd. Een onschuldig antwoord geven op ‘what will you be doing in Norway?’ volstaat om door te mogen rijden. En Maja heeft juist zo haar best gedaan om 1 liter sterke drank, 4 flessen wijn met een achterlijk hoog alcoholpercentage en 6 biertjes van precies 4,7 % te vinden (het maximum toegestane om in te voeren per voertuig).
Achteraf gezien hadden we evengoed de watertanks met jenever of bier kunnen vullen, geen haan die er naar kraait. De reden dat het verstandig is om een voorraadje drank mee te nemen, is dat er hoge accijns op drank geheven wordt te Noorwegen. Je telt met gemak vier keer zoveel neer voor een verfrissend biertje of verwarmend borreltje (al naar gelang het onvoorspelbare Noorse weer uitpakt).
De haven van Kristiansand uitrijdend besluiten we ter plekke om van ons plan af te wijken (dat was via de kust naar Stavanger rijden) en naar het noorden te karren, de bossen in. Moe van de reis besluiten we na een uurtje het eerste de beste onverharde weggetje in te rijden en voila: een idyllisch bosveldje inclusief beek en vuurplaats helemaal voor ons alleen! Wat een ruimte, stilte en mooie natuur. Ons Noorwegenavontuur is prima begonnen.
Knetter van de knuten
Bart wast af in de knutenwolk (met hoofdnetje op), terwijl ik binnen in de bus relax achter het knutengaas
Enig minpunt zoals verwacht: de knuten... Zodra het niet waait zijn deze bloeddorstige vliegjes in grote getale aanwezig om – net als de black fly uit Noord-Amerika – een piepklein hapje uit je te nemen. Dat resulteert in een jeukend rood bultje of liever gezegd honderden jeukende rode bultjes. Elk stukje onbeschermde huid is doelwit en ze zitten er niet tegenop om een stukje onder je kleren te kruipen om bij het beloofde land te komen.
De wolk van knuten die om je hoofd hangt is nog het irritantste, en je bent genoodzaakt om speciaal, extra fijn knutengaas over je hoedje te hangen om niet in een onherkenbaar bloedend bultenmonster te veranderen.
Overigens zijn ze pas actief (voor zover wij ondervonden) vanaf de late middag, dus dat scheelt. Ze verjagen met rook van een kampvuur kan, maar dan moet je wel met tranende ogen en rokersrochel midden in de rook zitten. Positieve noot: de muggen vallen hier heel erg mee! Ze blijken een lachertje in vergelijking met hun Noord-Amerikaanse verwanten en slagen er niet eens in om door je spijkerbroek te komen.
Het Klimmen: Urdviki
Urdviki... verscholen in de oneindige bossen met schitterende meren van het Noorse binnenland, wacht het op klimmers. Veel komen er niet, wat mogelijk niet alleen te maken heeft met de afgelegen ligging, maar ook met de klimgids die bol staat van onjuiste informatie.
Hete tip: mocht je er ooit belanden, volg dan gewoon het wandelpaadje met de rode merktekens dat je probleemloos naar de rotsen voert (stevige mars bergop, 20 min.). Het in de gids aangeprezen paadje met witte merktekens is er niet en we hebben uren rondgedwaald, moeizaam klauterend tussen de rotsblokken, om het te vinden voordat we dáár achter kwamen.
Maar eenmaal aangekomen bij de rotswand, is de narigheid gauw vergeten. Een waterval langs de rots koelt ons af, de klimroutes zijn prachtig en voor ons alleen, en het uitzicht over de meren is in één woord: fenomenaal.
Stijl van klimmen.
De op het westen gerichte rotswand (500 meter breed, sportklimroutes op een rij van meestal 2 lengtes, max. 70 meter) biedt 34 routes in de zesde en zevende moeilijkheidsgraad (vanaf 6b) plus wat achten, vertikaal tot flink overhangend. Er is ruimte voor veel meer mooie routes en er zijn openers bezig om dat te voor elkaar te boksen.
Het klimmen is verzurend door de vele opleggers en tendue-randen, ook valt op dat er veel voetjes zijn en de rots lekker ruw is (je weet wel: goed ruw, maar zonder dat je huid er door afschuurt). Karakteristieke XL-granietscheuren á la Yosemite tref je niet aan in Urdiviki, en als kalk-rakker kun je er goed uit de voeten vinden wij.