HET PROBLEEM
'Aieeee!'
De bloedstollende kreet kwam uit Alex' kamer en beide ouders zaten meteen rechtop in bed. 'Hij heeft weer een nachtmerrie riep moeder. Ze stond op en snelde naar de kamer van hun 8-jarige zoon. Vader knipte het licht aan: 3 uur in de nacht. Hij stond ook op. Hij ging naar de badkamer, vulde een glas met water en haastte zich naar het bed van zijn zoon. Moeder drukte het kind tegen zich aan en suste hem. 'Nou, stil maar, het was maar een droom.'
Na een paar minuten ging vader weer terug naar bed, maar zijn vrouw ging naast Alex liggen zodat hij zonder angst in slaap kon vallen. Een half uur later stapte zij in het echtelijk bed. Haar man sliep nog niet.
'Ik vraag me af wat dit te betekenen heeft', zei hij zachtjes.
'Ik weet het niet. Hij heeft de laatste tijd vaak nachtmerries.
'Je zou het eens aan de dokter moeten vragen , stelde haar echtgenoot voor.
'Dat hèb ik gedaan. De dokter zei dat Alex er wel overheen zou groeien en dat we niet teveel aandacht aan hem moeten besteden. Als het zo door blijft gaan, wil hij een licht kalmerend middel voorschrijven.'
BESPREKING
Een nachtmerrie is een fantasie die iemand zich tijdens zijn slaap verbeeldt om zichzelf angst aan te jagen. Wat voor bedoeling kan een kind daarmee hebben?
In hoofdstuk 2 bespraken wij de vier achtergronden van ongewenst gedrag van kinderen: 1. aandacht - het kind wil dat mensen zich met hem bezighouden; 2. macht - hij wil laten zien dat hij niet doet wat anderen van hem verlangen; 3. wraak - hij voelt zich gekwetst en wil op zijn beurt anderen kwetsen; en 4. onvermogen - hij wil laten zien dat hij tot niets in staat is, dat hij hulpeloos is. - _
Alex kan streven naar één (of zelfs meer dan één) van deze doelstellingen zonder zich dat bewust te zijn. Hij kan nachtmerries hebben omdat hij, onbewust, wil dat zijn ouders zich met hem bezighouden, hij hen in zijn macht wil houden, hen wil kwetsen, of hun wil laten zien dat hij hulpeloos is en dat er zelfs 's nachts voor hem moet worden gezorgd.
Alex' moeder en vader waren verontrust, gaven hem een slokje water, wiegden hem en hielden hem gezelschap tot hij weer in slaap viel. Wat zijn bedoeling ook geweest mag zijn, deze ouderlijke activiteiten versterkten Alex' gedrag - op die manier zouden de nachtmerries waarschijnlijk niet ophouden en het kind zou bang blijven.
Wij vinden dat Alex' ouders zijn angsten niet zouden moeten aanmoedigen en versterken door hem al deze geruststelling te geven. Aan de andere kant menen wij wel dat de ouders hem moeten laten merken dat ze zich om hem bekommeren, hem willen bemoedigen, hem willen helpen om die nare droom te zien als iets wat normaal en natuurlijk is dat er niets is om bang voor te zijn.
OPLOSSING
Als ouders een kind 's nachts horen huilen, zouden ze een poosje moeten wachten alvorens in beweging te komen, in de hoop dat deze kreet de enige zal zijn. Het is niet nodig dat beide ouders naar het kind toe gaan - één is genoeg. Zonder een woord te zeggen zou vader of moeder moeten gaan kijken of het kind weer in slaap is gevallen. Zo ja, dan direct weer naar bed. Als het kind wakker is en angstig, stel hem dan even gerust ~ leg hem uit dat het maar een droom was, zeg hem welterusten en verlaat de kinderkamer. De gegeven aandacht moet minimaal zijn.
OPLOSSING, TOEGEPAST OP ALEX
Alex' ouders vroegen een gezinscounselor om advies over het probleem van de nachtmerries.
