Tanneke Blox

(? - 1641)

Tanneke Blox erf

Waar nu de Zuiderzeehaven is, lag vroeger op het Haatland ''Tanneke Blox Erf'' (erf 67). De geschiedenis van erf 67 is nauw verbonden met die van erf 66, ''Erf waarop het Spijker staat".

1e generatie Joris Jacobsz. Bey

Samen met Peter Offenberg kwam in 1595 Joris Jacobs, ''meyster van Verwerije'' (= meester lakenverver) vanuit Haarlem naar Kampen. In 1601 verpachtte het Kamper stadsbestuur met ingang van Petri (22 februari) 1604 een deel van de erven op het Haatland voor vijftig (!) jaar aan Peter Offenberg, Joris Jacobsz Bey en Jacob Jacobsz Hinlopen. Nadat de overeenkomst geregeld was, maakten het stadsbestuur en de nieuwe huurders een rijtoer rondom het Haatland en de Kruishoper slagen. Joris Jacobs Bey bezat een eigen huis in de stad. Daarnaast liet hij in 1604 op erf 66 een buitenplaats bouwen, ‘Het Spijker’. Het naastgelegen erf 67 werd ook door hem gepacht en hier werd een huis gebouwd voor zijn zoon Jacob Jorisz. en echtgenote Tanneke Blox met hun zes kinderen. Dit huis had uitsluitend een woonfunctie.

Hieronder: het Haatland anno nu.

2e generatie Tanneke Blox

Van 1604 tot 1641 bewoond Tanneke Blox “het grote bouwhuis met aangelegen huismanswoningen”’ op erf 67. Het is niet geheel uitgesloten dat Tanneke of één van haar kinderen gedurende (grote) delen van het jaar ‘Het Spijker’, erf 66, als woonhuis gebruikte. Het was niet ongebruikelijk dat spijkers als woning voor erflaters van de eigenaar dienden. Tanneke Blox genoot in de stad enig aanzien. Tijdens een inspectietocht op het Haatland door de magistraat werd het gezelschap door Tanneke ontvangen.

De landerijen met hun bebouwing, die door Joris Jacobs waren gepacht, kwamen al snel in handen van zijn zoon Jacob Jorisz.. Jacob Jorisz. overleed rond 1616. Vanaf 1619 werd een deel van de jaarlijkse pacht betaald door zijn weduwe, Tanneke Blox. Later hertrouwde zij met Louis Alinex (Alynck), die in 1618 al ‘medegebruiker’ van het Haatland was. Tanneke maakte vier keer een testament. Hierbij legateerde zij aan een aantal personen geldbedragen en enig zilverwerk. Zij benoemde haar zes dochters en hun kinderen tot haar erfgenamen. Uit bronnen is bekend dat Tanneke bij haar overlijden in 1641 een vierde deel van het Haatland pachtte, bestaande uit drie erven, enige kampen buitendijks, een waard met een stenen spijker, een groot bouwhuis met aangelegen huismanswoningen, (roeden)bergen, boomgaarden, plantages met iepen etc. en twee watermolens met een sluis Het is aannemelijk dat dit respectievelijk ‘Karrenhoop’, ‘De Spijker’, ‘Tankeblok’ en misschien ook ‘Nieuwe Erf’ waren. Na 1880 werden deze erven aangeduid met de nummers 65, 66, 67 en dus mogelijk erf 68. Verder mocht ze haar vee laten grazen op de Melm en de Greente. Na het overlijden van Tanneke Blox kwamen de gepachte landerijen in handen van de erfgenamen. Zij wilden het pachtrecht echter beëindigen. Na overleg met de magistraat verkochten de erfgenamen in maart 1642 deze rechten aan de stad Kampen voor 6000 Carolusguldens. Bovendien betaalde de stad de achterstallige verponding. Muntmeester Wijntgens sloeg voor de erfgenamen zes gouden penningen.

Hieronder: de kust van het Haatland met aan de overzijde de Flevopolder.

3e generatie Sara Jacobs (ca. 1590 - ca. 1557)

Eén van deze penningen wordt genoemd in het testament van Sara Jacobs, een dochter van Jacob Jorisz. Bey en Tanneke Blox. Sara werd in Haarlem geboren en trouwde in 1608 met Gillis Tayspil uit Amsterdam. Speciaal voor dit huwelijk schreef Dirk Woutersz Kolenkamp een gedicht. Volgens de dichter moeten de Schelde (herkomst Gillis Tayspil) en het Spaarne (herkomst Sara Jacobs Bey) blij zijn. Het echtpaar vestigde zich in Amsterdam, waar Gillis Tayspil een succesvolle zakenman was in o.a. tabak. Ook is er sprake van een ''wijn-neering''. Deze werd waarschijnlijk gedreven door Sara, die in een notariële akte als winkelierster wordt aangeduid. Dat Sara uit een gegoede familie kwam, blijkt uit het feit dat zij twee portretten van zichzelf bezat. Eén daarvan was een geschilderd portret door Hendrick Goltzius, een bekende Haarlemse gra­veur/schilder. Ook bezat Sara een ''clavecim­bel mette schraeghe''. Gillis en Sara kregen 9 kinde­ren, 6 zoons en 3 dochters.

4e generatie Jan, Frans en Isaack Tayspil

Zoon Jan was een geslaagd zakenman met grote belangen in de 'stadsko­lonie in Nieuw Nederland'. Zoon Frans was ook een geslaagd koopman, vooral werkzaam in de scheepsbe­vrachting. Hij werd in 1674 bij de inning van de 200e penning aangeslagen voor f. 170, -, wat betekent dat zijn vermogen op zo'n f. 35.000,- werd geschat. Bij de ondertrouw van haar zoon Isaack op 27 december 1657 bleek dat Sara overleden was.

© cultuurZIEN, 2019

Bronnen:

  • Boukje Thijs, De hoefslag van Pegasus, Verkoren Hilversum 2004

  • A.J. van der Zeeuw, TAEYSPIL IN BELGIË, ENGELAND EN NEDERLAND, Uithoorn 2006

  • A. Ufkes & S.J. Tuinstra, Erf ‘Tanneke Blox’ in de 16e–19e eeuw, Groningen 2012

  • Lies van Vliet, Kampen, de drapeniers en het Haatland, K.A. 2014

  • Geuje van der Linden, Uit rivier en zee geboren, IJsselacademie 2015