Op 17 december 1762 kwam bij het Kamper stadsbestuur een verzoek binnen, waarin wanhoop doorschemerde. Het betrof een driededig verzoek tot 1. scheiding van tafel en bed, 2. onder curatelestelling en 3. het benoemen van voogden. Wat was er aan de hand?
Het verzoek
Jacobus van Peenen was in 1762 getrouwd met Catharina (Caatje) de Reuse, een weduwe met drie zoons. Inmiddels hadden Jacob en Caatje samen een dochter, Maria. Volgens Jacob begon zijn vrouw steeds meer verschijnselen van krankzinnigheid te vertonen. In december 1762 was het gedrag van Caatje zo roekeloos geworden, dat het voor Jacob en dochter Maria niet langer mogelijk was in de samenleving (financieel) te overleven. Vandaar dit met ''innige smerte'' (= diep verdriet) gedane verzoek aan de Raad. Deze stemde in met alle onderdelen van het verzoek. Ook de drie door Jacob voorgesteld curatoren werden aangesteld.
Wie was Catharina (Caatje) de Reuse?
De zoektocht naar Caatje was niet eenvoudig, omdat er meerdere Catharina de Reuse's tegelijk in Kampen woonden en er in de bestaande overzichten (waarschijnlijk) verwarring bestaat over Caatje.
Catharina de Reuse was het jongste kind in het gezin van Johannes (Jan ) de oude de Reuse (Kpn 1690-1752) en Clara Lindemans (Kpn 1680-1749). Caatje had twee zussen, Henrica en Wilhelmina, en broer Jan de jonge de Reuse.
Op 21 mei 1747 trouwde Caatje in de Broederkerk met Petrus (Pieter) van Klaveren, zoon van een garenfabrikant in Gouda. Er zijn veel Van Klaverens in Gouda en daaronder verschillende Pieters, maar over ''onze'' Pieter was alleen te vinden dat hij op 30 maart 1747, dus nog voor zijn trouwen met Caatje, vergunning aanvroeg om een spinnerij te beginnen op het Bolwerk aan de Venepoort. Hij verwees daarbij naar zijn vader, die in Gouda ook een spinnerij van mattengarens exploiteerde. Pieter kreeg toestemming om een spinnerij te starten, maar de locatie werd ''achter de molenbelt langs de stadsmuur bij de Venepoort''. Waarschijnlijk kwam het plan niet van de grond.
Gouda
Vanaf 1750 woonden Pieter en Caatje in Gouda. Daar werden met tussenpozen van enkele jaren hun drie zoons geboren. Johannes (1750) werd net als zijn vader en grootvader kleingarenfabrikant; Andries (1756) werd hoedenmaker; Hendrik (1762) werd pijpenmaker. Waarschijnlijk was Pieter van Klaveren al overleden voor de geboorte van zijn jongste zoon op 10 januari 1762.
Terug in Kampen
Nog in het zelfde jaar 1762 hertrouwde Caatje met Jacobus van Peenen. De familienaam Van Peenen is bekend in Gouda, maar deze Jacobus van Peenen is niet te vinden. Caatje een Jacobus kregen een dochter: Maria. In de loop van 1762 vertoonde Caatje, volgens Jacobus, toenemende kenmerken van krankzinnigheid. Dit uitte zich o.a. in ''buitensporig gedrag en levenswijze'', waardoor de toch al geringe financiële middelen van Caatje uitgeput raakten. Ingrijpen werd hierdoor noodzakelijk, vandaar het verzoek aan de raad om curatoren aan te stellen.
De curatoren
Het beheer van Caatjes financiën kwam nu in handen van Mathijs van Romunde, Hendrik Croese en Simon Schuirmeijer. Ook werden zij aangesteld als voogden over dochtertje Maria van Peen(en). De curatoren komen uit de directe familie- en vriendenkring rond Caatje. Net als de familie De Reuse zijn zij alle drie van katholieke huize.
Na het overlijden van Caatje'd moeder Clara Linderman, in 1742, was Mathijs van Romunde één van de voogden over de toen nog minderjarige dochters Wilhelmina (1718) en Catharina de Reuse (1723). Twintig jaar later nam hij deze rol opnieuw op zich. Hendrik Croese en Simon Schuirmeijer waren verwant aan Caatje.
Vrijwel direct begonnen de curatoren met het verkopen van vaste goederen (huizen). In februari 1753 werd een huis in de Venestraat verkocht. Uit 1786 stamt een laatste vermelding in de Kamper archieven. De twee overgebleven curatoren, Van Romunde en Croese, verkochten voor f 100 een kleine, laaggelegen tuin aan de Panjansteeg uit het eigendom van Catharina de Reuse, weduwe Van Peenen. Dochter Maria werd niet meer vermeld.
In 1787 stierf Catharina de Reuse in Gouda, zij werd 64 jaar oud. Waren de f 100 nodig geweest om haar verblijf in het tuchthuis te betalen?
Krankzinnig?
Blijkbaar was het gedrag van Caatje niet naar de wens van haar echtgenoot. Maar was zij ook krankzinnig? Stel dat Caatje zonder haar drie zoons, want daarover wordt niet gesproken, in Kampen woonde. Had zij misschien grote heimwee naar Gouda?Jongste zoon Hendrik was tenslotte nog maar een baby geweest.
Een andere mogelijkheid is dat Caatje leed aan een (post-natale) depressie. Zij was weduwe geworden van Pieter van Klaveren en korte tijd later hertrouwd met Jacobus van Peenen. In 1672 beviel zij twee keer: Hendrik van Klaveren werd geboren op 10 januari en Maria van Peenen zal in de laatste maanden van 1762 geboren zijn. Daarbij woonde Caatje, waarschijnlijk zonder haar zoons, in Kampen. Meer dan genoeg heftige levensgebeurtenissen in korte tijd om het spoor enigszins kwijt te raken. Allemaal prikkels voor een (post-natale) depressie.
Opmerkelijk is dat Caatje overleed in Gouda. Was zij daar opgenomen in het tuchthuis? Caatje zou daarmee niet de eerste Kamper vrouw zijn, die op last van (mannelijke) familieleden in Gouda werd opgenomen.
Het is ook mogelijk dat zij woonde bij één van haar drie zoons. Maar waarom namen de zoons dan niet de curatele over van de ooit benoemde en nu bejaarde Kampenaren?