V-lijn, OSCE en KCV

V-lijn

Enkel 'taping' wordt nog aan de te kennen stations voor tweede master toegevoegd. (Overzicht vind je op de startpagina van het Skillslab).

Verder krijg je voor locomotorisch onderzoek en neurologisch onderzoek dit keer geen gewone instructies. Je krijgt een korte anamnese en jij moet bij de patiënt het passende klinisch onderzoek doen en daarna de meest waarschijnlijke diagnose geven. Bij neuro is dit een patiënt die effectief deze afwijking heeft. Het is dus vrij essentieel dat je voor deze 2 stations je pathologie kent en weet welke testen je specifiek best doet. Het heeft geen zin om toch een volledig klinisch onderzoek te doen, ze vragen expliciet om specifiek te zijn. De booster loco en neuro zijn sterk aan te raden. Hierin wordt alles herhaald en worden ook casussen overlopen om je aan te leren hoe ze willen dat je denkt.

Op het examen zijn er 6 stations van 5 minuten en heb je ook nog 1 station klinische consultvoering van 10 minuten.

OSCE

De OSCE zijn ook een soort stationsproeven maar testen het deel van het klinisch consult NA het klinisch onderzoek. Wat is hier het probleem? Welke therapie past hier best voor mijn patiënt en waarom? Hoe leg ik dit uit? Wat is de verdere planning van deze therapie?

Tijdens het eerste semester wordt dit 's avonds ingeoefend in grote groepen. Dit vergt een serieuze organisatie, dus probeer de groepsindeling te respecteren. Het is de bedoeling dat iedereen 3 sessies doorloopt: eenmaal als arts, eenmaal als patiënt en eenmaal als examinator. De arts wordt dus steeds door 2 medestudenten beoordeeld tijdens de oefensessies. Op het examen krijg je een simulatiepatiënt en een arts of prof als examinator.

Er worden ongeveer 20 onderwerpen ingeoefend. De examinator en patiënt krijgen voor elke oefensessie een korte les waarin uitgelegd wordt wat de juiste aanpak is en waar ze moeten op letten. De arts kent het onderwerp niet en moet zich dus op elk onderwerp voorbereiden. Er bestaat een bestand van 100 blz dat al jaren wordt doorgegeven en waar ze allemaal in staan. De arts krijgt een blad met korte anamnese en klinisch onderzoek, bereidt zich kort voor en stelt een behandelplan op (met voorschrift).

Het examen begint ook met een korte voorbereidingstijd waarbij je je behandelplan reeds opschrijft (standaard sjabloon) en je voorschrift opmaakt ( je moet normaal al-tijd iets voorschrijven). Daarna ga je binnen en werk je je deel van het consult met de patiënt af, waarna de examinator je nog enkele vragen stelt.

Voorbeeld:

  • Een patiënt met arteriële hypertensie die nu behandeld wordt met een ACE-inhibitor, maar na enkele weken terugkomt met een irritante hoest. Wat doe je?
  • Nieuwe diagnose van arteriële hypertensie bij een nog vrij jonge patiënt. Wat start je? Welke indicaties en contra-indicaties zijn er? Welke bijwerkingen vermeld je? Wanneer komt de patiënt terug? Moet er iets getest worden na een bepaalde periode? (Vb. nierfunctie en K+ bepalen bij nieuw starten van een ACE-I)
  • Opstarten van een pil
  • Nieuwe diagnose van Diabetes Mellitus
  • ...


Klinische consultvoering

##