Door zijn hele loopbaan van rechtschapenheid jegens God,
waarbij ook het brengen van zijn slachtoffer inbegrepen is, heeft Jezus
Christus de ’ene daad van rechtvaardiging’ verricht die bewees dat hij bevoegd
was om als Gods gezalfde Koning-Priester in de hemel te dienen (Romeinen 5:17,
18). Door zijn opstanding uit de doden tot leven als een hemelse Zoon van God
werd hij „rechtvaardig verklaard in geest” (1Timotheus 3:16). Hemelse
schepselen verkondigden dat hij „waardig [was] de kracht en rijkdom en wijsheid
en sterkte en eer en heerlijkheid en zegen te ontvangen” als iemand die
enerzijds gelijk een leeuw opkwam voor recht en gerechtigheid en zich
anderzijds ook als een lam had opgeofferd om anderen te redden (Openbaring
5:5-13). Hij had zijn voornaamste doel, het heiligen van zijn Vaders naam,
volbracht (Mattheus 6:9; 22:36-38). Dit deed hij niet alleen door die naam te
gebruiken, maar ook door te laten zien wie de Persoon was die erdoor wordt vertegenwoordigd,
door zijn Vaders schitterende hoedanigheden — zijn liefde, wijsheid,
gerechtigheid en macht — tentoon te spreiden, waardoor hij het mensen mogelijk
maakte te weten of te ervaren waar Gods naam voor staat (Mattheus 11:27;
Johannes 1:14, 18; 17:6-12). En bovenal deed hij dit door Jehovah’s universele
soevereiniteit hoog te houden en te tonen dat zijn eigen Koninkrijksregering
hecht op die Allerhoogste Bron van autoriteit gegrondvest zou zijn. Daarom kon
van hem worden gezegd: „God is uw troon in alle eeuwigheid.” — Hebreeën 1:8.
Toen Jehovah zijn eniggeboren Zoon uitkoos, was dat
natuurlijk geen kwestie van ’hem haastig de handen opleggen’, met het risico
dat Jehovah ’deel zou hebben aan mogelijke zonden’, want Jezus was geen
nieuweling, die misschien ’opgeblazen zou worden van trots en in het oordeel
zou vallen dat over de Duivel werd geveld’. (Vgl. 1 Timotheus 5:22; 3:6.)
Jehovah ’kende zijn Zoon volledig’ en kon hem de toewijzing geven de onfeilbare
profetieën van Zijn Woord te vervullen (Jesaja 46:10, 11). Derhalve vormde
eenvoudig het feit dat God zijn Zoon de rol van de voorzegde Messias liet
vervullen, geen automatische waarborg voor „stellig succes” (Jesaja 55:11),
zoals door voorstanders van de predestinatieleer wordt beweerd.
Hoewel de Zoon nog nooit een beproeving had ondergaan
zoals die welke nu voor hem in het verschiet lag, had hij zijn getrouwheid en
toewijding wel op andere manieren gedemonstreerd. Hij had reeds grote
verantwoordelijkheid gedragen als Gods Woordvoerder, het Woord. Toch had hij
zijn positie en autoriteit nooit misbruikt, zoals Gods aardse woordvoerder
Mozes dit bij één gelegenheid had gedaan (Numerieken 20:9-13; Deuterononmium
32:48-51; Ju 9). Aangezien de Zoon degene was door bemiddeling van wie alle
dingen waren gemaakt, was hij een god, „de eniggeboren god” (Johannes 1:18);
daarom nam hij een eervolle en superieure positie onder al Gods andere
geestenzonen in. Toch werd hij niet hoogmoedig. (Zie in tegenstelling daarmee
Ezechiël 28:14-17.) Er kon dus niet worden gezegd dat de Zoon zijn loyaliteit,
nederigheid en toewijding niet reeds in vele opzichten had bewezen.
Jezus gaf zijn lichaam en zijn bloed ten behoeve van zijn
discipelen en ter bekrachtiging van het nieuwe verbond, waardoor hun zonden
uitgewist werden (Jeremia 31:31-34; Hebreeën 8:10-12; 12:24). Jezus had geen
zonden (Hebreeën 7:26). Hij is de Middelaar van het nieuwe verbond tussen
Jehovah God en de uitverkorenen, die met hem verbonden zullen zijn (Hebreeën
9:15). Behalve de bij die maaltijd aanwezige apostelen zouden er nog anderen
tot het geestelijke „Israël Gods” of de „kleine kudde” behoren, waarvan de
leden ten slotte koningen en priesters met Christus zouden zijn (Galaten 6:16;
Lukas12:32; Openbaring 1:5, 6; 5:9,
10). Alle geestelijke broeders van Christus op aarde zouden daarom iedere keer
dat het Avondmaal wordt gevierd, daaraan deelnemen. Zij worden „zekere
eerstelingen van zijn schepselen” genoemd (Jakobus 1:18), die als „eerstelingen
voor God en voor het Lam” uit het midden van de mensen werden gekocht, en in
het visioen van Johannes wordt onthuld dat hun aantal 144.000 bedraagt. —
Openbaring 14:1-5.
(1 Petrus 2:21-22): 22 Hij heeft geen zonde begaan, noch
werd er bedrog in zijn mond gevonden.