Voorblad > Gebiedende wijs
Door middel van de gebiedende wijs kan een bevel, verzoek, wens, waarschuwing, aansporing of advies tot uitdrukking worden gebracht.
De gebiedende wijs is een aanspreekvorm in de tegenwoordige tijd. Respectievelijk de tweede persoon enkelvoud en meervoud zijn hierbij de aangewezen personen om aan te spreken.
Met welke intentie men de gebiedende wijs gebruikt hangt af van de woordkeuze en de wijze waarop men spreekt. Gezichtsuitdrukking, intonatie, stemvolume, timbre en soortgelijke zaken spelen hierin mee.
Het eerste woord in de formulering van de gebiedende wijs is altijd een persoonsvorm, congruent met de aangesproken grammaticale persoon. Of minder voorkomend en eerder atypisch, een infinitief.
De archetypische vorm
De meest voorkomende vorm van de gebiedende wijs is een korte volzin.
Aangesprokene is de 2de persoon enkelvoud:
"Haod det vas!" (Houd dat vast!)
Aangesprokene is de 2de persoon meervoud (tevens hoffelijk):
"Haodj det vas!" (Houdt dat vast!)
Met primaire onderwerpsvormen
De gebiedende wijs kan men vormen met een primaire onderwerpsvorm. Dit kan men doen om te specifiëren wie de aangesprokene is of om de aanspreking te versterken.
In deze zinsvolgorde [persoonsvorm + onderwerpsvorm] komen enkel de primaire onderwerpsvormen van de tweede persoon enkelvoud en meervoud, dich en gae, in aanmerking.
Aangesprokene is de 2de persoon enkelvoud:
"Zwieg dich!" (Zwijg jij!)
"Gangk tich maar ieëst." (Ga jij maar eerst.)
Aangesprokene is 2de persoon meervoud (tevens hoffelijk):
"Zwiegtj gae!" (Zwijgt gij! gij = meervoud. Zwijgen jullie!)
"Gaotj gae maar ieëst." (Gaat gij maar eerst. gij = meervoud. Gaan jullie maar eerst.)
Met onbenadrukte onderwerpsvormen als onderwerp in een bijzin
De gebiedende wijs kan men vormen met een onbenadrukte onderwerpsvorm. De onbenadrukte onderwerpsvorm is hier het onderwerp in een bijzin.
In de zinsvolgorde [persoonsvorm + [bijzin: voegwoord + onderwerpsvorm + ... + persoonsvorm]] komen alle personen enkelvoud en meervoud in aanmerking.
Aangesprokene is de 2de persoon enkelvoud:
"Zörg det ich op tied kóm." (Zorg dat ik op tijd kom. Zie erop toe dat ik op tijd kom.)
"Zörg/maak des te op tied bès!" (Zorg/maak dat je op tijd bent. Zie erop toe dat je op tijd komt.)
"Zörg det er op tied kumtj." (Zorg dat hij op tijd komt. Zie erop toe dat hij op tijd komt.)
"Zörg det ze op tied kumtj." (Zorg dat ze op tijd komt. Zie erop toe dat ze op tijd komt.)
"Zörg dejjet op tied kumtj." (Zorg dat het (ze) op tijd komt. Zie erop toe dat ze op tijd komt.)
Aangesprokene is 2de persoon meervoud (tevens hoffelijk):
"Zörgtj det we op tied kómme." (Zorgt dat we op tijd komen. Zie erop toe dat we op tijd komen.)
"Zörgtj/maaktj dedjer op tied zeetj!" (Zorgt/maakt dat jullie op tijd zijn. Zie erop toe dat jullie op tijd komen.)
"Zörgtj det ge op tied zeetj!" (Zorgt dat jullie op tijd zijn. Zie erop toe dat jullie op tijd komen.)
"Zörgtj det ze op tied kómme." (Zorgt dat ze op tijd komen. Zie erop toe dat ze op tijd komen.)
Zonder persoonsvorm komt ook voor:
"Det ich gein klachte huuer, he!" (Dat ik geen klachten hoor, he!)
Van: "Zeet det ich gein klachte huuer, he!" (Zie dat ik geen klachten hoor, he! Zie erop toe dat ik geen klachten hoor, he!)
Met wederkerende voornaamwoorden
De gebiedende wijs kan men vormen met een wederkerend voornaamwoord om een wederkerende handeling te formuleren.
In deze zinsvolgorde [persoonsvorm + wederkerend voornaamwoord] komen enkel de wederkerende voornaamwoorden van de tweede persoon enkelvoud en meervoud, dich en uch, in aanmerking.
