In een hoek van de jongenskamer staat een windbuks te rusten.
De vorige dag hebben Ruud en Bert nog met hem op een schietschijf geschoten.
Als mijn broers de viereneenhalf kaliber windbuks mogen gebruiken, mag ik (als 10-jarige) hem toch wel lenen.
"Hé buks, zal ik jou eens meenemen?", vraag ik netjes aan de buks.
"Dat is goed. Gaan we dan naar de voorgalerij?", antwoordt de buks.
Samen gaan we naar de voorkant van het huis in Soerabaja-kota.
Aan de zijkant van de voortuin staat een waterpomp om grondwater uit de grond te pompen. Water waarmee de kebon de plantjes begiet. Na gebruik blijft de pomp nadruppelen.
"Zullen we kijken of de glatiks bij de pomp zijn?", is mijn vraag.
"Ja, maar je wilt ze toch niet beschieten? Of wel?", zegt buks.
"Nou ja. Even besluipen en dan toch maar schieten".
"Ja, maar zal je wel voorzichtig zijn in de voorgalerij? Je moeder heeft daar twee prachtige Chinese potten staan van wel een meter hoog", waarschuwt buks.
De open voorgalerij heeft een goed uitzicht op de waterpomp. Langzaam sluip ik in de richting van de waterpomp.
De glatiks vliegen verschrikt weg als ik te dicht bij de pomp kom. Langzaam kruip ik terug.
De vogels komen terug om te drinken en te spetteren bij de druppelende pomp. "Nog een klein stukje naar achteren", denk ik.
Een stoot... een knal... gerinkel van een stukgevallen Chinese sierpot.
Vogels weg. Ik weg. Windbuks weer in de hoek van de jongenskamer!
"Moet je niet aan je moeder vertellen wat er gebeurd is?", oppert de buks.
"Oké. Ik zal maar eerlijk zeggen wat er gebeurd is...", zeg ik wat bedremmeld.
Ma is niet eens boos, maar wel een beetje verdrietig.
Van Pa mag ik nooit meer zonder mijn broers aan de windbuks komen.
Een paar maanden later.
"Hé buks, wij gaan verhuizen", vertel ik de windbuks, "Van de Stationsweg gaan we naar de Maarschalkstraat, richting Goebeng".
"Mag ik dan mee verhuizen?", vraagt buks.
"Natuurlijk ga je mee, met Ruud en Bert. Weet je wat ook leuk is? In de Maarschalkstraat komt Guus ook wel logeren".
Ja hoor, de hele handel verhuist naar de Maarschalkstraat.
Een grote dienstwoning met zes ruime kamers en aan weerszijden een tuin.
Achter het huis een open riool, gelukkig afgedekt met betonplaten.
Een hoge muur scheidt het ketellaveld van de werkplaats van de Spoorwegen.
Op een dag vraagt Guus aan Pa: "Wat ligt er allemaal aan de andere kant van die muur op het terrein van de werkplaats?"
"Daar liggen op het veld reserve houten bielsen voor de spoorweg en reserve rails. In de gebouwen liggen reserve onderdelen voor de locomotieven en wagons. Verder is er een draaischijf waarop een loc of een wagon gedraaid kan worden om op de juiste manier het gebouw in gereden te kunnen worden. Daar mag je niet zomaar komen, zonder toezicht".
Tussen de bielsen en de rails zijn erg veel vogelsoorten, zoals de perkoetoet en de koetilans.
Ook mussen vinden daar een beschut plekje.
"Kom", hoor ik één van mijn broers zeggen. "Laten wij daar eens gaan jagen met onze katapults".
"Dan neem wel de windbuks mee", zegt een andere broer.
"Als jullie vanmiddag gaan, wil ik wel mee", zegt Guus. "We klimmen gewoon over de muur, hierachter".
Ik ren naar de windbuks. "Zeg buks, je mag vanmiddag mee op vogels schieten. Al mijn broers gaan mee".
"Ga jij dan ook mee", vraagt buks.
"Natuurlijk ga ik ook mee", antwoord ik. "Spannend toch!".
We klimmen over de muur en het gaat allemaal goed tot de bewaker ons sommeert om het terrein te verlaten. Gedwee gaan we via de hoofdingang van het terrein naar de straat.
Met de windbuks mogen we vanaf dat moment alleen maar op een schietschijf schieten.
In april 1942 nemen we afscheid van de windbuks en het dubbelloops jachtgeweer van Pa. De Japanse bezetter heeft het bezit van wapentuig door niet-militairen of -politie ten strengste verboden.
Windbuks en geweer liggen samen begraven in de schaduw van de kersenboom achter in de tuin in de Maarschalkstraat.