Stinzen Ockinga en Donia

Op oude kaarten staan te Burgwerd de stinzen van Ockinga en Donia vermeld. Donia heet ook wel Nieuw Ockinga. De naam Donia (Doyngha) is waarschijnlijk ouder dan nieuw Ockinga, de naam komt namelijk ook al voor in testamenten uit 1424 en 1478. "By der tzercka tho Borghwerth deer van aldis heet tho Doyngha ende nu haet Nye Ockyngha".

Het eigenlijke Ockinga stond aan de Sjungadijk op de plaats waar nu de boerderij van Frans Hettinga staat. Donia, waarvan geen enkele herinnering meer over is, is te vinden vlak ten zuiden van de kerk waar nu het kaatsveld en de ijsbaan liggen. Wanneer het geslacht Ockinga zich hier vestigde, is niet bekend. De oudste Ockinga van wie nog iets terug te vinden is in Burgwerd, was Lolle. Deze was gehuwd met Bauck en ze kregen een zoon Epe, geboren rond 1376 te Burgwerd. Deze Epe Ockinga trouwde met Trijn Foppinga.
Een zoon van Epe en Trijn, die weer Lolle heette, was gehuwd met His Albada en woonde ook in Burgwerd. Deze Lolle die in 1466 stierf, is in de kerk te Burgwerd begraven. Hij had twee zoons: Hero en Pieter. Van deze Hero (Hera) en Pieter (Peter) elk wonende op een der stinzen is nog een testament uit 1478 bewaard gebleven.

 
 Hero was grietman van Wûnseradiel van 1481 tot 1485, Pieter trouwde met een Donia, een dame uit de bekende en soms beruchte Donia Harinxma familie. Bij de geschiedenis van Oosterend, Nijland, Sloten, Sneek, Heeg e.a. komt men telkens dit geslacht tegen. Door dit huwelijk noemde de zoon van Pieter, Lou, zich ook Donia. Hij had deze naam aangenomen om op die wijze van de testamentaire beschikking van zijn grootvader te kunnen profiteren. Zijn zoon Lou was grietman van Rauwerderhem en later waarschijnlijk van Wymbritseradeel. Hij heeft op Leeuwenburg te Sneek gewoond, was ridder van Jeruzalem enz. enz. Een man van invloed. Lolle, een zoon van Hero, de grietman van Wûnseradiel, is in 1520 te Dronrijp overleden. Zijn zoon Hero, die misschien weer te Burgwerd woonde en die in 1587 overleed, had bij zijn eerste vrouw 20 kinderen en bij zijn tweede verscheidene, zo vermeldt het stamboek van de Friese adel. In dit gezin kon dus nogal eens een verjaarsfeest worden gevierd. In 1540 woonden te Burgwerd Joost van Ockinga, een broer van de reeds vermelde Lolle, die in Dronrijp overleed en Hero van Ockinga, de rijk gezegende vader. Elk van hen zal één der twee adellijke huizen hebben bewoond.
1532; Joost van Ockinga van Burgwerd overleden in 1550 en Luts Minnema overleden 1546 met de kinderen zoon Hero die later trouwde met Hijlck van Roorda en dochter Rixt naderhand gehuwd, eerst met Douwe van Hottinga en later met Juw van Dekema.
De grote zerk in het koor van de Ned Her. Kerk van Burgwerd is in 1550 gehouwen door de steenhouwer Vincent Lucas voor Joost Ockinga en Luts Minnema. De decoratiemotieven zijn geïnspireerd op de Renaissance in de zuidelijke Nederlanden.
 
In 1578 uit het register van Personele impositie blijkt  heerschap Joest van Ockinga hier te wonen. Dit is waarschijnlijk weer een zoon van Hero en kleinzoon van Joost zie portret.
 
Het is niet duidelijk, welke Ockinga's naderhand in Burgwerd hebben gewoond. Velen uit dit geslacht zullen elders een huis hebben gehad. Een deel van de Ockinga's werd protestant, maar er zijn ook loten uit deze familie trouw gebleven aan de roomse kerk. Zo was Lolle, één van de "20 + zoveel" kinderen van Hero, kapitein in Spaanse dienst. Hij is in 1581 te Groningen overleden en een familielid van hem werd luitenant in het Spaanse leger genoemd, terwijl een Hobbe als katholiek priester in ballingschap is overleden
 
De grafzerk van Joost Ockinga en Luts Minnema
In het begin van de 17de eeuw (1603) treffen we op Ockinga-huis een Jarich van Ockinga aan, zoon van de in 1581 overleden Lolle, gehuwd met Hijlck van Ockinga. Zij hadden 7 kinderen, van wie 4 zoons een meer of minder belangrijke functie hebben bekleed. Daaruit kunnen we concluderen, dat zij (en misschien hun vader Jarich) als professeurs althans, liefhebbers der ware Christelijk Gereformeerde religie kunnen worden beschouwd. Anders hadden zij geen functies kunnen vervullen.

