The Artist Formerly Known As Prince

zal binnenkort een nieuwe titel krijgen: Pappie. We gingen naar Minneapolis om te horen wat de excentrieke superster te vertellen had over zijn jonge gezinnetje, zijn zakelijke beslommeringen en zijn nieuwe, haast normale levensvisie.


Martin Pearson (vertaling Cherie van Gelder)



De artiest die liever geen Prince genoemd wil worden, is bezig zijn nieuwe band onderricht te geven in de schone kunst van pop-perfectie. Terwijl hij nauwelijks zijn mond open doet en zich beperkt tot een knikje hier en een blik daar, accentueert hij elk punt met een riff van een gouden gitaar in de vorm van het symbool dat nu dienst doet als zijn naam. Hij is beleefd maar afstandelijk en gedraagt zich in elk opzicht als het kribbige, excentrieke en inventieve genie dat de popwereld al bijna twintig jaar hoofdbrekens bezorgt. De band, die inmiddels meer dan een maand repeteert met het nieuwe materiaal, knikt braaf en collectief als hij uitlegt wat hij bedoelt. En je kunt de zucht van opluchting bijna horen als Z.K.H. de gitaar neerlegt, nog wat aanwijzingen mompelt en de deur uit glipt. Als de deur achter hem dicht valt, staat hij met een gebaar van wanhoop en afschuw zijn reebruine ogen ten hemel, ’Ze moeten nog heel wat werk verzetten,’ zucht hij en biedt zijn verontschuldigingen aan voor de naar zijn mening absoluut duffe voorstelling.

Een paar minuten later zit hij op zijn knieën naast zijn CD-speler en laat ons kennis maken met zijn binnenkort te verschijnen box Emancipation. Hij lijkt een ander mens. Het is, zegt hij overlopend van absoluut on-Princelijk enthousiasme, ’de plaat die ik gewoon ooit moest maken... Dit ben ik ten voeten uit. Als er iets niet op deze plaat staat, dan kan ik het gewoon niet.’

Om een reden die hij niet echt kan verklaren, duurt elk van de drie CD’S die samen Emancipation vormen precies een uur en stuk voor stuk staan ze barstensvol voorbeelden van zijn eclectische talent. Van huppelende pop tot keiharde rock, van mierzoete liefdesliedjes tot rauwe funk. ’Ik kan haast niet wachten om mijn tijdgenoten dit voor te schotelen,’ zegt hij terwijl hij een kwasi-pocherige houding aanneemt. ’Om mensen als George Michael, Elton John en Lenny Kravitz hiermee te confronteren en dan gewoon...

Hier, ga je gang... hier staan er 36 op... kies maar uit.’ Af en toe drukt hij op de pauzeknop en kijkt me aan om de verborgen betekenissen in zijn muziek uit te leggen. Bijvoorbeeld bij She Gave Her Angels, over een bovenaardse ervaring die hem overviel toen zijn lief voor het eerst niet bij hem was. Of Let’s Have A Baby, dat hij weemoedig omschrijft als ’piano, bas en stilte’ en Sex In The Summer, een funknummer barstenvol energie en gebaseerd op het ritme van de hartslag van zijn ongeboren kind. ’Ik probeerde een nummer te schrijven over hoe een zaadcel zich voelt op weg naar het eitje; legt hij nuchter uit. ’Maar toen ik er een eindje mee op weg was en zat te schrijven over alles wat een zaadcel moet doormaken, had ik iets van: Poeh... dat is veel te heavy voor me.

Er zijn maar een paar onderwerpen overgebleven die de muzikant die beroemd werd als Prince niet succesvol in zijn muziek heeft verwerkt. Sex, relaties, spiritualiteit en wereldvrede – hij is een meester in het ombouwen van persoonlijke ervaringen tot unieke, universele popsongs. En tegelijkertijd hangt er een waas van mysterie om hem heen dat zelfs voor een megaster zijn weerga niet kent.

Op Prince – die nu graag simpelweg aangesproken wil worden als The Artist – viel eigenlijk nooit veel staat te maken, behalve dan in muzikaal opzicht. Hij heeft precies de helft van zijn leven doorgebracht in het epicentrum van de popmuziek en ondertussen zijn er een slordige honderdmiljoen platen van hem verkocht. Maar gedurende het grootste deel van die tijd heeft hij zijn contacten met de media tot een minimum beperkt. Hij stond er niet alleen om bekend dat hij altijd te laat kwam voor interviews, maar heeft het zelfs bestaan om schrijvers dagenlang te laten wachten voordat hij ze een audiëntie van vijf minuten verleende, waarbij hij zich beperkte tot eenlettergrepige antwoorden. Maar hier, thuis in zijn Paisley Park-complex in de buurt van Minneapolis, is hij keurig op tijd en uiterst beleefd.

