Veenafgravingen in Friesland hebben een belangrijke rol gespeeld in de geschiedenis en ontwikkeling van de regio. Veen, een soort turf, werd gebruikt als brandstof en was een waardevolle grondstof. Veenafgravingen begonnen in de middeleeuwen en werden intensiever in de 16de en 17de eeuw. Het veen werd afgegraven en gedroogd om er turf van te maken, wat een belangrijke brandstof was voor huishoudens en industrieën. Belangrijke veenafgravingsgebieden in Friesland waren onder andere de Rottige Meente, bij Wolvega, en de gebieden rond de rivieren Tjonger en Linde. Door de veenafgravingen veranderde het landschap drastisch. Grote delen van het veenland werden afgegraven, waardoor er plassen en meren ontstonden. Dit leidde tot wateroverlast en de noodzaak om het land opnieuw in te polderen. Om het veen te vervoeren, werden er weer kanalen en vaarten aangelegd. Deze waterwegen waren essentieel voor het transport van turf en andere goederen. Ook de aanverwante bedrijfstakken zoals het transport van veen leverden zodoende weer veel werkgelegenheid op. Tal van voormalige veenafgravingsgebieden zijn nu verworden tot natuurreservaten. De Rottige Meente is een mooi voorbeeld van een belangrijk natuurgebied waar je sporen van de veenafgravingen kunt terugzien. Tegenwoordig zijn deze gebieden op hun beurt weer populair voor recreatie en toerisme. Er zijn fietsroutes en vaarexcursies die bezoekers meenemen door het historische veenlandschap. Veenafgravingen hebben dus een blijvende impact gehad op het Friese landschap en de cultuur.
© 2017 F.N. Heinsius