Probleemstelling:
Handelingen 15:21 In haast elke stad wordt de wet van Mozes immers al sinds mensenheugenis verkondigd en op iedere sabbat in de synagogen voorgelezen.’
Dit vers wordt gebruikt als argument voor en tegen het naleven van de Mozaïsche wet. Aan de ene kant is de uitleg: Dit vers geeft duidelijk aan dat de wet van Mozes leert dat gelovigen uit heidenen de wet van Mozes niet hoeven na te leven. Een andere uitleg is: dit vers geeft duidelijk aan dat iedereen de wet van Mozes moet naleven. De gelovigen uit de heidenen leert namelijk vanuit de synagoge om stapsgewijs de Mozaïsche wetgeving te onderhouden
De centrale vraag is dan ook: Wat bedoelt Jakobus met: ‘de wet van Mozes immers al sinds mensenheugenis verkondigd’?
Deze vraag zal ik proberen te beantwoorden zowel vanuit de tekst en Bijbel zelf, en daar waar er meer achtergrond nodig is door buiten Bijbelse bronnen te raadplegen.
Andere vragen die ik hoop te beantwoorden zijn:
· Welke relatie heeft de besnijdenis en de wet van Mozes met elkaar
· Welke visie heeft Paulus op de besnijdenis en wet ten opzichte van gelovige uit de heidenen
· Wat is de oorsprong van de visie van Paulus ten opzichte van de gelovige uit de heidenen
· Wat is de oorsprong van de vier wetten in vers 20 en 29?
Inleiding:
Zowel het boek ‘het evangelie naar Lucas’ als Handelingen is geschreven door Lucas aan Theofilus. De naam Theofilus betekent zoveel als “vriend van God”, en wordt aangesproken als hoogedele. Deze term kan erop wijzen dat Theofilus een hooggeplaatste Romeinse ambtenaar is[2]. Over het doel bestaan diverse gedachten: Mogelijk is dat het gaat om de verspreiding van het evangelie of het overtuigen van de wat Theofilus is geleerd waar is (Luc. 1:4)[3]. In ieder geval wil Lucas de betrouwbaarheid van laten zien waarin hij onderwezen is.
Perikoop Handelingen: 15:1-33
Context
1 En enigen die uit Judea gekomen waren, leerden de broeders: Als u niet besneden wordt volgens het gebruik van Mozes, kunt u niet zalig worden. 2Toen er dan van de kant van Paulus en Barnabas een niet geringe tegenstand en woordenstrijd tegen hen ontstond, bepaalden zij dat Paulus en Barnabas en enkele anderen uit hen in verband met dit geschilpunt naar de apostelen en ouderlingen in Jeruzalem zouden gaan.
Paulus en Barnabas zijn net terug gekomen in Antiochië, na hun eerste zendingsreis en doen verslag uit van wat zij hebben meegemaakt. Hoe God de deur opengemaakt heeft voor de heidenen om tot geloof te komen. Vanuit Jeruzalem komen Joodse gelovigen- vermoedelijk uit de Farizeeën, en verkondigen nu, dat de heidenen tot geloof zijn gekomen, moeten zij besneden worden, overeenkomstig de Mozaïsche wetgeving (zie vers 24; Gen: 17:12, 17:14, Lev. 12:3).
Paulus en Barnabas zijn het hier niet mee eens, en komen in een flinke woordenstrijd. De gelovigen uit de heidenen worden in de Bijbel proselieten genoemd. Dat zijn nieuwe gelovigen die uit een heidense godsdienst komen en de God van de Joden erkennen en aanbidden. De tekst geeft niet aan waarom Paulus en Barnabas het niet eens zijn met de leerlingen uit Jeruzalem. Het onderstaande kan daarom wel meer licht op de zaak werpen.
De rabbijnse leer kent 2 soorten proselieten:
A. “De proselieten bij de poort (Ex. 20:10)” ook wel” half proselieten” of “godvrezende heidenen genoemd”. - deze zijn niet besneden en hoeven niet de wet van Mozes te houden [4]. De enige wetten die deze gelovigen moeten houden zijn de wat men noemt de Noachidische geboden, of het verbond met Noach. Deze wetten hebben hun oorsprong in Genesis [5]. Vanuit de Tora kunnen wij lezen in Genesis 9:3-4 dat aan de mens (Noach) alles wat leeft en beweegt de mens tot voedsel zal dienen.
De 7 Noachidische wetten zijn:
1Gebod om rechtvaardigheid te betrachten, rechtbanken in te stellen en in stand te houden om de volgende verboden te kunnen handhaven. 2.Verbod om de Schepper te vervloeken of Zijn Naam te gebruiken of om (iets van) het geschapene te vervloeken. 3.Verbod op afgoderij (schepselen dienen of aanbidden). 4.Verbod om te moorden. 5.Verbod op onzedelijkheid zoals incest. 6.Verbod om te stelen of iemand te ontvoeren. 7.Verbod op het eten van het vlees van een nog levend dier [6].