Normaal gesproken is een spraakzame Prince - die geen paal en perk stelt aan de vragen die bij het interview gesteld mogen worden en zelfs vrijwillig informatie verstrekt over zijn privéleven -iets ongehoords. Maar hier zit hij dan en vrijwel vanaf het begin is hij zo enthousiast als de pest. Of hij nu praat over zaken, zijn huwelijk of over muziek, elke zin loopt over van enthousiasme. Dat de ster weer tot leven is gekomen, ligt gedeeltelijk aan het feit dat er onlangs een einde is gekomen aan zijn vaak woelige zakelijke relatie met Warner Brothers, de maatschappij die achttien jaar lang het geld fourneerde waarmee hij vanuit de obscuriteit zijn sterrenstatus kon bereiken. Emancipation zal in eigen beheer uitgebracht worden. Het is nog niet eerder vertoond door iemand van zijn kaliber, maar de naamloze is vast van plan om zijn muziek te maken en te verkopen zonder de hulp van welke platenmaatschappij ook. ’Ik had vroeger niets te zeggen,’ verklaart hij de transformatie van het voormalige, ongrijpbare, eenlettergrepige raadsel. ’Nu ben ik vrij. Wat ik te zeggen heb, is niet meer
het eigendom van anderen.’

Wat zijn privéleven betreft - waar ooit het bordje ’verboden toegang’ bij stond – is hij dolgelukkig in zijn onlangs gesloten huwelijk met de adembenemend mooie Portoricaanse danseres Mayte. Het stel verwacht binnenkort hun eerste kind.

Het was dan ook zijn toekomstige vaderschap dat hem aanzette tot zijn vergeefse poging om het verhaal van een zaadcel in een song te verwerken. En deze binnenkort te verwachten grote gebeurtenis heeft kennelijk ook zijn tong losgemaakt. De artiest die voorheen Prince was – en binnenkort pappie zal heten – is nu bereid om te praten.

Met zijn gezicht onder een dikke laag inwitte make-up ziet hij eruit als een kruising tussen een predikant en een circusartiest. Hij draagt een geheel zwart ensemble dat bestaat uit hooggehakte zwart-suède laarzen, een overhemd dat tot op de navel openhangt en een soort pandjesjas die aan de achterkant bijna op de grond hangt. Hij is maar een onderdeurtje natuurlijk, met een klein smoeltje en een tenger, maar compact lijf, terwijl zijn houding bijna militair stram is. Wanneer de rondleiding door wat overduidelijk zijn domein is een aanvang neemt, is hij duidelijk trots als we door een gang lopen waar aan weerskanten gigantische foto’s van hemzelf hangen: van de vamp-achtige poseur van Purple Rain tot een soft focus-portret waarop hij met zijn lief staat. De gang leidt naar een grote, lichte ruimte met een podium die eenmaal per week dienst doet als een alcoholvrije club voor jongeren uit de buurt. ’Ik ben niet de persoon waarvoor ik word aangezien; zegt hij en begint aan een lange tirade over de kwalijke aspecten van meer normale nachtclubs. ’En ik kan het weten. Ik heb jarenlang in die business gezeten,’ zegt hij, doelend op de clubs die hij tot voor kort bezat in L.A. en Miami. ’Daar moest ik niets meer van hebben, van al die waanzin.’

Na een groot deel van zijn tijd in LA. te hebben doorgebracht, heeft hij onlangs weer zijn intrek genomen in Paisley Park. Kennelijk is de waanzinshoofdstad van de wereld onze excentrieke superster niet in de koude kleren gaan zitten. Zijn terugkeer naar zijn geboorteplaats heeft, volgens zijn woordvoerder, een ’gelukkiger en gezonder’ mens van hem gemaakt. De baas zelf is een tikje filosofischer. ’L.A. is perfect als je beroemd wilt worden.’ zegt hij peinzend en niet van zins om de plaats meteen helemaal de grond in te boren. ’Daarom bestaat het ook. Daarom ben ik er ook naar toe gegaan... Maar als je wat ouder wordt, besef je dat je eigenlijk best zonder roem kunt.’

