Tioga Pass - Death Valley


3 en 4 augustus 2007

 Tenaya Lake

 

Vandaag waren wij voor ons doen vroeg op pad. Om 9.00 uur ontbijt en om 10.00 uur stonden de koffers, tassen en koelbox in de auto en gingen wij op weg. De bedoeling was om via de Tioga Pass richting Bodie, een verlaten goudzoekerstadje, te rijden.

Die bedoeling lukte aardig, alleen het vergde veel meer tijd dan gedacht door al die prachtige uitzichten, waar je gewoon gedwongen werd om te stoppen. Om er maar eentje te noemen: het Tenaya Lake. Een schitterend diepblauw meer, waar je echt even met de blote teentjes moest pootjebaden. (Eigenlijk wel een vreemd woord, dat pootjebaden, alsof je op één pootje door het water aan het hinken bent. Logischer zou zijn pootjesbaden.)

Tioga Pass

 

Wij waren zo vol van al die schoonheid en van het feit, dat we ons op ruim drie kilometer hoogte bevonden, dat we die hele Pass niet bewust als pas hebben ervaren. Wij beseften pas dat we ‘m gepasseerd waren, toen in de verte het Mono Lake met zijn Tufa’s zichtbaar werd.

De begrippen adembenemend en overweldigend zijn absoluut niet toereikend, voor wat wij daar zagen. ‘Niet van deze wereld’ zou meer van toepassing zijn, maar dat kan natuurlijk niet, want het was juist duidelijk van deze wereld; wij konden het echt zien.

Ook hier hebben we weer te maken met hetzelfde probleem als bij foto’s. Hoe je het ook beschrijft, het is nooit toerijkend om die enorme schoonheid te kunnen overbrengen naar anderen toe, zoals jij die op dat moment ervaart. Het is echt behelpen met onze taal…

 Tioga Pass

Normaal gesproken werd Tommie pas actief vlak voor wij een stad binnenreden, om ons naar het motel te loodsen. Dit keer was hij vanaf de start al ingeschakeld, omdat hij me met de grootste precisie de aankomende bochten kon laten zien.

Toen we op een gegeven moment op de 395 reden richting Bodie, gaf Tommie aan dat we rechtsaf moesten slaan. Naar mijn idee was dat veel te vroeg, maar gezien het feit dat Tommie ons nog altijd voor de gewenste deur heeft laten stoppen, volgde ik de aanwijzing en sloeg af.

Nou, dat had ik achteraf gezien beter niet kunnen doen. Tommie had waarschijnlijk een iets kortere weg ontdekt, maar dat betekende wel een ongeveer drie keer langere dirt road. En wat voor een dirt road; een dirty dirt road. Op het dashboard van de TrailBlazer knipperde continue een vreselijk irritant lampje, dat aangaf, tenminste dat leek mij, dat de auto in een soort oneindige slip was terechtgekomen. En dat lampje had gewoon gelijk.

Ik weet niet meer precies hoe lang die dirt road was, maar in ieder geval meer dan tien mile, want toen we al een hele tijd aan het schuiven waren zag ik op een bord, dat we nog tien mile te gaan hadden.

Die weg was nog tot daar aan toe, maar toen het ook nog begon te regenen was het feest compleet. Wat zag die auto eruit…

Terug hebben we de ‘gewone’ dirt road genomen, deze was een stuk aangenamer en daar was dat lampje het helemaal mee eens.

 Bodie

Bodie, dat verlaten goudzoekerstadje, was heel leuk om doorheen te wandelen, alleen zou ik dat ‘verlaten’ maar gewoon vergeten. Er was een parkeerplaats bij, waar heel wat auto’s stonden en in dat stadje liepen toch wel wat mensen rond. Op dat moment was het daar echt niet verlaten.

Hoe dan ook, het stadje was meer dan de moeite waard. Even kunnen kijken in het kerkje, rondlopen in zo’n vervallen huisje en voor de ruit gapen van de kruidenier. Er is zelfs een rondleiding, maar daar waren wij net te laat voor. Bodie is echt een aanrader als je toch in de buurt bent en wat tijd over hebt.

 Mono Lake

De reis ging verder richting Mammoth Lakes, waar we zouden overnachten. Zonder problemen kwamen we daar ook eind van die middag aan, na nog een tussenstop gemaakt te hebben bij het Mono Lake, waar we nog wat gefotografeerd hebben.

