Anderhalve maand na hun vertrek
uit Egypte raakte de voedsselvoorraad van de Israelieten op en in antwoord op
hun klacht beioofde God hun “brood uit de hemel” te geven. De volgende ochtend
toen de dauw opgetrokken was, Iag iets schilferachtigs over de woestijn, het
manna. EIke ochtend heeft het volk het verzameld, maar op de zesde dag moesten
zij genoeg verzamelen voor twee dagen. Mozes zei: “Dit is wat de HERE gezegd
heeft: een rustdag, een heilige sabbat is het morgen voor de HERE” Ex. 16:23).
Het is in verband met het geven
van het manna dat voor het eerst in de Bijbel gesproken is van de sabbatdag.
Daarna heeft God gedurende de woestilntocht veertig Jaar lang door middel van
het manna het weekpatroon geleerd: zes dagen werken en de zevende een heilige
dag voor de Here. Toen Hij zijn wet kort daarna vanaf de berg Sinaï verkondigde
was het sabbatgebod een van de Tien Geboden. Op basis hiervan sloot God een
verbond met Israël: Hij nam hen ais zijn heilige verbondsvolk aan op voorwaarde
dat zij hun belofte zouden houden: “AI de woorden, die de HERE gesproken heeft,
zullen wij doen” (Ex. 19:5,6; 24:3,8). Mozes ging de berg op
om de twee stenen tafelen, de
“tafelen van het verbond” (Deut. 9:9, 11, 15), van de Here te ontvangen en hij
kreeg instructies voor het maken van een tabernakel waar de Here onder zijn
volk zou wonen. Toen, voordat hij terugging tot het volk, herhaalde de Here met
kiem het sabbatgebod:
“Mijn sabbatten moet gij
onderhouden, want dat is een teken tussen Mij en u, van geslacht tot geslacht,
zodat gij weet, dat Ik de HERE ben, die u heilig... De Israëlieten zullen de
sabbat onderhouden, door de sabbat te vieren, zij en hun nagesIacht. ais een
altoosdurend verbond. Tussen Mij en de
!sraëlieten is deze een teken voor altoos, want in zes dagen heeft de HERE
de hemel en de aarde gemaakt en op de zevende dag heeft Hij gerust en adem
geschept”
(Ex. 3 1:12-17).
De betekenis van de sabbat
Die steeds terugkerende rustdag
had hen eraan moeten herinneren dat hun God de enige ware God was, de Schepper
van hemel en aarde, de God van goedertierenheid en trouw die hen verlost had,
en dat zil heilig moesten zijn zoals Hij. Leviticus 19, dat vertelt wat leven
ais Gods heilig volk inhoudt, begint met de woorden: “Heilig zuit gij zijn, want
Ik, de HERE, uw God, ben heilig. ieder zal voor zijn vader en moeder ontzag
hebben en miin sabbatten houden: Ik ben de HERE, uw God.”
In zijn herhaling van de geboden
in Deuteronomium Iaat Mozes nog een aspect zien van de betekenis van het
sabbatgebod: “Dan zult gij geen werk doen, gij noch uw zoon, noch uw dochter,
noch uw dienstknecht, noch uw dienstmaagd, noch uw vee, noch de vreemdeling die
in uw steden woont, opdat uw dienstknecht en uw dienstmaagd rusten zoals gij;
want gij zult gedenken, dat gij dienstknechten in het land Egypte geweest zijt,
en dat de HERE, uw God, u vandaar heeft uitgeIeid” (5:14,15). Voor iedereen
moest dit een dag zijn van verademing en rust van de arbeid en de zorgen van
elke dag, en ook een krachtige herinnering aan de goedheid van hun Schepper en
Verlosser.
De profeet Ezechiél zegt
hiervan:
“1k gaf hun mijn verordeningen —
de mens die ze opvolgt, zal daardoor leven. Ook gaf Ik hun mijn sabbatten als
een teken tussen Mij en hen, opdat zij zouden weten, dat Ik, de HERE, hen heilig”
(20: I I, 12,20). Toch heeft de meerderheid van het volk Gods geboden steeds
overtreden en zijn sabbatten ontheiligd. Zij hadden de verwoesting van
Jeruzalem en wegvoering in ballingschap nodig om hun hun afgoderij af te leren.
