Enkele kritische bedenkingen

van een eenvoudige dorpsonderwijzer.

Het is ongelooflijk hoe men in alle ernst stelt dat de derde wereld gelijke kansen moet krijgen tot het gebruik van moderne communicatiemiddelen, terwijl miljoenen mensen niet over drinkbaar water beschikken en er dagelijks duizenden kinderen sterven van honger. Zou dat zijn omdat computers verkopen meer opbrengt dan ontwikkelingsprojecten?

Dit wordt zeker de eeuw van de grote “aanpassing”. De opvoeding wordt aangepast aan het gedrag en de stemming van het kind, het onderwijs wordt aangepast aan de motivatie van de leerling, de gast verlangt dat het gastland zich aanpast, de normen worden aangepast aan het individuele gedrag, de moraal wordt aangepast aan de permissieve maatschappij, de dader mag op meer begrip rekenen dan het slachtoffer en de regel wijkt voor de uitzondering.

Samengevat noemt men dit het politiek correcte denken.

Onderwijs kan niet altijd leuk en fijn zijn. Leren en studeren vereisen vaak noeste inspanning en vaak moet men er dingen voor laten die veel prettiger zijn. Wie meent dat men leren voor alle leerlingen leuk kan maken, verwart onderwijs met een consumptieartikel.

De pedagogische optimisten zijn weer helemaal terug. Met de juiste opleiding en navorming van leerkrachten, zo menen ze, kunnen alle maatschappelijke problemen worden opgelost. De mythe van de maakbaarheid viert hoogtij.

Mondiaal gezien doet kwaliteitsonderwijs denken aan een moeder die bij het gerecht van één van haar kinderen zorgvuldig de kruidenmix afweegt, terwijl de andere kinderen hongerig voor een leeg bord zitten.

In nota’s, artikels en persberichten lezen we regelmatig: “Het onderwijs slaagt er niet in de sociale ongelijkheid weg te werken.” Wat is dat nu voor onzin! Dat het werk van een manager (financieel en sociaal) honderd keer meer wordt gewaardeerd dan het werk van een vuilnisman, dat is de oorzaak van sociale ongelijkheid.

Het kapitalisme, nu het neoliberalisme genoemd, is als een piramidespel. Een kleine top profiteert van een brede basis die het gelag betaalt. Het is beangstigend hoe veel onderwijskundigen hun best doen om dit immorele maatschappijmodel te rechtvaardigen, onder het mom van gelijke kansen. Als iedereen gelijke kansen krijgt om de top te beklimmen, zo zeggen ze, is rechtvaardigheid geschied. De meritocratie, als maatschappijmodel, wordt niet langer in vraag gesteld.

In de meritocratie (als maatschappijmodel) wordt je sociale positie bepaald door je talenten en je inzet, kortom je "verdienste". We zouden beter pleiten voor een maatschappij waarin de waardering voor je werk (vaak nederig maar heel belangrijk), je sociale positie bepaalt. (Als een vuilnisman zijn werk niet meer doet, heeft dat zwaardere gevolgen dan een piloot die niet naar de vakantiebestemming vliegt.)

Het belang van een innovatie is vaak niet de nuttigheidswaarde maar wel het gadgetgehalte en de winst die ze oplevert. Als dat de ware bedoeling is van de kenniseconomie, zijn we verkeerd bezig.

De kenniseconomie kan alleen een succes worden als er een continu groeiende markt is voor onze hoogtechnologische producten. We zullen dus nog enkele bewoonde (en minder ontwikkelde) planeten moeten koloniseren voor alle aardbewoners welgesteld zijn.

Als men in de loop der geschiedenis altijd zo gebrand was geweest op vernieuwing, zaten we nu terug in de oertijd.

In een tijd waarin de aarde kreunt onder de gigantische vervuiling, overproductie en roofbouw op zijn grondstoffen kunnen onze beleidsmakers niets beter bedenken, dan dat we de ondernemerszin moeten stimuleren vanaf de kleuterklas. We zouden kinderen beter motiveren om wat minder te ondernemen, spullen langer te gebruiken en minder nieuwsgezind te zijn.