De volgende nacht om ongeveer 2 uur werden de ouders wakker door een kreet, gevolgd door een luid 'Mammie!' Moeder stond langzaam op en liep langzaam naar de kamer van haar zoon. Zonder het licht aan te doen, ging ze de kamer binnen en zei zachtjes: 'Stil maar, je hebt alleen maar naar gedroomd; ga maar weer lekker slapen.' Ze stopte hem in en ging de kamer uit. Ze wachtte nog een paar minuten vóór ze weer in haar bed stapte, maar Alex liet zich niet meer horen en ze ging rustig slapen.
Voordat de ouders hun handelwijze veranderden, had Alex gemiddeld één keer per week in zijn slaap geschreeuwd. Zes maanden na de verandering waren allen verlost van Alex' nachtmerries.
MEER VOORBEELDEN
Twee gezinnen, ieder met een jongetje van ongeveer 3 jaar oud, waren samen met vakantie. Op het strand ging Ronnie meteen het water in, maar Sjors bleef bij zijn ouders.
'Ga jij niet in zee, Sjors?', drong zijn vader aan.
'Kijk', zei moeder, 'Ronnie is er al in.'
'Wees maar niet bang', zei vader, 'ik ga met je mee.'
De jongen keek een ogenblik naar de zee en was duidelijk erg verontrust. Toen holde hij weg van het water, stopte zo'n vijftig meter verder, blijkbaar doodsbang.
'Ik begrijp niet waar dat kind nou bang voor is , zei vader. 'Ik neem hem wel op m'n arm en ik zal hem laten zien dat er niets is om bang voor te zijn.'
'Dat deed je vorig jaar ook, en toen heeft hij maanden lang nachtmerries gehad', bracht moeder hem in herinnering.
'Wat vinden jullie ervan?', vroeg vader aan de ouders van Ronnie, die toevallig iets van de Adleriaanse opvoeding af wisten.
'Je moet er volgens mij niet op aandringen dat hij het water ingaat. je kunt hem beter niet aanmoedigen; dan durft hij helemáál niet meer. Het maakt niet uit of hij ècht bang is, of dat hij alleen maar probeert jullie bezig te houden, of dat hij alleen maar probeert zichzelf te bewijzen dat hij nog een baby is. Jullie moeten hem gewoon zijn gang laten gaan. Ga hem niet vergelijken met onze Ronnie. Jullie moeten gewoon doen wat jullie zelf leuk vinden en laat hem genieten op zijn manier. We zien wel wat er gebeurt. Ik voorspel jullie: als we hem echt met rust laten, is hij tegen het eind van de vakantie niet meer uit het water te krijgen.'
Zodoende roerden Sjors' ouders het onderwerp ' in zee gaan' niet meer aan. En elke dag zagen ze hem dichter en dichter bij het water komen. Na acht dagen bouwde hij zandkastelen dicht bij de vloedlijn. Op de tiende dag ging hij tot zijn knieën in het water. Op de veertiende en laatste dag was hij met Ronnie in de golven aan het dollen. Echter, Sjors' ouders onthielden zich al die tijd van complimentjes of opmerkingen over zijn gedrag en zijn geleidelijke gewenning aan de zee.
Toen ze aan het inpakken waren, vroeg Sjors of ze volgend jaar weer hier naar toe zouden komen en zijn ouders zeiden dat zij dachten van wel. Sjors stelde trots vast: 'Ik ben in de zee geweest.' Vader antwoordde: 'Nou en of.' En meer werd er niet over gezegd.
Emmy van 2 werd meegenomen naar de speeltuin en op de schommel gezet. Ze raakte in paniek, begon te gillen en werd direct weer van de schommel afgetild. Haar ouders waren ongerust over haar gedrag, vooral omdat het duidelijk begon te worden dat Emmy een overdreven angstig kind was, bang voor Sinterklaas, voor dieren in de dierentuin enzovoorts.
De ouders vroegen advies aan een gezinscounselor. Deze ontdekte dat moeder zelf erg angstig was - bang voor water, behept met hoogtevrees en bang voor hoge snelheden in de auto. Zij beschermde Emmy veel te veel en was altijd bezorgd dat het kind iets zou overkomen. Vader vertelde dat moeder het niet eens was geweest met het bezoek aan de speeltuin, omdat ze bang was dat Emmy zich zou bezeren.