Israël heeft Gods verbond, het oude verbond te Sinaï gesloten, steeds gebroken.
Daarom heeft God door de profeet
Jeremia een nieuw verbond beloofd (31:31-33). Dit heeft Hij gesloten in de
offerdood van Zijn eniggeboren Zoon,
nu niet alleen met het volk
Israël maar ook met mensen uit alle volken die in Hem zouden geloven en
gehoorzamen Geldt het teken van het oude verbond de sabbat, nu ook voor dezen?
Het antwoord van het Nieuwe Testament hierop is: Nee. De joodse Christenen
bleven trouw aan de wet die God hun volk gegeven had, en sommigen van hen
probeerden die wet de niet Joodse gelovigen op te leggen. Lucas vertelt in
Handelingen 15 hoe de apostelen en oudsten te Jeruzalem vergaderden om deze
kwestie te beslissen en citeert in de verzen 23-29 de brief die werd geschreven
aan de nieuwe bekeerlingen onder de heidenen. Hierin staat geen gebod om een
sabbat te vieren.
Dit was een kwestie die sterk
leefde in de eerste gemeenten, die deels uit joodse en deels uit niet-Joodse
gelovigen bestonden, en Paulus vond het nodig die in enkele van zijn brieven te
behandelen. Zij mochten elkaar niet oordelen in deze zaak, zei hij. Hij schreef
bijvoorbeeld in zijn Romeinenbrief: “Deze stelt de ene dag boven de andere,
gene stelt ze alle gelijk. leder zij voor zijn eigen beseften voile overtuigd.”
Het gebod van de wet om de sabbat te houden was voor christenen evenmin van
kracht ais het gebod omtrent ‘onrein’ vlees en hij vervolgt:
“Wie aan een bepaalde dag hecht,
doet het om de Here, en wie eet, doet het om de Here, want hij dankt God; en
wie niet eet, laat het na om de Here en ook hij dankt God” (Rom. 14:2-6). Zo
ook in Colossenzen 2: 16:
“Laat dan niemand u blijven
oordelen inzake eten en drinken of op het stuk van een feestdag, nieuwe maan of
zijn, want Ik, de HERE, uw God, ben heilig. ieder zal voor zijn vader en moeder
ontzag hebben en miin sabbatten houden: Ik ben de HERE, uw God.”
In zijn herhaling van de geboden
in Deuteronomium Iaat Mozes nog een aspect zien van de betekenis van het
sabbatgebod: “Dan zult gij geen werk doen, gij noch uw zoon, noch uw dochter,
noch uw dienstknecht, noch uw dienstmaagd, noch uw vee, noch de vreemdeling die
in uw steden woont, opdat uw dienstknecht en uw dienstmaagd rusten zoals gij;
want gij zult gedenken, dat gij dienstknechten in het land Egypte geweest zijt,
en dat de HERE, uw God, u vandaar heeft uitgeIeid” (5:14,15). Voor iedereen
moest dit een dag zijn van verademing en rust van de arbeid en de zorgen van
elke dag, en ook een krachtige herinnering aan de goedheid van hun Schepper en
Verlosser.
De profeet Ezechiél zegt
hiervan:
“1k gaf hun mijn verordeningen —
de mens die ze opvolgt, zal daardoor leven. Ook gaf Ik hun mijn sabbatten als
een teken tussen Mij en hen, opdat zij zouden weten, dat Ik, de HERE, hen
heilig” (20: I I, 12,20). Toch heeft de meerderheid van het volk Gods geboden
steeds overtreden en zijn sabbatten ontheiligd. Zij hadden de verwoesting van
Jeruzalem en wegvoering in ballingschap nodig om hun hun afgoderij af te leren.
Israël heeft Gods verbond, het oude verbond te Sinaï gesloten, steeds gebroken.
