Jezus Christus (of Jezus van Nazaret) is de belangrijke persoon die de wereld ooit gekend heeft. Geen ander heeft zoveel invloed op de mensheid gehad als deze leraar uit Galilea van eenvoudige komaf. Enkele feiten:
In zijn tijd stonden de mensen versteld van zijn leer. "Niemand heeft ons ooit zó onderwezen," zeiden ze.
Maar er is nog iets opmerkelijks aan Jezus en zijn onderwijs:
Dit maakt hem opmerkelijker dan andere leermeesters. Hij was iemand die de meest hoogstaande levenswandel predikte én in de praktijk bracht. Hij belichaamde wat hij zei. Hij was zonder twijfel een groot moreel leidsman, een voorbeeldig mens.
Maar er moet meer over Jezus gezegd worden. Als we alle uitspraken van Jezus bestuderen, dan moeten we concluderen, dat hij òf nog veel meer was dan een voorbeeldig mens, òf in feite veel minder dat dat.
Wat is namelijk het geval? Hij beweerde dingen die geen gezond mens zou beweren:
Alle vier evangeliën bruisen van de bovennatuurlijke uitspraken van Jezus. Als hij niet meer dan een leermeester was, dan was hij een zeer misleidend leraar.
De aanspraken die Jezus deed hebben vele Joden uit zijn tijd overtuigd. Ze hebben sceptici, politieke leiders, prostituées, vissers en tollenaars overtuigd, zoals de eerste volgelingen. Ze hebben gewelddadige tegenstanders overtuigd, zoals de briljante en fanatieke Saulus van Tarsus die een krachtige gelovige werd. Zij hebben miljoenen mensen over de hele wereld overtuigd, tot op de dag van vandaag. Momenteel is een derde van de wereldbevolking volgeling van Jezus Christus.
De stelling dat Jezus niet meer dan een morele leermeester was, is onhoudbaar. Zij gaat voorbij aan de helft van de uitspraken die hij deed. Als hij niet degene is die God een werkelijkheid is ons leven maakt, dan is hij of een onbetrouwbare leugenaar of een misleide dwaas. Meer mogelijkheden zijn er niet. Hoe waarschijnlijk zijn de verschillende opties?
We kunnen dus niet anders dan concluderen dat Jezus van Nazaret niet slechts een groot leermeester was, maar werkelijk degene was die hij beweerde te zijn: de zoon van God.
Tekstverwijzingen:
(1) Bij het zien van hun geloof zei Jezus tegen de verlamde: ‘Vriend, uw zonden worden u vergeven.’ (Marcus 2:5)
(2) Tomas antwoordde: ‘Mijn Heer, mijn God!’ (Johannes 20:28)
(3) Vanaf dat moment probeerden de Joden hem te doden, omdat hij niet alleen de sabbat ondermijnde, maar bovendien God zijn eigen Vader noemde, en zichzelf zo aan God gelijkstelde. (Johannes 5:18)
(4) Jezus zei: ‘Ik ben de weg, de waarheid en het leven. Niemand kan bij de Vader komen dan door mij. (Johannes 14:6)
(5) De Mensenzoon is gekomen om te zoeken en te redden wat verloren was.’ (Lukas 19:10)
(6) de Mensenzoon is niet gekomen om gediend te worden, maar om te dienen en zijn leven te geven als losgeld voor velen. (Marcus 10:45)
(7) Toen ze van de berg afdaalden, gebood Jezus hun: ‘Praat met niemand over wat jullie hebben gezien voordat de Mensenzoon uit de dood is opgewekt.’ (Matteüs 17:9)
(8) Niet iedereen die “Heer, Heer” tegen mij zegt, zal het koninkrijk van de hemel binnengaan, alleen wie handelt naar de wil van mijn hemelse Vader. Op die dag zullen velen tegen mij zeggen: “Heer, Heer, hebben wij niet in uw naam geprofeteerd, hebben wij niet in uw naam demonen uitgedreven, en hebben wij niet vele wonderen verricht in uw naam?” En dan zal ik hun rechtuit zeggen: “Ik heb jullie nooit gekend. Weg met jullie, wetsverkrachters!” (Matteüs 7:21-23)