Voorblad > Hiaatvulling na een eind-sjwa
Voor het Kinroois en verwante dialecten:
Volgens het welluidendheidsgevoel van het dialect voelt de dialectspreker in het algemeen een hiaat tussen woorden wanneer een woord eindigt op een sjwa (doffe e) en het daaropvolgende woord begint met een klinker of een h-klank, uitzonderingen daargelaten.
Lees op het volgende blad over hiaten: Hiaat en hiaatvulling.
kómme (komen)
"De moos kómmen aete."
(Je moet komen eten.)
"De moos mich kómmen hole."
(Je moet me komen halen.)
duudje (duwden)
"Ze duudjen hum aanne kantj."
(Ze duwden hem aan de kant.)
"Ze duudjen häör aanne kantj."
(Ze duwden haar aan de kant.)
belove (beloven)
"beloven en doon"
(beloven en doen)
bove (boven)
lake (laken)
"De moos de henj boven et laken haoje"
(Je moet de handen boven het laken houden.)
teenge (tegen)
"örges teengenaan leune"
(ergens tegenaan leunen)
same (samen)
"Samen op reis gaon." (Samen op reis gaan.)
zeve (zeven)
"zeven are" (zeven aren)
"zevenentwintjig" (zevenentwintig)
"zevenhónderdj" (zevenhonderd)
nege (negen)
"negenentwintjig" (negenentwintig)
"negen oor" (negen uur)
"negenhónderdj" (negenhonderd)
vertèldje (vertelde)
"tón vertèldjen er"
(toen vertelde hij)
"tón vertèldjen et"
(toen vertelde ze)
te (je)
"Det moosten hum gein twieë kieër zègke."
(Dat moet je hem geen twee keer zeggen.)
"Det moosten häör gein twieë kieër zègke."
(Dat moet je haar geen twee keer zeggen.)
"Det höbsten ouch in ..."
(Dat heb je ook in ...)
wèlke (welke)
"Wèlken is et?"
(Welke is het?)
tèlle (tellen)
"tèllen en maete"
(tellen en meten)
spraeke (spreken)
"spraeken en laeze"
(spreken en lezen)
sjrieve (schrijven)
"sjrieven en laeze"
(schrijven en lezen)
kentje (kantje)
"Biej dae mins is ei kentjen aaf."
(Bij die man is een kantje af. Bij die man is er een kantje af.)
boete (buiten)
"de boeten in"
(de buiten in. naar buiten. naar de openlucht)
bove (boven)
"van boven op get kieke"
(van boven op iets kijken)
stroese (struise)
"de stroesen oethange"
(de struise uithangen. zich gedragen als een vechtersbaas)
bedankdje (bedankte)
"ich bedankdjen hum"
(ik bedankte hem)
"ich bedankdjen häör"
(ik bedankte haar)
woeëndje (woonde)
"hae woeëndjen in"
(hij woonde in)
oplètte (opletten)
"Dan mooste baeter oplètten, eh!"
(Dan moet je beter opletten, he!)
binne (binnen)
"van binnenoet"
(van binnenuit)
"binnen en boete"
(binnen en buiten)
lete (lieten)
"Wae leten et daobiej."
(Wij lieten het daarbij.)
fritte (frieten)
"Op det fieëst vanne sjötteriej zeen er ouch fritten en krokètte."
(Op dat feest van de schutterij zijn er ook frieten en kroketten.)
Het hoofdtelwoord twieë (twee), dat eindigt op een naslag met een sjwa, maakt nooit deel uit van een hiaatvulling.
Hiaatvulling versus verbuigingsvorm
Deze toevoegbare eind-n staat los van de n-uitgang bij het mannelijk genus. De n-uitgang bij het mannelijk genus is gerelateerd aan de status van het woord en dat gaat over congruentie. De toevoegbare eind-n die hier besproken wordt is niet statusgerelateerd. Hiaatvulling heeft niets te maken met congruentie.
Neem als voorbeeld "de hoonder" (de hoenen. de kippen). Het is niet: "den hoonder". Of: "de Ingelse vrouw" (de Engelse vrouw). Het is niet: "den Ingelse vrouw". Hiermee heb ik wat mij betreft voldoende aangetoond dat hiaatvullingen en verbuigingsvormen niets met elkaar te maken hebben. Wie in staat is met een holistische visie te kijken begrijpt dit.
#verbuigingen #verbuigingsvormen #congruentie
Uitzondering in dit gebruik
Er is geen hiaatvulling indien dit voor een conflict zorgt met een verbuigingsvorm.
"de roeëdste en de groeëtste vrouw" (de roodste en de grootste vrouw)
Er komt in dit geval geen n achter roeëdste omdat het woord vrouw een vrouwelijk genus heeft.
Roeëdsten hoort bij het mannelijk genus indien het betreffende mannelijke woord begint met een klinker of de h-klank.
Weetje
In het literair werk "Maskeraad" van Eddy Franquinet, geschreven in het dialect van Maastricht en uitgegeven in 1927, zijn 268 van deze hiaatvullingen opgenomen, gemakkelijk te vinden met de zoekopdracht -n-.