Daarom heeft God door de profeet
Jeremia een nieuw verbond beloofd (31:31-33). Dit heeft Hij gesloten in de
offerdood van Zijn eniggeboren Zoon,
nu niet alleen met het volk
Israël maar ook met mensen uit alle volken die in Hem zouden geloven en gehoorzamen
Geldt het teken van het oude verbond de sabbat, nu ook voor dezen? Het antwoord
van het Nieuwe Testament hierop is: Nee. De joodse Christenen bleven trouw aan
de wet die God hun volk gegeven had, en sommigen van hen probeerden die wet de
niet Joodse gelovigen op te leggen. Lucas vertelt in Handelingen 15 hoe de
apostelen en oudsten te Jeruzalem vergaderden om deze kwestie te beslissen en
citeert in de verzen 23-29 de brief die werd geschreven aan de nieuwe
bekeerlingen onder de heidenen. Hierin staat geen gebod om een sabbat te
vieren.
Dit was een kwestie die sterk
leefde in de eerste gemeenten, die deels uit joodse en deels uit niet-Joodse
gelovigen bestonden, en Paulus vond het nodig die in enkele van zijn brieven te
behandelen. Zij mochten elkaar niet oordelen in deze zaak, zei hij. Hij schreef
bijvoorbeeld in zijn Romeinenbrief: “Deze stelt de ene dag boven de andere,
gene stelt ze alle gelijk. leder zij voor zijn eigen beseften voile overtuigd.”
Het gebod van de wet om de sabbat te houden was voor christenen evenmin van
kracht ais het gebod omtrent ‘onrein’ vlees en hij vervolgt:
“Wie aan een bepaalde dag hecht,
doet het om de Here, en wie eet, doet het om de Here, want hij dankt God; en
wie niet eet, laat het na om de Here en ook hij dankt God” (Rom. 14:2-6). Zo
ook in Colossenzen 2: 16:
“Laat dan niemand u blijven
oordelen inzake eten en drinken of op het stuk van een feestdag, nieuwe maan of
zijn, want Ik, de HERE, uw God, ben heilig. ieder zal voor zijn vader en moeder
ontzag hebben en miin sabbatten houden: Ik ben de HERE, uw God.”
In zijn herhaling van de geboden
in Deuteronomium Iaat Mozes nog een aspect zien van de betekenis van het
sabbatgebod: “Dan zult gij geen werk doen, gij noch uw zoon, noch uw dochter,
noch uw dienstknecht, noch uw dienstmaagd, noch uw vee, noch de vreemdeling die
in uw steden woont, opdat uw dienstknecht en uw dienstmaagd rusten zoals gij;
want gij zult gedenken, dat gij dienstknechten in het land Egypte geweest zijt,
en dat de HERE, uw God, u vandaar heeft uitgeIeid” (5:14,15). Voor iedereen
moest dit een dag zijn van verademing en rust van de arbeid en de zorgen van
elke dag, en ook een krachtige herinnering aan de goedheid van hun Schepper en
Verlosser.
De profeet Ezechiél zegt
hiervan:
“Ik gaf hun mijn verordeningen —
de mens die ze opvolgt, zal daardoor leven. Ook gaf Ik hun mijn sabbatten als
een teken tussen Mij en hen, opdat zij zouden weten, dat Ik, de HERE, hen
heilig” (20: I I, 12,20). Toch heeft de meerderheid van het volk Gods geboden
steeds overtreden en zijn sabbatten ontheiligd. Zij hadden de verwoesting van
Jeruzalem en wegvoering in ballingschap nodig om hun hun afgoderij af te leren.
Israël heeft Gods verbond, het oude verbond te Sinaï gesloten, steeds gebroken.
Daarom heeft God door de profeet
Jeremia een nieuw verbond beloofd (31:31-33). Dit heeft Hij gesloten in de
offerdood van Zijn eniggeboren Zoon,
nu niet alleen met het volk
Israël maar ook met mensen uit alle volken die in Hem zouden geloven en
gehoorzamen Geldt het teken van het oude verbond de sabbat, nu ook voor dezen?