Tegenwoordig vindt hij alles wat hij nodig heeft om te leven en te werken hier op deze plek, vlakbij de stad waar hij achtendertig jaar geleden geboren werd als Prince Rogers Nelson. Ondanks de naam is er geen spoortje Paisley in zijn wereldberoemde hoofdkwartier te vinden en op een park lijkt het ook voor geen meter. Aan de buitenkant heeft het meer weg van de een of andere hi-tech fabriek dan van de thuishaven van de allerberoemdste naamloze persoon ter wereld. Het is zo’n plaats waarvan je twee keer controleert of het adres wel juist is, omdat er totaal niet uit valt op te maken wie of wat zich daarbinnen bevindt. Desondanks is dit de plek die de artiest die ooit Prince was als zijn thuis beschouwt. Dat wordt ook meteen duidelijk als je binnenkomt. Als de foto’s en de obligate platina-platen aan de muur nog niet voldoende bewijs zouden zijn, dan maakt het drie meter lange gouden symbool dat in de marmeren vloer is geëtst aan alle twijfels een einde. Vanaf 1993, toen Prince officieel zijn oude naam afdankte als onderdeel van een eenpersoons artistiek protest tegen zijn platenmaatschappij, is deze onuitsprekelijke kronkel zijn officiële beroepsnaam geweest. Nu is het een aandachttrekker van jewelste in het pas gerenoveerde complex. In ieder geval heeft hij binnen deze muren geen naam nodig. ’We zeggen gewoon hem als we het over hem hebben,’ zegt een van de Park-employé’s en stelt vervolgens met enigszins kromme maar niet te ontkennen logica dat ’er nooit verwarring ontstaat, omdat verder iedereen een naam heeft’. Als er twijfel bestaat, noemen ze hem gewoon ’de baas’.

Het pand gonst van bedrijvigheid. Mensen praten op zachte ernstige toon tegen elkaar terwijl ze met hun werk bezig een zijn. Het gedempte geluid van de repeterende band weerklinkt door het hele gebouw.

Aan het eind van zijn rondleiding opent The Artist de deur van wat kennelijk zijn favoriete ruimte is: een kinderspeelkamer, een fantasieland voor kinderen waar meer glanzende plastic speeltjes voorhanden zijn dan bij Intertoys. Ergens verstopt zijn twee kinderslaapkamers, een voor een jongetje en een voor een meisje. Het kind van de purperen hoogheid zal het aan niets ontbreken: met uitzondering van een vader met een naam.

’Ik verwacht dat mijn kind me daarin wel zal adviseren,’ zegt hij met die afwezige blik, eigen aan iedereen die voor het eerst ouder gaat worden. ’Ik zie het zo... er is niets mis met ze als ze er uit komen. Het is nu al slimmer dan ik... en ik zal er van kunnen leren.’

Hij gaat me voor naar zijn heiligdom, een ruim kantoor dat duidelijk in gebruik is. Zijn bureau is groot en slonzig. De boekenplanken zijn voornamelijk volgepakt met zijn eigen CD’S, een paar verdwaalde opzichtige beeldjes en biografieën van zijn collega-supersterren Bob Marley en Marvin Gaye. In een hoek staat een fitness-apparaat met een microfoon ervoor, voor het geval hij tijdens het gewichtheffen inspiratie krijgt voor een tekst.

Bij princelijk gebod zijn bandrecorders al lang verboden bij interviews. Hij zegt dat hij alleen maar geïnteresseerd is in de indrukken die een schrijver van hem opdoet. Hoewel het risico bestaat dat hij verkeerd wordt geciteerd, gelooft hij toch dat journalisten, net als artiesten, hun informatie moeten schiften en hun eigen oorspronkelijke visie moeten presenteren. (De hier vermelde citaten zijn dan ook afkomstig van haastig neergekrabbelde aantekeningen en een niet al te scherp geheugen, zodat ze misschien letterlijk niet helemaal correct zijn.) Stram gezeten op de rand van de bank beantwoordt hij de vragen niet direct, maar improviseert rond een thema. Maar over één ding laat hij geen twijfel bestaan. Door Warner Brothers aan de kant te zetten en in plaats daarvan het maken, de marketing en het uitbrengen van zijn muziek in eigen beheer te houden, heeft hij zich absolute controle over zijn eigen carrière verworven. En tegelijkertijd zijn creatieve geest weer wakker geschud.