Het hotel, Shilo Inn Suites, was snel gevonden, maar er was toch wel weer iets heel vreemds. Op verschillende borden stond: ‘Caution, snow or ice may fall from roof!’ En dat op 3 augustus, hartje zomer dus. De verklaring hiervoor bleek simpel te zijn, het was een echt wintersportplaatsje met veel sneeuwval in de winter en die waarschuwingsborden waren op alle muren, ramen en deuren met een soort superlijm vastgemaakt. Dus niet zo 1, 2, 3 even weg te halen.

 

Wel gebeurde er die avond nog iets schokkends en dat in het bijzonder voor Pascal.

Wij hadden een leuk restaurantje gevonden, Perrys Italian Cafe, en informeerden of er nog een plaatsje voor vier was. “Binnen of buiten?”, het maakte ons niet uit, als we maar een tafeltje hadden. Er werd wat moeilijk gedaan, maar uiteindelijk mochten we gaan zitten bij het laatste tafeltje op het uiteinde van het terras. Op dat moment viel het ons niet op, dat alle tafeltjes op het terras een grote parasol hadden, behalve die ene van ons. Nou, dat hebben we geweten.

Het voorgerecht was heerlijk en het hoofdgerecht om van te smullen en toen gebeurde het…

Een enorme dreun op de tafel, Pascal die wild om zich heen sloeg en ik, niet wetende wat er gebeurde, sprong direct van de stoel af. Echt, het leek wel een aanslag, maar dan van een dennenappel, en niet zo maar eentje, deze had wel zo’n twintig centimeter omvang. Pascal hoorde een geluid boven zich, keek omhoog en zag dat projectiel recht op zich afkomen. In een reflex heeft hij ‘m van zich afgeslagen, zonder op dat moment te weten wat het was.

Toen begrepen wij, waarom er bij elk tafeltje een parasol stond. Alleen waarom bij de onze niet, is ons nooit duidelijk geworden.

 

De volgende ochtend konden we het rustig aan doen, want ik wilde niet op het heetst van de dag in Death Valley aankomen. Dat lukte aardig, want wij kwamen zo eind van de middag bij Stove Pipe Wells Village aan en toen was het nog maar 46 graden in de schaduw.

Door de combinatie van hitte en wind, leek het net of je in een heteluchtoven stond. Niet, dat ik ooit in zo’n oven geweest ben, maar het lijkt me de beste omschrijving. Veel last had je er niet van, als je maar in de kamer bleef, de airco daar was echt fantastisch.

 

Nicole wilde die avond een verkoelend bad nemen en liet deze, om die reden vollopen. Tot haar verdriet was het koude water ook heet en dat was niet helemaal haar bedoeling. Goede raad is meestal erg duur, maar in dit geval zag zij een goedkope en zeer doeltreffende oplossing. In de koelbox zat nog een restant ijsblokjes van die dag en doortastend als zij is, heeft ze die maar in het bad gegooid. Mooi toch…

 Zabriskie Point

De dag daarop om ongeveer 10.00 uur, het was toen al 43 graden, vertrokken wij richting Las Vegas. Onderweg hebben we nog van een paar prachtige uitzichten kunnen genieten.

- Sand Dunes: Kleiner dan we verwacht hadden, door de foto’s op het internet dachten wij dat het veel omvangrijker zou zijn, maar toch imponerend. Ondanks de hitte hebben we toch de eerste duin beklommen om een beter uitzicht te hebben. Volgens Nicole en Tonnie was het zand bloedheet. Zij konden het weten, want zij droegen slippers…

- Zabriskie Point: Was even omhoog wandelen, maar zeer de moeite waard. Alleen al het bekijken van al die andere toeristen, vooral Japanners, die alles en vooral elkaar aan het fotograferen waren.

- Devils Golf Course: Zeer wijds.

- Badwater: Een enorme zoutvlakte met aan het begin een plas ‘slecht’ (lees: zout) water. Wat stonk het daar! Wel heel apart om te ervaren en zeer zeker de moeite waard.

 Badwater

Nu ging het echt richting Las Vegas, op weg naar wat waarschijnlijk onze mooiste ervaring zou gaan worden.

 

 

Gereden: 603 km.