Moeder kreeg te horen dat zij haar kind een slecht voorbeeld gaf. Het tonen van haar eigen angst - opmerkingen, nerveuze aanwijzingen en haar algehele overbezorgdheid - versterkte de angsten van het kind. Ze moest haar overdreven beschermende houding laten varen, zo werd haar gezegd. Ze bleek daar echter niet toe in staat te zijn en het kind bleef angstig.
Toen werd aan vader voorgesteld, samen met Emmy naar de speeltuin te gaan; moeder moest thuis blijven. Vader lette wel op zijn dochter, maar greep alleen in als er echt gevaar dreigde - dan handelde hij, maar zonder woorden. Al gauw speelde Emmy net als elke andere 2-jarige.
Nadat de familie Broekema was verhuisd, weigerde Koos van 4 naar buiten te gaan; hij bleef steeds binnenshuis en keek naar de televisie. Hij wilde alleen naar buiten als zijn ouders meegingen. Als ze met hem de tuin ingingen en hem daar alleen lieten, begon hij te huilen en op de deur te bonken tot hij binnen werd gelaten.
Een vriendin raadde de ouders aan, een afwachtende houding aan te nemen - uiteindelijk zou Koos vanzelf wel buiten gaan spelen. Echter, toen zijn vreesachtigheid na drie maanden nog niet verdwenen was, meenden de ouders dat er iets aan gedaan moest worden. Aan een buurvrouw, die een zoon van Koos' leeftijd had, legden ze de zaak uit en vroegen haar of haar zoontje eens bij Koos mocht komen spelen. De buurvrouw stond welwillend tegenover het plan en kwam haar zoon Jos op een middag brengen. Koos holde naar zijn kamer zodra hij hen zag. Maar aangezien hij in zijn eigen omgeving was, kwam hij na een poosje weer te voorschijn en ging met Jos spelen. Na verschillende van zulke bezoekjes werd aan Koos en Jos voorgesteld, samen in de tuin te gaan spelen, en dat deden ze. Het duurde niet lang of Koos ging ook bij Jos thuis spelen. Binnen enkele weken speelde Koos op straat, net als ieder ander kind.
In een bureau voor gezinsmoeilijkheden weigerde een 5-jarige jongen naar de spelkamer te gaan, waar hij zich kon vermaken terwijl zijn ouders met een counselor spraken; hij bleef halsstarrig bij de deur van de spreekkamer staan. De counselor dacht dat het kind daar op den duur wel genoeg van zou krijgen, maar keer op keer wachtte het kind in de hal; hij bleef weigeren naar de spelkamer te gaan. Tenslotte tilde de counselor hem op, droeg hem naar de spelkamer, zette hem neer en zei: 'Jij blijft hier.' Toen het gesprek met de ouders beëindigd was, was het kind opgewekt aan het spelen met andere kinderen en de leidster van de spelkamer vertelde dat hij leuk gespeeld had en dat er geen moeilijkheden waren geweest. Van toen af aan ging hij gewillig naar de spelkamer.
SAMENVATTING
Iemands reacties op een situatie kunnen de gevoelens van een ander ten aanzien van die situatie versterken. Dit geldt vooral met betrekking tot ouder en kind. Het is aannemelijk dat de angst van een ouder wordt overgedragen op het kind, en wel in verhevigde vorm.
Angst in zijn eenvoudigste vorm is een reactie op werkelijk of vermeend lichamelijk gevaar. Maar angst kan zich ook voordoen in andere vormen, die net zo moeilijk te verdragen zijn: faalangst, angst voor vreemden, angst om niet lief gevonden te worden, angst voor het onbekende.
Ouders moeten zich ervan bewust zijn dat alle kinderen irrationele angsten hebben. Tegenover de angst van hun kind moeten zij een zo ontspannen mogelijke houding aannemen. De meeste kinderangsten verdwijnen als ouders verstandig handelen. Als het kind een irrationele angst heeft die maar niet overgaat, moeten de ouders professionele hulp inroepen.