’Ik kreeg te horen: we willen niet meer dan één album in de achttien maanden... en dat kun je mij echt niet aandoen. Daar gaat het mij in feite om. Ze probeerden me aan banden te leggen. Als je dat doet, kun je erop wachten dat ik verdor en afsterf.’ Naar zijn zeggen is zijn enige streven als artiest om zoveel als hij kan van zijn muziek aan de man te brengen, op een zo groot mogelijke schaal. Maar bij de wereldomspannende multimedia-gigant Warner Brothers, die zijn aandeelhouders tevreden moest houden, had men het gevoel dat er niet maximaal van hun artiest geprofiteerd kon worden als er geen paal en perk werd gesteld aan zijn fenomenale, volgens sommigen ongebreidelde produktie. ’Dat gaat gewoon niet,’ weerlegt hij. ’In die tijd neem ik misschien wel genoeg materiaal op voor drie of vier albums. En wat gebeurt daar dan mee? Soms is de manier waarop je het eindresultaat bereikt interessanter dan het voltooide werkstuk. We zijn ons halve leven bezig met het maken van fouten...’

Hij prefereert de opvatting dat het artistieke proces, met alle bijbehorende gebreken, veel belangrijker is dan het produkt zelf. Hij wil zijn muziek op Internet zetten, ter beschikking stellen van liefdadige doelen of CD’S verkopen tijdens zijn concerten. Hij giechelt als een kind als de nog niet afgeronde distributiedeal voor zijn platen ter sprake komt. ’Nu ben ik degene die bepaalt hoeveel royalties ze krijgen,’ grinnikt hij. ’Het is een heel raar gevoel, maar het bevalt me wel. Ik kan doen wat ik wil. Orkestrale jazz, duetten... noem maar op.En ik verkeer dus in de omstandigheid dat als ik met iemand samen wil werken er geen advocaat aan te pas hoeft te komen.’

Hij zou nog uren door kunnen praten over de zakelijke kant. Hij lijkt echt opgetogen bij het idee dat hij kan werken met wie hij wil en opgewonden bij het idee dat hij in Paisley Park een zichzelf bedruipend huisindustrietje op kan zetten. 1k ben gewoon nieuwsgierig om te zien wat er gaat gebeuren als ik de kans krijg om mijn visie precies zo uit te werken als mij voor ogen staat. Om te zien wat er gebeurt als er echt die pure uitwisseling van energie en geest is. Na verloop van tijd moet dat de hoofdzaak worden.’

Dat is geen plotselinge bevlieging en evenmin het resultaat van het een of andere levenslang gekoesterde meesterplan. Hij ziet het eerder als een gehoor geven aan zijn bestemming. ’lk geloof niet in het toeval,’ zegt hij, in het kort een thema samenvattend waar hij telkens weer op terugkomt. (Dat woord bestaat niet voor mij. Zodra je je eigen weg hebt gevonden... dan blijft je echt geen andere keus
dan die te volgen. Ik heb me daar een hele tijd niet aan gehouden, maar nu geloof ik daar weer met hart en ziel in.’

Die weg naar de onafhankelijkheid begon volgens hem met het eenzijdig afwijzen van zijn geboortenaam, de naam waaronder zijn muziek op de markt werd gebracht vanaf het moment dat hij tekende voor Warner op de rijpe leeftijd van negentien jaar. Een tijdlang was er minder belangstelling voor zijn muziek dan voor het raadselachtige feit dat hij die inmiddels beroemde, onuitsprekelijke, zelfontworpen kronkel als naam had aangenomen. De opinies daarover varieerden van gezeur, kinderachtig, arrogant tot gewoon stapelgek. Alweer zo’n excentrieke streek van een artiest die toch al een bizarre reputatie had. En bovendien werd iedereen die over hem wilde schrijven opgezadeld met het probleem hoe ze hem nou in vredesnaam moesten noemen. The Arlist Formerly Known As Prince was een oplossing die veel navolging kreeg en de afkorting T.A.F.K.A.P. werd al snel overal geaccepteerd. Vrijwel niemand stond stil bij de overweging dat de naamsverandering wel eens iets meer kon betekenen dan alleen maar een buitenissige publiciteitsstunt. Maar voor de artiest zelf was het feit dat hij een van de meest goedverkopende namen in de popmuziek de rug toekeerde in de eerste plaats een vorm van volkomen terechte rebellie. In een persbericht noemde hij het ’een oproep voor solidariteit onder artiesten en een respijt van de hebzucht van entertainments-bazen’, en voegde er aan toe dat ’ik niets anders was geworden dan een pion die gebruikt werd om nog meer geld te verdienen voor Warner Brothers’.