Lolle was Raad ter Admiraliteit in het Noorderkwartier (Noord-Holland), Gerrolt was kapitein evenals zijn broer Joost, terwijl de vierde Hero lid was van het hof van Friesland. Lolle of Lodewick, in 1648 gehuwd met Maria Sternsee, is volgens een mededeling in het boek van de Adel verdronken toen hij van Holland komende, met zijn schip vlak voor Staveren strandde. Een prachtige zerk in de kerk van Burgwerd, houdt de herinnering aan dit geslacht levend. De wapens zijn door de barbaren in 1795 geschonden, maar nog is te zien, dat deze afgesloten grafsteen het werk van een kunstenaar is.
Het opschrift luidt:In Juli Ao 1654 Hebben voor Haer, haere Kinderen ende Nacomelingen deese Kelder laten maken Maria Stemsee, wedue van Lolle van Ockinga, in leeven Raed der Admiraliteit in 't
Noorder-Kwartier; Hero van Ockinga Raed ordenaris in den Hove van Frieslandt, met zijn Huysfrou Magdalena van Burmania ende Gerrolt van Ockinga, Capiteyn over een Compagnie te voet.
Uit dit opschrift blijkt wel duidelijk, dat de Ockinga's mannen van betekenis waren.

In 1713 komen we Vrouwe Helena Maria van Ockinga, douairière van wijlen Jan Hendrix de Wolfs, tegen. Ze is woonachtig in Burgwerd. De laatste Ockinga was Sophia Maria, die in 1730 te Oosterlittens overleed op zeer hoge leeftijd. Zij was rooms-katholiek en werd in het familiegraf te Burgwerd bij fakkellicht bijgezet. Het was voorheen een grote eer om bij fakkellicht te worden begraven (en tevens vrij kostbaar!)





In 1723 heeft Jacobus Stellingwerf deze pentekening gemaakt. Onder de tekening staat; "'t slot Donia te Burgwert in Wonseradeel, behoort mevrou Burmannia wed. van den Lt. kolonel Baron van Scharrenberg".
Dit is Lucia Emerentia van Burmania die uit Goutum kwam. Ze trad volgens het trouwregister van de Hervormde gemeente Burgwerd, Hichtum en Hartwerd op 22 maart 1722 in het huwelijk met Anthonius Hieronijmos Josephus van Scharrenberg van Houpertinga die toen al in Burgwerd woonde. Anthonius was overste-luitenant in het regiment van Nassau-Dillenburgh. Hij is in 1723, vrij snel na hun huwelijk, overleden. In 1730 is Baronesse douairière Lucia Emerentia van Burmania, getrouwd met Hendrik Grave van Moens Here van Ravensberg. Het is niet duidelijk of ze toen ook in Burgwerd woonden. Lucia Emerentia van Burmania is in 1740 overleden.

De Donia State werd in 1752 door Gilles Hessels Mesdag en Riemke Coopmans gekocht van "den hoogEd. Geboren Heere Hendrik Grave van Moens, heere van Ravensberg, van Cronenburg, van Loenen, van Vrijenes, van Sluipwijk", etc. De graaf van Moens was weduwnaar van mevrouw Burmania wier familie de state in het begin van de achttiende eeuw had verworven. In het jaar dat Gilles en Riemke de state kochten werd deze bewoond door Sijbren Jans, de "meijer" of rentmeester van de graaf. De adellijke heer woonde zelf in Amsterdam.
 