Het antwoord van het Nieuwe Testament hierop is: Nee. De joodse Christenen
bleven trouw aan de wet die God hun volk gegeven had, en sommigen van hen
probeerden die wet de niet Joodse gelovigen op te leggen. Lucas vertelt in Handelingen
15 hoe de apostelen en oudsten te Jeruzalem vergaderden om deze kwestie te
beslissen en citeert in de verzen 23-29 de brief die werd geschreven aan de
nieuwe bekeerlingen onder de heidenen. Hierin staat geen gebod om een sabbat te
vieren.
Dit was een kwestie die sterk
leefde in de eerste gemeenten, die deels uit joodse en deels uit niet-Joodse
gelovigen bestonden, en Paulus vond het nodig die in enkele van zijn brieven te
behandelen. Zij mochten elkaar niet oordelen in deze zaak, zei hij. Hij schreef
bijvoorbeeld in zijn Romeinenbrief: “Deze stelt de ene dag boven de andere,
gene stelt ze alle gelijk. leder zij voor zijn eigen beseften voile overtuigd.”
Het gebod van de wet om de sabbat te houden was voor christenen evenmin van
kracht ais het gebod omtrent ‘onrein’ vlees en hij vervolgt:
“Wie aan een bepaalde dag hecht,
doet het om de Here, en wie eet, doet het om de Here, want hij dankt God; en
wie niet eet, laat het na om de Here en ook hij dankt God” (Rom. 14:2-6). Zo
ook in Colossenzen 2: 16:
“Laat dan niemand u blijven
oordelen inzake eten en drinken of op het stuk van een feestdag, nieuwe maan of
sabbat, dingen die slechts
een schaduw zijn van hetgeen komen moest.” Paulus noemt hier de drie soorten
heilige sabbatten onder de wet van Mozes, de wekelijkse, de maandelijkse en de
drie jaarlijkse feesten (zie 1 Kron. 23:31; 2 Kron. 3 1:3).
De Here Jezus had gezegd:
“De sabbat is gemaakt om de mens, en niet de mens om de sabbat” (Marc. 2:27).
De wekelijkse rustdag voor het hele volk, ais teken van Gods verbond met hen,
was een prachtige instelling voor lsraël en zal dat zijn voor alle volken
wanneer zij God leren
gehoorzamen. Maar in de tussentijd is de toestand heel anders. De christenen
waren een kleine minderheid onder de heidense volken, die geen rustdag kenden.
Sommige waren slaven die helemaal niet vrij waren om een sabbatdag te vieren,
anderen zouden een ongelovige partner of familie hebben. De vervolging van
christenen was erg genoeg zonder de zware last van een verplichte sabbatdag er
bovenop te leggen. Het is dus begrijpelijk dat er een nieuw teken zou komen om
Christus’ volk te herinneren aan het nieuwe verbond dat in zijn offerdood
gesloten is.
Het teken van het nieuwe verbond
De eerste drie evangeliën
vertellen van het herinneringsmaal dat de Here op
de vooravond van zijn dood heeft
ingesteld en de apostel Paulus schrijft van wat hem daarover door de herrezen
Here is overgeleverd om aan de gemeenten door te geven: “dat de Here Jezus in
de nacht, waarin Hij werd overgeleverd, een brood nam, de dankzegging uitsprak,
het brak en zeide: Dit is mijn lichaam voor u, doet dit tot mijn gedachtenis.
Evenzo ook de beker, nadat de maaitijd afgelopen was, en Hij zeide: Deze beker
is het nieuwe verbond in mijn bloed, doet dit, zo dikwijls gij die drinkt, tot
mijn gedachtenis. Want zo dikwijls gij dit brood eet en de beker drinkt, verkondigt
gij de dood des Heren, totdat Hij komt” (1 Cor. 11:23-26).
