Voor iedere christen is Gods Koninkrijk van zeer groot belang. Want het
allereerste verzoek dat wij in onze gebeden aan God doen is, volgens Jezus, of
Gods Koninkrijk spoedig mag komen: "Uw Koninkrijk kome; uw wil geschiede,
gelijk in de hemel alzo ook op de aarde."
“laat uw koninkrijk komen en uw
wil gedaan worden op aarde zoals in de hemel.” (Mt 6:10)
Ook heeft Christus bevolen: "Zoekt eerst Gods Koninkrijk en zijn
gerechtigheid, dan zullen al die andere dingen je erbij gegeven worden.”
(Mt 6:33)
Er is al in de geschiedenis van Israël een
koninkrijk Gods op aarde geweest. God koos David en zijn opvolgers om namens
Hem te Jeruzalem op wat men "de troon des Heren" noemde te regeren.
Die kleine theocratie kwam ten einde, maar God beloofde het Koninkrijk weer te
herstellen onder Davids veel grotere Zoon.
“En uit al mijn zonen–de HEER
heeft mij immers veel zonen gegeven–verkoos hij mijn zoon Salomo om plaats te
nemen op de troon van de heerschappij van de HEER over Israël.” (1Kr 28:5)
“Zo besteeg Salomo de troon van de HEER en volgde hij zijn vader
David als koning op. Hij ondervond geen tegenstand en heel Israël accepteerde
hem.” (1Kr 29:23)
“(21:31) Dit zegt God, de HEER: Weg met je tulband, zet af die
kroon! Niets blijft hetzelfde, wat laag is wordt hoog, wat hoog is wordt laag.
(21:32) Puin, puin, niets dan puin blijft er over, maar eerst moet hij nog
komen aan wie ik het oordeel toevertrouw.” (Eze 21:26-27)
“(9:4) Iedere laars die dreunend stampte en elke mantel waar bloed
aan kleeft, ze worden verbrand, een prooi van het vuur. (9:5) Een kind is ons
geboren, een zoon is ons gegeven; de heerschappij rust op zijn schouders. Deze
namen zal hij dragen: Wonderbare raadsman, Goddelijke held, Eeuwige vader,
Vredevorst.” (Jes 9:5-6)
“Hij zal een groot man worden en Zoon van de Allerhoogste worden
genoemd, en God, de Heer, zal hem de troon van zijn vader David geven. Tot in
eeuwigheid zal hij koning zijn over het volk van Jakob, en aan zijn koningschap
zal geen einde komen.’” (Lu 1:32-33)
De hoofdstad van dit Koninkrijk zal Jeruzalem
zijn.
“‘Ikzelf heb mijn koning
gezalfd, op de Sion, mijn heilige berg.’” (Ps 2:6)
“Uit Sion reikt de HEER u de scepter van de macht, u zult heersen
over uw vijanden.” (Ps 110:2)
“In die tijd zal men Jeruzalem “Troon van de HEER” noemen. Alle
volken zullen er samenstromen, ze zullen op de naam van de HEER afkomen en zich
niet meer laten leiden door hun koppig en boosaardig hart.” (Jer 3:17)
“noch bij de aarde, want dat is zijn voetenbank, noch bij Jeruzalem,
want dat is de stad van de grote koning;” (Mt 5:35)
De regeerders van dit Koninkrijk zullen
gelovigen zijn die bij Christus' wederkomst onsterfelijkheid en regeringsmacht
van Hem ontvangen.
“Een koning die rechtvaardig
regeert en leiders die leiden volgens het recht” (Jes 32:1)
“Hem werden macht, eer en het koningschap verleend, en alle volken
en naties, welke taal zij ook spraken, dienden hem. Zijn heerschappij was een
eeuwige heerschappij die nooit ten einde zou komen, zijn koningschap zou nooit
te gronde gaan.” (Da 7:14)
“Het koningschap, de heerschappij en de grootheid van alle
koninkrijken onder de hemel zullen gegeven worden aan het volk van de heiligen
van de hoogste God. Zijn koningschap is een eeuwig koningschap en alle machten
zullen hem dienen en gehoorzamen.”” (Da 7:27)
“Jezus zei tegen hen: ‘Ik verzeker jullie: wanneer de tijd
aanbreekt dat alles vernieuwd wordt, wanneer de Mensenzoon in zijn majesteit
zal zetelen op zijn troon, zullen ook jullie die mij gevolgd zijn plaatsnemen op
de twaalf tronen en rechtspreken over de twaalf stammen van Israël.” (Mt 19:28)
“Zijn meester zei: “Voortreffelijk, je bent een goede dienaar.
Omdat je betrouwbaar bent geweest in iets zeer gerings verleen ik je het
bestuur over tien steden.”” (Lu 19:17)
“Tegen hem zei hij: “Jij krijgt het bestuur over vijf steden.””
(Lu 19:19)
“als wij volharden, zullen we ook met hem heersen; als wij hem
verloochenen, zal hij ons ook verloochenen;” (2Ti 2:12)
“Wie overwint en mij navolgt tot het einde, zal ik macht geven
over alle volken.” (Opb 2:26)
“Ook zag ik tronen, en aan hen die erop zaten werd recht gedaan.