B. De tweede soort proseliet, worden "de rechtvaardige proselieten" genoemd. Deze proselieten zijn besneden en houden de wet van Mozes (Zie Hand. 2:11 en13:43) [7] . Omdat deze proselieten besneden zijn werd van hen verwacht dat zij de wet van Mozes hielden.
Dat de besnijdenis en het houden van de wet van Mozes bij elkaar horen blijkt ook uit de werken van Philo van Alexandrië een tijdgenoot van Paulus. In zijn geschift Migration of Abraham geeft hij af op Joden die de besnijdenis willen loskoppelen van het onderhouden de wet [8].
Omdat het houden besnijdenis en het houden van de wet als een eenheid gezien werd is het niet vreemd dat Paulus sarcastisch zegt in En nogmaals betuig ik aan ieder mens die zich laat besnijden, dat hij verplicht is de hele wet te onderhouden (Galaten 5:3 ).Ook het vers in Hand. 21:21 laat zien de besnijdenis en wet in elkaar verbonden zijn. In dit gedeelte wordt Paulus aangesproken dat hij de Joden die onder heidenen woont, afvallig te worden van Mozes. Door zich niet te besnijden en niet wandelen overeenkomstig de wet.
7 Toen het tot een hevige woordenstrijd kwam, stond Petrus op en zei: ‘Broeders, u weet dat God mij al in het begin uit uw midden heeft gekozen om de boodschap van het evangelie onder de heidenen te verspreiden en hen tot geloof te brengen.
Petrus verwijst hier naar Handelingen 10 het visioen dat hij kreeg, met tafellaken met de onreine dieren en hoe hij daarna gezonden is naar Cornelius en zijn huisgenoten. Cornelius behoorde tot de groep Godvrezende die niet besneden was. Dit blijkt uit Hand. 11:3 waar Petrus het verwijt kreeg dat hij een onbesnedene had bezocht en met hem had gegeten. De onbesneden proseliet werd door de Jood als onrein gezien (Gal. 2:11).
8 God, die weet wat er in de mensen omgaat, heeft blijk gegeven van zijn vertrouwen in de heidenen door hun de heilige Geest te schenken, zoals hij die ook aan ons geschonken heeft.9 Hij heeft geen enkel onderscheid gemaakt tussen ons en hen, want hij heeft hen door het geloof innerlijk gereinigd.
Petrus geeft in dit vers aan dat het bewijs niet de wet is, maar de heilige Geest die geen onderscheidt maakt tussen de gelovige Jood en de gelovige uit de heiden. Zij zijn door God rein verklaart op basis van het geloof in Jezus Christus, niet op basis van het onderhouden van de Mozaïsche wetgeving.
10 Waarom wilt u God dan trotseren door op de schouders van deze leerlingen een juk te leggen dat onze voorouders noch wijzelf konden dragen? 11 Nee, we geloven dat we alleen door de genade van de Heer Jezus gered kunnen worden, op dezelfde wijze als zij.’
Jezus heeft de Wet van Mozes als enige kunnen houden. Geen andere Jood heeft de wet van Mozes kunnen volbrengen. Petrus wijst op de tekst die een proseliet moest opzeggen, na de Shema (Deut. 6;7) wanneer hij als rechtvaardig werd beschouwd. “Ik neem het juk van het koninkrijk der hemelen op mij”- samen met de uitdrukking: “Ik neem de het juk van de geboden op mij” om vervolgens deze geboden op zeggen [9]. Natuurlijk zagen vele Joden de wet als een eerbewijs van God aan Israël (zie Ps. 119). Maar er niemand is die de wet volledig kon houden. Het is die wet die een last werd voor de gelovigen. Zeker wanneer deze geen erfenis heeft in het houden van deze geboden.
Volgens Petrus is er geen verschil tussen de gelovige uit de heidenen en de gelovige uit de Joden met betrekking tot de redding. Beide kunnen zich alleen beroepen op de genade van onze Heer Jezus. Het wel of niet onderhouden van de wet heeft voor de gelovige uit de heidenen geen invloed op. Het wordt zelfs als een juk gezien die zelfs voor de Jood moeilijk te dragen valt.