De state lag aan de "jaagvaart" van Bolsward naar Leeuwarden en was omgeven door een gracht en singels met hoge bomen. Op het "eilandje" stond ook nog een tuinmans woning die in vroegere tijden het koetshuis was. Verder was er nog een tuinhuisje, een schuur en een grote moestuin en boomgaard. Vanaf de weg kreeg men toegang tot het erf via een poort.
Donia State in 1723
Gilles en Riemke waren de eerste burgerlijke bewoners van het buitenhuis en zij waren trots op hun verworven bezit. In hun testament gaven zij te kennen dat de "adellyke zathe" in handen moest blijven van het nageslacht. Het aristocratische verleden van het buitenhuis droeg waarschijnlijk bij aan hun speciale waardering voor dit bezit. De vroegere eigenaren en bewoners van Donia State waren invloedrijke personen en de glans van dit verleden straalde nu op hen af. Zij werden de verpachters van enkele boerderijen in het dorp (o.a. de huidige Doniastate van de familie Dooper en de boerderij aan het Trekpad van de fam. Wiersma) en verkregen het vis- en jachtrecht.

Een ander privilege ging tot hun spijt aan hen voorbij. Enige tijd na de overdracht van de state kwamen Gilles en Riemke tot de ontdekking dat het van oudsher aan Donia State verbonden recht van zwanenjacht buiten de verkoop was gebleven. Tevergeefs probeerden zij door middel van een rechtszaak voor het Hof van Friesland dit privilege alsnog te verkrijgen. Gilles kreeg wel het recht om een grafkelder in te richten in de kerk van Burgwerd en maakte daar ook gebruik van. Hoezeer hij gehecht was aan het aristocratisch vertoon van welstand, blijkt wel uit het feit dat hij een rouwbord liet maken dat na zijn overlijden werd opgehangen aan de wand van de kerk. Zijn begrafenis geschiedde met de nodige statie. De begrafenisstoet ging van zijn huis aan de Grote Dylacker, door de Sint-Janspoort, langs de trekvaart van Bolsward-Leeuwarden naar Burgwerd, waarna de kist drie maal rond de kerk werd gedragen alvorens bijgezet te worden in het familiegraf. In de negentiende eeuw werd gekscherend opgemerkt dat de Mesdagen na hun overlijden schipper waren geworden aangezien de kelder veelvuldig onder water stond.
 

Gilles was de enige die in het familiegraf begraven werd. Zijn zoon Taco Mesdag en stiefzoon Wopke Cnoop werden in de jaren tachtig overtuigd patriot. De laatste werd vanwege zijn patriottistische activiteiten in 1787 gevangen gezet op het Blokhuis van Leeuwarden en daarna voor tien jaar uit Friesland verbannen. Na de machtsomwenteling van 1795 kwam het bestuur in de Republiek in handen van democratisch gezinde burgers. Eén van de eerste daden was de verwijdering van aristocratische onderscheidingstekenen uit het openbare leven. Zo verdween ook het rouwbord van Gilles Hessels Mesdag uit de kerk van Burgwerd. Dit statussymbool werd opgeborgen op de zolder van Donia State en ging verloren toen in 1866 het buitenhuis door zijn kleinkinderen werd verkocht.

De familie Mesdag leefde na 1752 afwisselend in Bolsward en Burgwerd. Taco was het enige kind uit het huwelijk van Gilles en Riemke. Zijn ouders hadden ieder nog een kind uit een eerder huwelijk, maar deze waren aanzienlijk ouder. Hij groeide op in Burgwerd op Donia State en woonde daar na zijn huwelijk met Engeltje Monsma. Vijf van hun kinderen zijn er geboren. De andere vijf zagen het levenslicht in het huis in Bolsward op de Grote Dylacker. Uit de geboortedata kan men afleiden dat het gezin in de lente- en zomermaanden op Donia State doorbracht. Vermoedelijk waren de grote kamers in de koude maanden moeilijk warm te stoken.
 




Na het overlijden van Taco en Engeltje kwam het buitenhuis in bezit van 2 van hun zonen Gilles en Epke die er afwisselend een halve zomer woonden. Hun broers en zusters kwamen er geregeld op visite. Verschillende kleinkinderen van Taco en Engeltje koesterden in het begin van de twintigste eeuw nog goede herinneringen aan dit familiehuis. Tot aan de verkoop in 1866 bleef Donia State het ontmoetingspunt voor de familieleden die inmiddels waren uitgezwermd naar Groningen, Leeuwarden, Zwolle, Deventer en andere plaatsen.