In de beleidsnota van Frank Vandenbroucke (voormalig minister van onderwijs) lazen we: “De hoge kwaliteit van het Vlaamse onderwijs komt tot stand in een onderwijsbestel dat via complexe mechanismen zélf stelselmatige sociale selectie veroorzaakt.” Prof. Wielemans (KUL) echter zegt: “De indruk ontstaat dat het onderwijs wordt gebruikt of zelfs misbruikt om de zwaarste maatschappelijke problemen op te lossen. (werkloosheid, criminaliteit, migranten…) Niettegenstaande deze problemen niet of slechts in geringe mate door het onderwijs zelf zijn veroorzaakt, wordt het toch verantwoordelijk geacht er oplossingen voor te vinden.”

Het is blijkbaar makkelijker het onderwijs de schuld te geven dan toe te geven dat de welvaartsstaat faalt.

Wie meent dat men jonge mensen kan opvoeden zonder discipline, is nog naïever dan Jean-Jacques Rousseau.

Onderwijskundige technocraten bepalen tegenwoordig hoe het er aan toe gaat in een school. Personeelsbeleid, kwaliteitszorg en competentiemanagement worden vanuit het bedrijfsleven kritiekloos op de school geprojecteerd. Zouden we niet beter door de leerkrachten gedragen vernieuwingen invoeren? Ursie Lambrechts, destijds woordvoerster onderwijs Tweede Kamerfractie D66 (NL), stelde voor om de subsidies die worden toegekend aan onderwijspedagogische centra voor hun “innovatie en denktankfunctie”, rechtstreeks aan scholen en leraren te geven. “Niet alleen is dit efficiënter maar zo worden ook de uitwassen van het nieuwe leren vermeden”,aldus de politica.

Het is ironisch dat er kritiek komt op de managementhype in het onderwijs vanuit de managementwereld zelf. Marc Oskam, een managementadviseur, stelt het zo: “Hoe komt het toch dat veel te grote systemen die horen bij uit vele divisies opgebouwde grote ondernemingen en multinationals, als betonblokken een basisschool binnengesleept worden? Dat komt doordat zij die plannen maken of adviseren verblind zijn door het bedrijfsleven.”

Het is inderdaad duidelijk merkbaar dat bedrijfsleiders mee het onderwijs sturen en dat ze daarbij de beste stuurlui (de veldwerkers) maar wat graag aan wal laten staan.

De voorvechters van het nieuwe leren gaan ervan uit dat elk kind van nature intrinsiek gemotiveerd is, dat iedereen wil leren omdat leren nu eenmaal leuk is. Ofwel zijn deze mensen zelf toevallig altijd geweldig gemotiveerd en intelligent geweest, ofwel hebben ze een zeer selectief geheugen wat hun eigen schooltijd betreft.

Als argument voor het inclusief onderwijs hoort men vaak dat de school een afspiegeling moet zijn van de maatschappij. Van deze “we horen er allemaal bij”-mentaliteit is anders in het “echte” leven niet veel te merken. Ik zal pas overtuigd zijn als er geen babes meer aan politiek doen, miss Belgian Beauty 100 kg weegt, de grootmeester van de loge een (echte) metselaar is, de paus een non en de koning een door het lot aangeduide marginaal.

Is de grote zorg die we besteden aan kansarmen, migranten en vluchtelingen geen schaamlapje waar we de westerse hypocrisie mee willen bedekken? Als het echt over mondiale herverdeling gaat, wandelen we allemaal weg. De rijksten het eerst…

In het onderwijs wordt nog veel te vaak ‘top-down’ gewerkt. Dit maakt dat leerkrachten zich onbekwaam gaan voelen. Hun ervaring en vakkennis zijn geen referenties meer, ‘vernieuwing’ is het codewoord. Maar weinig gepensioneerden van de laatste jaren hebben met een goed gevoel hun school vaarwel gezegd. Wat meer ‘bottom-up’ zou veel negatieve gevoelens hebben voorkomen. J. V.