GRAS = De greep (G), het raakpunt (R), de armactie (A) en de stand van het lichaam (S)
Grip bepaalt variatiemogelijkheid
Raakpunt bepaalt richting + timing
Armactie bepaalt balgedrag
Stand bepaalt biomechanische efficiëntie
GRAS = De greep (G), het raakpunt (R), de armactie (A) en de stand van het lichaam (S)
Grip bepaalt variatiemogelijkheid
Raakpunt bepaalt richting + timing
Armactie bepaalt balgedrag
Stand bepaalt biomechanische efficiëntie
Zie dit als een trechter: je begint breed (het spel)
en wordt steeds specifieker (techniek),
terwijl je blijft kijken of het werkt (observeren).
G = Grip
Welke grip gebruik je? (Continental = standaard in padel, soms lichte variatie)
R = Raakpunt
Waar raak je de bal? Voor je lichaam? Naast je? Boven je?
A = Armactie
Wat doet je arm? Kort/lang? Ontspannen? Polsgebruik? Rotatie?
S = Stand van het lichaam
Open of gesloten? Gewichtsoverdracht? Romprotatie?
Voorbereiding:
Schouderdraai, racket vroeg naar achter. Halfopen tot gesloten stand.
G = Continental
R = Voor het lichaam, heuphoogte
A = Lage naar hoge swing, ontspannen onderarm
S = Zijwaarts, gewicht van achter naar voor
Opmerking: Bal niet te laat raken → dan verlies je controle.
Voorbereiding:
Draaien en ruimte maken. Bal na glas laten zakken.
G = Continental
R = Iets verder achter het lichaam dan normale forehand
A = Compacte swing, controle boven kracht
S = Open stand mogelijk, lichaam laag
Opmerking: Geduld is cruciaal – niet te vroeg slaan.
Voorbereiding:
Snel indraaien en inschatten of bal uitgaat.
G = Continental
R = Naast of iets achter lichaam
A = Compact, gecontroleerd
S = Open, lage positie
Opmerking: Eerst positie, dan techniek.
Voorbereiding:
Schouders draaien, racket vroeg omhoog.
G = Continental
R = Voor het lichaam
A = Compact, vanuit schouderrotatie
S = Gesloten stand
Opmerking: Niet alleen met arm slaan → romp gebruiken.
Voorbereiding:
Bal via glas inschatten, laag blijven.
G = Continental
R = Iets verder achter dan normale backhand
A = Kort en gecontroleerd
S = Open of halfopen
Opmerking: Blijf laag voor stabiel contact.
G = Continental
R = Voor lichaam
A = Lage naar hoge, open racketblad
S = Gewicht naar achter, dan omhoog
Opmerking: Onder de bal komen.
G = Continental
R = Na stuit en glas, iets verder achter
A = Extra lift
S = Lage knieën
Opmerking: Timing is alles.
G = Continental
R = Voor lichaam
A = Van laag naar hoog
S = Gesloten stand
Opmerking: Niet forceren.
G = Continental
R = Iets achter lichaam
A = Compact en liftend
S = Open of halfopen
Voorbereiding:
Racket hoog, korte backswing.
G = Continental
R = Voor lichaam
A = Korte blokactie
S = Open, gewicht naar voren
Opmerking: Niet uithalen.
G = Continental
R = Voor lichaam
A = Blok, minimale swing
S = Licht gesloten
G = Continental
R = Voor lichaam
A = Zachte, absorberende actie
S = Voorwaarts
Opmerking: Racket iets openen.
G = Continental (lichte draai richting backhand)
R = Naast en iets voor lichaam
A = Snijdende zijwaartse actie
S = Zijwaarts, gewicht naar voor
Opmerking: Meer spin dan kracht.
G = Continental
R = Boven en voor lichaam
A = Explosief, polsactie
S = Zijwaarts → rotatie naar voren
Opmerking: Volledige lichaamsrotatie gebruiken.
G = Continental
R = Hoog en iets achter hoofd
A = Van achter naar voren met topspin
S = Rotatie + sprong mogelijk
Opmerking: Bal over glas laten stuiteren.
G = Continental
R = Voor lichaam
A = Zachte, korte swing
S = Open
Opmerking: Laag houden.
G = Continental
R = Voor lichaam, heuphoogte
A = Lage naar hoge swing
S = Zijwaarts, gewicht naar voor
Opmerking: 2e service meer spin.
G = Continental
R = Voor lichaam
A = Compact
S = Lage, stabiele positie
Opmerking: Focus op controle.
G = Continental
R = Iets achter lichaam
A = Compact
S = Open
Opmerking: Eerst positie kiezen.
G = Continental
R = Boven en iets voor lichaam
A = Compact, gecontroleerd, slice
S = Zijwaarts
Opmerking: Doel = positie behouden, niet winnen.
G = Continental
R = Na glas, boven schouderhoogte
A = Versneld naar beneden
S = Zijwaarts
Opmerking: Aanvallende overgangsslag.
Competentie Wat laat ik zien? Bewijs uit de training Ontwikkelpunt
Didactiek
Ik kan oefeningen uitleggen, voordoen en aanpassen
Korte oefenvormen gegeven, coaching cues gebruikt, differentiatie toegepast
Oefeningen soms rustiger en eenvoudiger aanbieden
Methodiek
Ik werk vanuit leerprincipes
Waarnemen – beslissen – uitvoeren toegepast
Nog bewuster koppelen aan leerdoel per oefening
Techniek
Inzicht in volley, forehand, backhand
Aandacht voor slagmoment, racketstand, positionering
Meer consistentie onder druk
Tactiek
Bewustzijn van positie en keuzes
Spelinzicht, variatie in tempo en richting
Sneller tactische keuzes herkennen
Differentiatie
Aanpassen aan niveau en situatie
Makkelijker/moeilijker maken per speler
Vooraf meer varianten voorbereiden
Coaching
Feedback geven en ontvangen
Actieve feedbackmomenten, reflectie met trainers
Nog gerichter feedback formuleren
Samenwerking
Leren in teamverband
Reflectie met meerdere trainers
Eigen leerpunten eerder uitspreken
Reflectie
Kritisch en leergericht
Concrete leerpunten benoemd
Leerdoelen explicieter formuleren
Professionele houding
Open, gemotiveerd, lerend
Actieve deelname, initiatief nemen
Ervaring verder uitbouwen in stage