Opdracht reflecteren
Leerdoelen
Je kan feedback vragen van de spelers en gebruiken voor ontwikkeling.
Je kan reflecteren op je eigen handelen.
Je kan je eigen ontwikkel/aandachtspunten benoemen.
Opdracht
Welke 3 beheersingscriteria zijn voor mij het moeilijkst?
Maak die geel in jouw print (zie bijlage).
Geef aan de hand van een (reeds eerder gemaakte) lesvoorbereiding een klassikale les en neem daarna de hele lijst met de beheersingscriteria door.
Geef per criterium aan of je dat aspect hebt gedaan (v) en hoe het ging (+/-) Gebruik hiervoor de in de voorbereiding geprinte versie.
Hoe ging het met de 3 door jou als ‘’moeilijk’’ gemarkeerde criteria?
Maak een verslag met de volgende gegevens:
Een verslag waarin je stap 1 en stap 2 van de opdracht nader toelicht.
Indicatie verslaggrootte: Halve pagina + de ingevulde bijlage (formulier beheersingscriteria)
BEHEERSINGSCRITERIA KLASSIKAAL LESGEVEN
Lesvoorbereiding
Geeft reële spelverwachting aan.
Beschreven denkstappen volgen elkaar logisch op.
Doelen zijn SMART omschreven.
De oefenvormen zijn geschikt voor het oefendoel.
De aandachtspunten/correcties zijn functioneel voor het oefendoel.
Informatie door gesprek:
Hanteert vraagtechnieken om relevante zaken over de spelers te weten te komen.
Vormt (voor zichzelf) algemeen beeld van de groep.
Maakt aantekeningen van wat hij van de spelers hoort.
Scouten:
Observeert het spel en de spelers.
Ziet de tactische waarde van de gespeelde ballen.
Noteert opvallende zaken per speler.
Stelt tijdens het scouten vragen om het beeld van de spelers te verbeteren.
Overleg met observator(en)
NB: dit overleg is zeer waardevol. Je dient jouw voorbereiding (1.) te koppelen aan de info uit het gesprek met de spelers (2.) en aan jouw observatie (3.). De conclusies dien je bij de observator te verwoorden.
Geeft algemeen spelbeeld.
Verwoordt de algemene motoriek van de spelers.
Vermeldt opvallende speelstijlen binnen de lesgroep.
Geeft zijn beeld van balans, racketbladcontrole en timing.
Verwoordt overeenkomsten en verschillen tussen voorbereiding en werkelijke beeld.
Weet door bovenstaande zaken te combineren tot antwoorden te komen.
Noemt consequenties (van scouten) voor de les.
Formuleert de definitieve SMART-doelen.
Kern A:
Legt eerst doel uit en dan pas de oefening en organisatie.
Geeft uitleg binnen één minuut.
Staat zichtbaar achter zijn boodschap.
Maakt de spelers enthousiast.
Gebruikt niet meer woorden dan nodig is.
Gebruikt methodische opbouw.
Bewaakt de succesbeleving van de spelers.
Past een ‘stap terug’ of ‘stap verder’ toe, t.b.v. succesbeleving of nieuwe uitdaging.
Gebruikt methodische hulpmiddelen die zichtbaar helpen.
Voorbeeld:
Doet de oefenvorm voor.
Doet de beweging voor.
Demonstreert accenten.
Geeft haalbaar voorbeeld in de stijl van de speler.
Doet voorbeeld in slow-motion voor.
Ziet tijdens het voorbeeld of de spelers aandachtig zijn.
Positie t.o.v. de spelers met oogcontact en zichtbare slagschouder en slagarm.
Correcties en controle:
Hanteert functionele correctie(s).
Correcties worden door leerlingen begrepen.
Doet de correctie zichtbaar en geaccentueerd voor.
Bekrachtigt door speler toegepaste correctie.
Corrigeert opnieuw als de speler het fout blijft doen (en is consequent).
Komt ook later in de les terug op de gegeven correctie.
Is in staat om voor hetzelfde probleem nog een andere correctie te bedenken.
Geeft speler de gelegenheid de correctie te voelen en te oefenen.
Aangeven (indien geen service-les):
Legt aangeeffunctie uit.
Demonstreert de essentie van het, voor dit oefendoel juiste, aangeven.
Bewaakt die kwaliteit van het aangeven.
Interactie:
Reageert op vragen en (non-verbale) reacties van de spelers.
Ziet of zijn uitleg wordt gevolgd en begrepen.
Hanteert terugkoppelingsvragen om ‘ontvangst’ van de boodschap te toetsen.
Geeft spelers ruimte om te reageren.
Komt positief over tijdens interactie.
Enthousiasmeert.
Kern B:
Legt het doel uit en dan de oefenvorm.
Tekent en/of demonstreert de situatie en de keuze.
Kiest een situatie die het geoefende centraal stelt.
Zorgt voor voldoende succesbeleving.
Zorgt dat alle spelers de desbetreffende situatie minimaal 7 keer
ervaren.
Let consequent op de toepassing van het geoefende en geeft
feedback.
Let op de situatieve reacties van de speler en gaat daarop in.
Afsluiting:
Volgt de beleving van de spelers tijdens het eindspel en reageert daarop.
Stelt concrete evaluatievragen aan spelers.
Vat zelf de inhoud van de les samen voor de groep.
Geeft vooruitblik naar volgende les.
Zorgt voor positieve houding van de spelers bij vertrek.
Evaluatie m.b.t. het resultaat
Koppelt het resultaat aan de oorspronkelijke doelen.
Bespreekt de concrete progressie van de spelers.
Noemt het resultaat bij de beste en de minste speler.
Evaluatie m.b.t. de aanpak (met observator)
Kijkt objectief terug naar het leerproces tijdens de aanpak.
Geeft aan welke correctie(s) het meest effectief was (waren).
Noemt een alternatief voor een andere effectieve aanpak.
Toont open denkwijze.
Zelfkritiek (met observator)
Noemt wat wel en niet goed ging in deze les.
Zoekt oorzaak eerst bij zichzelf en dan pas bij de groep.
Kan deze les vergelijken met andere eigen lessen.
Noemt (recente) persoonlijke doelen en kan die in relatie brengen
met deze les.