Paulus’ woorden “zo dikwijls”
geven de indruk dat Christus verwachtte dat zijn discipelen vaak en regelmatig
zijn offerdood op deze manier zouden gedenken. En dat deden de gelovigen te
Corinthe ook, want Paulus schreef van hen “wanneer gij als gemeente samenkomt”
(vn. 18,20). De “maaitijd des Heren” maakte in die tijd deel uit van een
gezamenlijke maaitijd, de ‘agape’ of het liefdemaal, maar praktijken zoals
Paulus hier beschrijft zullen ertoe hebben geleid dat het avondmaal later ais
aparte plechtigheid werd gevierd. Het drukte ook de eenheid van de gemeente uit
in haar gemeenschap met het lichaam en het bloed van de Here(1 Cor. 10:16,17).
Lucas geeft vier belangrijke
aspecten van het geloof van de eerste gelovigen te kennen: “Zij bleven
volharden bil het onderwijs van de apostelen en de gemeenschap, het breken van
het brood en de gebeden... en voortdurend waren zij elke dag eendrachtig in de
tempel, braken het brood aan huis en gebruikten hun maaitijden met blijdschap
en eenvoud des harten” (Hand. 2:42,46). Hun gemeenteleven werd dus gekenmerkt
door gezamenlijke aanbidding en getuigenis in de tempelhoven, met daarbij de
viering van het
vondmaal in hun huizen. Er wordt
soms beweerd dat brood breken hier gewoon eten betekent (zoals bijv. in Hand.
27:35), maar Lucas zou het toch niet nodig vinden te zeggen dat zij naar huis
gingen om te eten!
Hij beschrijft in Handelingen
20:7 een ontroerende gelegenheid voor de gemeente te Troas, toen zij “op de
eerste dag der week samengekomen waren om brood te breken” en Paulus een
vaarwel toespraak heeft gehouden die duurde tot middernacht. De eerste dag van
de week zou na zonsondergang op zaterdag beginnen, aan het eind van de Joodse
sabbat — vermoedelijk de meest geschikte tijd voor iedereen, inclusief slaven,
om samen te komen. Lucas’ vermelding van de dag en het doel van de samenkomst,
“0m brood te breken”, doet denken dat dit de gebruikelijke tijd was om samen te
komen voor de maaltijd des Heren het spreekt vanzelf dat de gemeente bij zo’n
gewichtige gelegenheid niet zou samenkomen alleen om een gewone maaltijd te
houden! Zou dit niet aanduiden dat het toen al de gewoonte was om de maaltijd
des Heren op de eerste dag van de week te vieren, zoals het aan het begin van
de tweede eeuw was?
Brood uit de hemel
God gaf Israël de sabbatdag eerst
in verband met zijn geven van “brood uit de hemel” en na het sluiten van zijn
verbond heeft Hij de sabbat geboden als het eeuwige teken daarvan voor het
volk. Toen Hij “het ware brood uit de hemel” gaf, ging ook dit gepaard me:
een nieuw verbond, en het teken
hiervan voor Christus’ volk is het eten van het brood en het drinken van de
wijn. symbolen van het lichaam en het levensbloed van de Here die Hij voor hen
gegeven heeft. “Gij zijt gekocht en betaald. Verheerlijkt dan God met uw
lichaam.” De symbolen van brood en wijn herinneren aan de geestelijke betekenis
van Jezus’ woorden na de spijziging van de vijf duizend: “Het brood, dat k
geven zal, is mijn vlees, voor het leven der wereld... Tenzij gij
“Doet dit tot mijn gedachtenishet vlees van de Zoon des mensen eet en zijn
bloed drinkt hebt gij geen Ieven in uzelf... Wie mijn vlees eet en mijn bloed
drinkt, blijft in Mij en ik in hem” (Joh. 6:48-58).
Geen dag werd vastgesteld voor
het vieren van het avondmaal, maar de woorden van de Here: “Doet dit tot mijn
gedachtenis” en van Paulus: “Zo dikwijls” gij dit doet “verkondigt gij de dood
des Heren totdat Hij komt”, komen overeen met de praktijk in de vroege gemeente
het feestmaal wekelijks te houden. Het voorziet immers in onze behoefte om
Christus’ offer en onze roeping in Hem steeds in herinnering te houden, de
gezamenlijke gemeenschap met Hem regelmatig tot uiting te brengen en daarmee
het lever van geloof en gemeenschap met Hem dat Hij van ons vraagt.