Onder vier ogen hamert hij fanatiek op dit punt. Zonder zich door alle kritiek uit het veld te laten slaan, vergelijkt hij zijn besluit met de weigering van Muhammad All om zich nog langer Cassius Clay te noemen. Trouwens wat betekent de naam Nelson dan helemaal?’ wil hij verontwaardigd weten. ’Het is een slavennaam.’

Hij snapt ook niet goed waarom het feit dat hij als nieuwe naam een symbool verkoos praktische problemen veroorzaakt voor de mensen om hem heen. Hij is kennelijk de mening toegedaan dat het een kwestie van voorbestemming was en in plaats van een verklaring te geven, verwijst hij naar de gedetailleerde manier waarop zijn symbool in de vele fanzines die aan hem zijn gewijd werd uitgeplozen. ’Die mensen begrijpen me soms beter dan ik zelf doe,’ zegt hij over de fans die hij liever betitelt als ’vrienden’. En of het nu gaat om een slimme zakelijke beslissing of een kwestie van karakter, hij houdt zich op de vlakte. Aan de ene kant erkent hij dat hij dankzij Warner Brothers een ster is geworden. Aan de andere kant heeft hij het over ’een twintig jaar lange onafgebroken puinhoop’. In één ademtocht wijst hij de relatie af als slavernij (’echte emancipatie vindt plaats in je hoofd en ik heb te lang gedacht dat ik dat eerlijk niet kon’), om vervolgens vol te houden dat het beëindigen van zijn banden met Warner hem werkelijk heel treurig stemt (’af en toe bel ik hen gewoon op om te zeggen dat ik van hen houd, want ik koester echt geen wrok – hun systeem werkt heel goed...voor hen’).

Zonder namen te noemen of een schuldige aan te wijzen, doet hij zijn beklag omdat hij jarenlang niet begrepen werd. Dezelfde man die ooit optrad op een podium dat zo was ontworpen dat het gelijkenis vertoonde met vrouwelijke geslachtsdelen kan maar niet begrijpen waar de mensen toch het idee vandaan halen dat hij geobsedeerd werd door sex. ’SexyMF ging over monogamie, maar niemand keek ooit verder dan de titel,’ klaagt hij. The Revolution ging helemaal over verlichting en Lovesexy over harmonieus samenzjjn. Dat is de boodschap die er altijd m heeft gezeten. Maar het is nooit echt goed overgekomen.’

Voor iemand die volhoudt dat alles om de boodschap draait, heeft hij toch wel erg veel moeite om uit te leggen wat die boodschap nu precies inhoudt. Zijn conversatie wordt doorspekt met new age-fratsen en praatjes over spiritualiteit, noodlot en lotsbestemming. Maar ook onder vier ogen weigert hij zich, net als in zijn nummers, op details te laten vastpinnen. Hij lijkt nauwelijks enig politiek of sociaal bewustzijn te bezitten.

’Amerika rot weg van binnenuit,’ zegt hij als ik aandring. ’Dit is een prachtland, een geweldige natie. Maar de natie sterft af, het volk stagneert en er is zoiets als dit [zelfvertrouwen] nodig om het weer goed te krijgen.’ Af en toe is het net alsof hij wil beweren dat zijn onafhankelijkheid op de een of andere manier als voorbeeld kan dienen voor mensen die niet het geluk hebben een superster te zijn. Een soort positieve discriminatie door spirituele osmosis. ’Als de mensen maar wilden begrijpen dat hoe slecht je er ook voorstaat, er altijd een uitweg is wanneer je je een voorstelling kunt maken van wie je echt bent of wie je zou kunnen zijn.’ Als je hem vraagt of hij daar wat dieper op in wil gaan, kan of wil hij dat niet. De recente frictie in de Afrikaans-Amerikaanse gemeenschap omtrent de CIA en de door de Contra’s uit Nicaragua gepropageerde cocaïneverkopen is hem niet ontgaan. Maar net als in veel andere gevallen, verandert hij ook hier van onderwerp met de mededeling: ’We hebben nu
geen tijd om daar dieper op in te gaan.’ Hij wenst zich nauwelijks uit te laten over rassenkwesties, hoewel hij er geen twijfel over laat bestaan dat hij voor liefde en eenheid kiest en niet voor militant activisme. ’Neem nou de zoon van Farrakhan,’ flapt hij er plotseling uit, doelend op de controversiële Louis Farrakhan van de afscheidingsbeweging Nation of Islam. ’Die is jonger, sterker en nog veel gekker dan zijn vader. Dat is wat zich momenteel in Amerika afspeelt, het land snakt naar spiritualiteit.’