14 Simeon heeft uiteengezet hoe God zelf het plan heeft opgevat om uit de heidenen een volk te vormen dat zijn naam vereert. 15 Dat stemt overeen met de woorden van de profeten; er staat immers geschreven: 16 “Dan keer ik terug op mijn schreden. Ik zal het vervallen huis van David herbouwen, uit het puin zal ik het weer opbouwen. Ik zal dit huis doen herrijzen,
Jakobus gebruikt hier nu voor het volk het Griekse woord λαος (laos) om het heidenvolk aan te duiden. In de LXX wordt het woordje laos alleen gebruikt voor het volk van Israël. Het volk wat God toebehoort [10]. God vormt een volk uit de heidenen- en daarna zal God terug keren. Jakobus citeert in dit vers verder Amos grotendeels vanuit de LXX [11]. Het vervallen huis van David herbouwen betekent dat God verscheurde koninkrijk wat na Salomo is verscheurd weer zal herstellen in Zijn volle glorie. En tot vervulling komt.
19 Daarom ben ik van mening dat we de heidenen die zich tot God bekeren geen al te zware lasten moeten opleggen, 20 maar dat we hun moeten schrijven dat ze zich dienen te onthouden van wat door de afgodendienst bezoedeld is, van ontucht, van vlees waar nog bloed in zit en van het bloed zelf.
Jakobus wijst terug naar Petrus wat Petrus zegt en bedoeld in vers 10. Jakobus zegt eigenlijk: "Stop met het verjodelijken van de gelovige uit de heidenen. Hoe zouden zij ooit de wet kunnen houden zonder de erfenis die wij Joden hebben gekregen uit het verleden".
21 Want Mozes heeft van oude tijden af in elke stad mensen die hem prediken, want hij wordt elke sabbat in de synagogen voorgelezen.
Jakobus geeft aan wat in de synagoge geleerd en gepredikt werd. Het woordje -want- slaat hier op, of zoals de NBG schrijft: Immers- geeft een reden aan waarom de gelovigen uit de heidenen zich dienen te onthouden aan de 4 geboden genoemd in vers 20. Het onderhouden van de vier geboden behoort bij het onderwijs van de Tora aan de gelovigen die niet besneden zijn.
Dit kunnen wij terug vinden in Talmud Sanhidrin 59A. waar Hanaya Gamaliël (80-140 n.C. ), de kleinzoon van Gamaliël waar Paulus onder gestudeerd heeft zegt: “Zij (de heiden) hebben alleen het verbod om van bloed van een dier te nemen, omdat daar leven in zit. Hij geeft verder aan dat elk gebod dat aan de zonen van Noach werden gegeven, die herhaalt werden op de berg Sinaï gelden voor zowel de heiden en de Israëliet. Elk gebod dat niet herhaald werd geldt alleen voor de Israëlieten en niet voor de heiden” [12].
Vanuit de Talmud Sanhedrin 56A kunnen wij lezen: “De nakomelingen van Noach werden bevolen zich te houden aan zeven voorschriften: om wetten vast te stellen (en het verbod op) godslastering, afgoderij, overspel, bloedvergieten, diefstal en het eten van het bloed van een levend dier” [13].
De Tosefat Avodah Zarah 64b noemt deze zeven geboden aan Noach, de fundamentele morele wetten [14].
Maar ook het boek van de Jubeleeën, (200 v.C.) een geschrift dat zowel in de vroeg kerk als in synagoge een hoge autoriteit had schrijft dat de zonen van Noach (en nakomelingen) zich aan de volgende regels moeten houden: “zij moeten hun vlees bedekken, hun Schepper zegenen, ouders eren, hun ziel behoeden voor ontucht en onreinheid
.Want wie het bloed van de mens vergiet, en wie het bloed van enig vlees eet, zal van de aarde worden vernietigd”[15].
Het is Jakobus die niet alleen terug grijpt op de traditie, maar hij bekrachtigd wat hij zegt door te zeggen dat zowel de besnijdenis en het houden van de wet niet afkomstig is van de apostelen en oudsten uit Jeruzalem. Dat de geboden niets eten wat aan de afgoden geofferd is, geen bloed eten of drinken, geen vlees eten waar het bloed niet uit is weggelopen en niet met allerlei mannen of vrouwen naar bed gaan, afkomstig is van de heilige Geest (vs 16). In de gemeenten, van Paulus eerste reis, verkondigde zij de beslissing die de apostelen en oudsten in Jeruzalem hadden genomen en dat zij zich daar aan moesten houden (Hand. 16:4).
Tot slot David Stern:
De bekende Joodse theoloog en schrijver David Stern geeft aan in zijn boekje: het Evangelie is Joods: “Maar Handelingen 15 leert ook dat, hoewel niet-Joodse mensen slechts 4 wetten moesten houden wanneer zij deel werden van de Messiasbelijdende Gemeenschap, ze wel zoveel over het Jodendom mochten leren als zij wilden en waarschijnlijk zoveel Joodse wetten en gewoonte mochten houden als zij wilden. De enige voorwaarden die in het Nieuwe Verbond (Galatenbrief) is toegevoegd, is dat niet-Joodse mensen er niet op mogen rekenen dat hun aansluiting bij het Jodendom hun “enige punten voor de eeuwigheid” oplevert”[16].