Het zijn de zielen van hen die onthoofd waren omdat ze van Jezus hadden getuigd
en over God hadden gesproken; zij hadden het beest en zijn beeld niet aanbeden
en ook zijn merkteken niet op hun voorhoofd of hun hand gekregen. Zij waren tot
leven gekomen en heersten duizend jaar lang samen met de messias.” (Opb 20:4)
De onderdanen in dit Koninkrijk zullen bestaan
uit sterfelijke mensen die Gods oordeel over de wereld bij Christus'
verschijning hebben overleefd. Onder hen zullen de Joden een bevoorrechte
plaats innemen.
“Grote en machtige volken zullen
naar Jeruzalem komen om daar de HEER van de hemelse machten te vereren en zijn
gunst af te smeken. En dit zegt de HEER van de hemelse machten: Als die tijd is
gekomen, zullen tien mannen uit volken met verschillende talen een Joodse man
bij de slip van zijn mantel grijpen met de woorden: “Wij willen ons bij u
aansluiten, want we hebben gehoord dat God bij u is.”’” (Zac 8:22-23)
“De overlevenden van de volken die Jeruzalem hebben belaagd,
zullen dan jaarlijks naar de stad komen om de HEER van de hemelse machten als
koning te vereren en het Loofhuttenfeest te vieren.” (Zac 14:16)
“Reikhalzend kijk ik naar u uit, zelfs ‘s nachts verlang ik naar
u. Wanneer u een oordeel over de wereld velt, zullen de mensen op aarde
gerechtigheid leren.” (Jes 26:9)
Door een rechtvaardige doch strenge
heerschappij zullen Christus en zijn heiligen de samenleving op aarde grondig
veranderen, zodat mensen leren in Gods wegen te wandelen en de zegeningen
daarvan te genieten.
“machtige naties zullen zeggen:
‘Laten we optrekken naar de berg van de HEER, naar de tempel van Jakobs God.
Hij zal ons onderrichten, ons de weg wijzen, en wij zullen zijn paden
bewandelen.’ Vanaf de Sion klinkt zijn onderricht, vanuit Jeruzalem spreekt de
HEER. Hij zal rechtspreken tussen de volken, over machtige naties een oordeel
vellen. Zij zullen hun zwaarden omsmeden tot ploegijzers en hun speren tot
snoeimessen. Geen volk zal nog het zwaard trekken tegen een ander volk, geen
mens zal meer weten wat oorlog is.” (Jes 2:3-4)
“Maar uit de stronk van Isaï schiet een telg op, een scheut van
zijn wortels komt tot bloei. De geest van de HEER zal op hem rusten: een geest
van wijsheid en inzicht, een geest van kracht en verstandig beleid, een geest
van kennis en eerbied voor de HEER. Hij ademt eerbied voor de HEER; zijn
oordeel stoelt niet op uiterlijke schijn, noch grondt hij zijn vonnis op
geruchten. Over de zwakken velt hij een rechtvaardig oordeel, de armen in het
land geeft hij een eerlijk vonnis. Hij tuchtigt de aarde met de gesel van zijn
mond, met de adem van zijn lippen doodt hij de schuldigen. Hij draagt
gerechtigheid als een gordel om zijn lendenen en trouw als een gordel om zijn
heupen. Dan zal een wolf zich neerleggen naast een lam, een panter vlijt zich
bij een bokje neer; kalf en leeuw zullen samen weiden en een kleine jongen zal
ze hoeden. Een koe en een beer grazen samen, hun jongen liggen bijeen; een
leeuw en een rund eten beide stro. Bij het hol van een adder speelt een
zuigeling, een kind graait met zijn hand naar het nest van een slang. Niemand
doet kwaad, niemand sticht onheil op heel mijn heilige berg. Want kennis van de
HEER vervult de aarde, zoals het water de bodem van de zee bedekt. Op die dag
zal de telg van Isaï als een vaandel voor alle volken staan. Dan zullen de
volken hem zoeken en zijn woonplaats zal schitterend zijn.” (Jes 11:1-10)
Aan het einde van Christus' vrederijk zal het
laatste oordeel plaatsvinden van de bewoners van de aarde die gedurende die
periode hebben geleefd. Degenen die de eeuwige dood verdienen zullen weer, en
ditmaal voorgoed, sterven. De overigen, wier namen opgeschreven zijn in Gods
boek ten leven, zullen onsterfelijkheid ontvangen. Aldus zal Gods grote
heilsplan met de mensen voltooid worden en Hij en zijn Zoon zullen tot in alle
eeuwigheid met hen wonen.
“Ik zag de doden, jong en oud,
voor de troon staan. Er werden boeken geopend. Toen werd er nog een geopend:
het boek van het leven. De doden werden op grond van wat in de boeken stond
geoordeeld naar hun daden.” (Opb 20:12)
“Toen werden de dood en het dodenrijk in de vuurpoel gegooid. Dit
is de tweede dood: de vuurpoel. Wie niet in het boek van het leven bleek te
staan werd in de vuurpoel gegooid.” (Opb 20:14-15)
“Want hij moet koning zijn totdat ‘God alle vijanden aan zijn
voeten heeft gelegd’. De laatste vijand die vernietigd wordt is de dood, want
er staat: ‘Hij heeft alles aan zijn voeten gelegd.’ Wanneer er ‘alles’ staat,
is dat natuurlijk uitgezonderd degene die alles aan hem onderwerpt. En op het
moment dat alles aan hem onderworpen is, zal de Zoon zichzelf onderwerpen aan
hem die alles aan hem onderworpen heeft, opdat God over alles en allen zal
regeren.” (1Co 15:25-28)