Ondanks zijn schijnbare openheid lijkt Prince meer dan ooit verstrikt in zijn eigen kleine wereldje. Paisley Park is zijn universum en hij wordt totaal in beslag genomen door het vooruitzicht dat te mogen delen met zijn nieuwe vrouw en binnenkort verwachte baby. Op een gegeven moment springt hij op van de bank en opent de rolgordijnen voor het raam in zijn kantoor. ’Daar kijk ik iedere dag naar; zwjjmelt hij terwijl hij neerkijkt op een gloednieuw kinderklimrek, zich kennelijk niet bewust van het feit dat het meer geschikt is voor een tweejarig kind dan voor een pasgeboren baby. ’Dat daar is het enige dat telt.’

Meteen daarop excuseert hij zich en rent de kamer uit, om een paar minuten later terug te komen met zijn ontzettend mooie, hoogzwangere vrouw. Mayte is net als haar man heel klein, tot in de puntjes gekleed en verschrikkelijk verlegen. Het is niet moeilijk om te begrijpen waarom hij tot over zijn oren verliefd is. Als hij alleen maar terugdenkt aan hun huwelijk op Valentijnsdag, begint hij weer helemaal te zwijmelen. ’Het was echt ongelooflijk. Het was prachtig. Het was net alsof ik erboven zweefde... ik was er eigenlijk niet bij. Dat bedoel ik met dat je je eigen weg moet volgen... je moet je gewoon overgeven aan de geest. Ik had ook verschillende andere wegen kunnen kiezen. Voor een miljoen andere vrouwen.

’Ik heb een boel vrouwen gehad die tegen me zeiden dat ze: mijn soul mates waren,’ zegt hij. ’Ik weet niet of ze wel wisten wat dat inhoudt. Ik weet dat ik het zelf nooit heb gevoeld... tot op dit moment.’

Het lot van zijn eenpersoons muiterij tegen het systeem van platenmaatschappijen is minder duidelijk. Afhankelijk van wie je spreekt, kan het zowel een roekeloze gok zijn als een zorgvuldig afgewogen stap. Zeker is dat er heel wat op het spel staat, zowel voor de artiest als voor de industrie. Als hij het in zijn eentje klaarspeelt, wat zal andere lucratieve megasterren er dan van weerhouden om een soortgelijke koers te varen?

Prince heeft vanaf het allereerste begin volledige zeggenschap gehad over ieder aspect van zijn muziek. Hij schrijft en produceert al zijn materiaal zelf en bespeelt vrijwel elk instrument. In zijn ogen is het dan ook een logische stap om nu ín zakelijk opzicht zelf het heft in handen te nemen.

Hoewel hij toegeeft dat ’iedereen loopt te trippen en zich afvraagt hoe het zal gaan’ doet de onwaarschijnlijke ondernemer de risico’s schouderophalend af. ’Ik ben gewoon nieuwsgierig wat er gaat gebeuren als je bij iemand van mijn kaliber – zo beroemd als ik – de tussenpersonen op een zijspoor zet,’ zegt hij peinzend. ’Wat krijg je dan?’

Het antwoord, in contanten uitgedrukt, is dat als het iets opbrengt het om gigantische bedragen zal gaan. Er zijn deskundigen die ervan uitgaan dat ’het op een zijspoor zetten van tussenpersonen’ The Artist een pure winst zal opleveren van ongeveer de helft van iedere verkochte CD. En uiteindelijk is hij zich er maar al te goed van bewust dat zijn carrière volledig afhankelijk is van keiharde contanten - en niet van noodlot, lotsbestemming of een harmonieus samenzijn. Het gaat om zakkenvol geld en dat weet hij.

’Ik zal nooit minder dan een miljoen platen verkopen,’ zegt hij, terwijl hjj punctueel verslag doet van zijn Internet-research. ’Dus stel dat we de prijs zetten op zeg maar veertig dollar voor 36 nieuwe nummers.
‘Reken zelf maar uit. Dat komt neer op veertig miljoen dollar en nu mogen we zelf beslissen hoe we dat opdelen.’