David Stern erkent hiermee dat Handelingen gelovigen uit de heidenen slechts 4 wetten moesten onderhouden. Ook erkent hij met het woordje ‘waarschijnlijk’ dat je vanuit Handelingen 15 niet kan zeggen dat gelovigen uit de heidenen Joodse wet moet onderhouden, of dat zelfs gewenst is.
Conclusie:
De historische context is dat zowel Paulus als de leerlingen uit Judea in een verhitte discussie zijn beland over het wel of niet besnijden van de gelovigen uit de heidenen. Beide kampen kunnen zich beroepen op de Tora. Het is daarom dat Paulus en Barnabas deze beslissing aan de oudste en apostelen in Judea willen overlaten. Wat wij hebben kunnen zien is dat de besnijdenis en het houden van de wet niet van elkaar zijn los te koppelen. Met de wet wordt dan ook de wetgeving op de Sinaï bedoeld in al zijn facetten. Dit wordt door zowel Philo, Jakobus en Paulus bevestigt.
Verder kunnen wij zien dat het Jodendom twee proselieten kent de besneden en onbesneden proseliet. De besneden proseliet werd zich geacht aan de wet te houden. Deze proselieten werden ook niet als onrein beschouwd, maar als rechtvaardig. De onbesneden proseliet (zoals Cornelius) werd geacht zich te houden aan de zeven Noachidische wetten, maar waren voor de Joden onrein.
God echter liet duidelijk aan Petrus zien dat door het geloof in Jezus Christus zij als rein beschouwd moesten worden. Zowel Petrus als Jakobus geven aan dat het niet nodig is dat de heiden de Joodse wet hoeven na te volgen. Petrus geeft aan dat het dan als een juk wordt beschouwd, en verwijst terug naar de proselieten besnijdenis en de belofte om alles wat de wet opdraagt deze te onderhouden. Jakobus geeft dit duidelijk aan door de gelovigen uit de heiden aan te duiden met het woordje Griekse woord voor volk, laos- waar in de LXX het volk Israël mee werd aangeduid.
Op de vraag: Wat bedoelt Jakobus met: ‘de wet van Mozes immers al sinds mensenheugenis verkondigd’?
Jakobus verwijst naar hier naar de leer van de Tora, die algemeen bekend is, juist onder de gelovigen uit de Farizeeën, dat de heidenen zich dienen te houden aan 4 fundamentele morele wetten. Deze leer heeft zijn oorsprong in Gen. 9:4. Voedsel dat uit de afgodendienst komt, ontucht, vlees waar nog bloed in zit en bloed zelf. Jakobus benadrukt dat deze 4 geboden die in de synagoge worden geleerd, waar de gelovige heidenen zich aan hoeven te houden. Dit wordt bevestigt door bronnen zoals het boek Jubeleeën als Hanaya Gamaliël die rondom de tijd van Paulus leefde.
Petrus en Jakobus kiezen dus de kant van Paulus en Barnabas door te stellen dat heidenen niet besneden hoeven te worden en daarmee de wet te houden, zoals het ook geleerd werd in de synagoge. Het geloof in Jezus Christus maakt dat zij een zijn met de gelovige Jood. Het bewijs daarvoor is de uitstorting van de heilige Geest op de heidenen.
Aangenomen kan worden dat Paulus zijn visie op het houden van de wet voor gelovigen uit de heidenen voortkomt uit de erfenis van zijn studententijd bij Gamaliël. En het is deze leer waar Jakobus van zegt: Dit wordt sinds mensenheugenis verkondigd.
Voor de aanname dat Handelingen 15:21 betekent: dat de gelovigen uit de heidenen al lerende leert om de wet van Mozes te houden, omdat dit in de synagoge wordt verkondigd heb ik vanuit de tekst geen bewijs gevonden.
Bronnen
[2] Lucas- J. van Bruggen. pag.24
[3] ibid
[4] Yevamot. 46a
[5] Tosef., 'Ab. Zarah, ix. 4; Sanh. 56a et seq.
[6] Sanhedrin 56a
[7] Yvamot. 47b
[8] Philo migration of Abraham 89-94
[9]Berakhot 2:2
[10]NIC NT, Book of the Acts, pag. 293, Frederick.F. Bruce
[11] ibid
[12] Sanhedrin 59A
[13] Sanhedrin 56A
[14] Tosefat Avodah Zarah 64b
[15] Jub. 7:20-25
[16] Het Evangelie is Joods pag. 77, David H. Stern