Hoe Donia State er bij de aankoop in 1752 precies heeft uitgezien is niet bekend. In 1925 liet Sybout Sybouts, een achterkleinzoon van Taco Mesdag een reconstructie-tekening maken van het buitenhuis door de architect R. de Groot. Deze tekening was gebaseerd op zijn jeugdherinneringen en werd door de andere familieleden als redelijk betrouwbaar gezien. Deze reconstructietekeningen bevinden zich in het prentenkabinet van het Fries Museum.

Over de omvang van het herenhuis en de indeling in het begin van de negentiende eeuw zijn wel enige gegevens bekend. Het huis was zeventien meter breed en twintig meter diep. Via de vooringang kwam men in het portaal terecht waar zich direct een klein kamertje bevond dat door Taco als kantoor werd gebruikt. Aan de rechterkant was de deur naar de slaapkamer. Verder huisinwaarts was een kleine trap die naar de grote opkamer voerde, de zogenaamde "zaal". Verder was er op de begane grond nog een keuken en onder het huis bevonden zich twee verwulfde kelders, waarvan er een als boterkelder werd gebruikt. Via een trap kwam men in de grote bovenkamer die door Taco en Engeltje als slaapkamer werd gebruikt. Verder was er nog een kleine bovenkamer en een zolder.

In het voormalige koetshuis woonde de tuinman/knecht die allerhande werkzaamheden moest verrichten. Deze werkzaamheden bestonden uit: het onderhoud aan het herenhuis en de schuren; het werk in de moestuin en de boomgaard; het voeren van de paarden en andere dieren. Marten Piers Hidma was van 1824 tot 1851 tuinman op Donia State en speelde een belangrijke rol in het familieleven. Hij kon het goed vinden met de familie en ging met de kinderen varen en vissen in de trekvaart en assisteerde de mannen bij de jacht. Zijn vrouw Liesbeth hielp in de huishouding. Andere tuinmannen waren Petrus Meintes Dijkstra van 1851 tot 1859 en van 1859 tot 1867 Douwe Jans Ylst.

 




In 1844 werd de state het volledige eigendom van Epke Roos van Mesdag. Het land werd later door hem verkocht. Epke, geboren op 7 september 1799, was cichoreifabrikant. Hij trouwde 21 juni 1826 te Akkrum met Sytske de Groot  geboren aldaar 29 oktober 1804. Epke en Sytske vestigden zich na hun huwelijk in Akkrum. Alleen op deze voorwaarde had zijn schoonvader met het huwelijk ingestemd. Epke was fabrikant van cichorei, een koffiesurrogaat; daarnaast had hij een oliemolen in Heerenveen waar hij iedere zaterdag in zijn rijtuig naar toe reed. Een meesterknecht hield toezicht op de dagelijkse gang van zaken Naar verluidt was Epke een geestig, vriendelijk en huiselijk man. Het gezin bracht de zomers door op Donia State. Na het overlijden van Epke, 8 december 1863, besloot zijn weduwe om het buitenhuishuis te verkopen.  
In de achttiende eeuw waren er verkopingen van bomen: 1 Dec. 1767: verkoop van 25 abelie-bomen op de buitensingel van Donia State, 13 Jan. 1779: verkoop van 100 bomen en 3 Jan. 1797: verkoop van 40 iepen op Donia State te Burgwerd.

De nieuwe eigenaar werd Dirk Tammes de Vries voor een bedrag van 6.924 gulden. Waarschijnlijk was dit dezelfde Dirk Tammes de Vries die in de boedelscheiding van 1834 werd genoemd als de pachter van een zathe te Burgwerd die in het bezit was van Engeltje Monsma. De Vries hechtte maar weinig waarde aan het buitenhuis. In het algemeen gold dat buitenhuizen in dit tijdvak niet meer zo in trek waren terwijl de grondprijzen erg hoog waren. Twee jaar na de aankoop liet De Vries een deel van de state slopen en in 1869-1870 volgde de volledige afbraak.

Op 8 sept. 1869 is er een Boelgoed van Afbraak op Donia State te Burgwerd.

Na de sloop van de panden werden de grachten gedempt en het hele terrein omgeploegd tot weiland. Tegenwoordig herinnert alleen de boerderij van de familie Dooper die deel uitmaakte van de landerijen van Donia State ons nog aan deze "adellyke zathe" Donia State genaamd
Op 23 oktober 1866 werd deze advertentie in de Leeuwarder Courant geplaatst.

Op 3 september 1869 werd er in de Leeuwarder Courant een boeldag aangekondigd op Donia State.

Comments