Aangesprokene is de 2de persoon enkelvoud:
"Zèt tich." (Zet je. Ga zitten.)
"Dringk tich ein zjat koffie." (Drink jou/je een kop koffie. Drink een kop koffie.)
Aangesprokene is 2de persoon meervoud (tevens hoffelijk):
"Zètj uch." (Zet u. Zet jullie. Gaat zitten.)
"Dringktj uch ein zjat koffie." (Drinkt u een kop koffie. Drinkt een kop koffie.)
Met voorwerpsvormen
De gebiedende wijs kan men vormen met een voorwerpsvorm.
In deze zinsvolgorde [persoonsvorm + voorwerpsvorm] komen de voorwerpsvormen van de eerste en de derde persoon enkelvoud en meervoud in aanmerking.
In de voorbeeldzinnen hieronder is de woordvolgorde als volgt:
[persoonsvorm + voorwerpsvorm + betrekkelijk voornaamwoord + onbenadrukte onderwerpsvorm + infinitief]
In dit geval wordt er een voorwerpsvorm èn een onbenadrukte onderwerpsvorm gebruikt.
Aangesprokene is de 2de persoon enkelvoud:
"Zèk mich waat ich moot doon." (Zeg me wat ik moet doen.)
"Zèk hum waat er moot doon." (Zeg hem wat hij moet doen.)
"Zèk häör waat ze moot doon." (Zeg hem (haar) wat ze moet doen.)
"Zèk hum waat et moot doon." (Zeg hem (haar) wat het (ze) moet doen.)
"Zèk ós waat we mote doon." (Zeg ons wat we moeten doen.)
"Zèk hun waar ze mote doon." (Zeg hun wat ze moeten doen.)
Aangesprokene is 2de persoon meervoud (tevens hoffelijk):
"Zègktj mich waat ich moot doon." (Zegt me wat ik moet doen.)
"Zègktj hum waat er moot doon." (Zegt hem wat hij moet doen.)
"Zègktj häör waat ze moot doon." (Zegt hem (haar) wat ze moet doen.)
"Zègktj hum waat et moot doon." (Zegt hem (haar) wat het (ze) moet doen.)
"Zègktj ós/oos waat we mote doon." (Zegt ons wat we moeten doen.)
"Zègktj hun waat ze mote doon." (Zegt hun wat ze moeten doen.)
"Laot mich gaon." (Laat mij gaan.) [persoonsvorm + voorwerpsvorm + infinitief]
Met enkel een persoonsvorm
Aangesprokene is de 2de persoon enkelvoud:
"Zit!" (Zit!)
"Loester!" (Luister!)
Aangesprokene is 2de persoon meervoud (tevens hoffelijk):
"Zitj!" (Zit!)
"Loestertj!" (Luistert!)
Met werkwoorden met een scheidbaar voorvoegsel zoals oplètte (opletten) oetkieke (uitkijken):
Aangesprokene is de 2de persoon enkelvoud:
"Lèt op!" (Let op!)
"Kiek oet!" (Kijk uit!)
Aangesprokene is 2de persoon meervoud (tevens hoffelijk):
"Lètj op!" (Let op!)
"Kiektj oet!" (Kijkt uit!)
Met enkel een infinitief
Aangesprokenen zijn de 2de persoon enkelvoud en meervoud:
"Zitte!" (Zitten!)
"Zwiege!" (Zwijgen!)
"Loestere!" (Luisteren!)
"Oplètte!" (Opletten!)
In een korte volzin met een primaire onderwerpsvorm:
"Loestere zuls tich!" (Luisteren zul jij!)
"Loestere zultj gae!" (Luisteren zult gij! gij = meervoud. Luisteren zullen jullie!)
Met persoonsvormen gevolgd door een infinitief
De persoonsvorm is altijd het eerste woord in de formulering van de gebiedende wijs. Als de persoonsvorm een hulpwerkwoord is kan de infinitief van een zelfstandig werkwoord daarop volgen.
Volgens de volgorde [persoonsvorm + infinitief].
Aangesprokene is de 2de persoon enkelvoud:
"Gangk zitte." (Ga zitten.)
"Gangk zitten en zwieg!" (Ga zitten en zwijg!)
Aangesprokene is 2de persoon meervoud (tevens hoffelijk):
"Gaotj zitte." (Gaat zitten.)
"Gaotj zitten en zwiegtj!" (Gaat zitten en zwijgt!)
"Gangk effe zitte." (Ga even zitten.) [persoonsvorm + bijwoord + infinitief]
"Laot mich gaon." (Laat mij gaan.) [persoonsvorm + voorwerpsvorm + infinitief]