De schat van joffer Tengnagel

een hervertelling

Zonlicht viel door de glas-in-loodramen van de tuinkamer. Margje Tengnagel zat in de vensterbank en keek de tuin in. Het was na het noenmaal en het was stil in huis. Alleen de putter in zijn kooi voor het geopende venster zong uit volle borst. Dit was Margjes favoriete tijdstip om te borduren. Ze werkte aan een gebloemde bekleding voor de kostbare Spaanse stoelen. Het bloemenpatroon herinnerde Margje aan de gobelins in haar ouderlijk huis aan de Burgwal. Daar hingen in de grote zaal twaalf kamerhoge wandtapijten.

achterzijde koetshuis van het stadskasteel van de Tengnagels aan de Burgwal

De Spaanse stoelen had Margje geerfd uit het familiebezit. De boedelscheiding na het overlijden van haar moeder had veel problemen gegeven. Margjes moeder had haar ongetrouwde dochter voorzien van een rijke erfenis. Een Tengnagel mocht nooit in financiële problemen komen.Haar broers Otto en Reinier hadden het testament van hun moeder aangevochten voor het Schepengerecht. Maar moeders juwelen en andere kostbaarheden waren aan Margje toegewezen. Evenals vijf Spaanse stoelen uit het comptoir van haar vader. Na het pijnlijke proces voor de Schepenbank, kwamen haar broers regelmatig bij Margje langs. Een achteloze vraag over een van de juwelen vormde steevast de opmaat tot het openen van het tresoor. Zouden zij werkelijk menen dat Margje zo slecht met geld omging, dat zij moeders familiejuwelen, zilveren schalen en bestek zou moeten verkopen? Toen Margje meerderjarig werd had vader haar een huis en voldoende lijfrenten en landerijen toegewezen om zorgeloos te kunnen leven. Bij een bezoek van Otto had zij hem aangesproken over haar vermoedens. Het was uitgelopen op een hevige ruzie. Sindsdien had Margje geen van haar broers of hun gezinsleden meer gesproken. Op straat zag zij soms in de verte een familielid lopen. Zodra men haar zag, verdwenen ze in een zijsteeg. Zo ging het nu al vele jaren.

links 16e eeuwse gevel naast 17e eeuw se gevel in de Nieuwstraat

Margje was nu zelf op leeftijd. Samen met haar dienstmeid Hanna woonde ze in de Nieuwstraat naast Sint Joris en de Draak, niet ver van het familiehuis van de Tengnagels. Margjes jonge neefjes waren volwassen mannen geworden. De zoon van Otto streed met de steenrijke Zwollenaar Johan van Ittersum om het drostambt van IJsselmuiden. Margje kende haar oudste broer goed genoeg om te weten dat het hem om het gebruik van de havezate 't Hoogehuys ging. Het bezit van een havezate met gracht was een eis om toegelaten te worden tot de ridderschap van Overijssel. Wie als edelman in de Staten zat, genoot allerlei belastingvoordelen en praatte mee over de toekomst van Overijssel. De Tengnagels waren nog niet in dit bestuursorgaan vertegenwoordigd, omdat Margjes vader zich vanuit Gelderland in het Overijsselse Kampen had gevestigd.

links een impressie van 't Hogehuys in IJsselmuiden op een schilderij van Hendrick Avercamp

Margje had hele andere zorgen. Na een koude winter voelde het of haar lichaam niet meer op temperatuur wilde komen. Zelfs hier op haar favoriete plekje in de vensterbank van de tuinkamer en in de zon, voelde zij zich onbehaaglijk. Op Margjes verzoek was broeder Adrianus uit het Minderbroederklooster aan het einde van de straat bij haar langs gekomen voor een consult. Hij had haar een aftreksel voorgeschreven, gemaakt van salie, stokroos, lavendel en kamille. De gedroogde kruiden waren afkomstig uit de kruidentuin van het klooster. Hanna maakte drie maal daags een drankje voor haar klaar, dat Margje met veel weerzin opdronk. Ze kuurde nu al zes weken, maar vooruitgang was er niet. Door het zurige drankje van broeder Adrianus was haar eetlust helemaal verdwenen. Margje had vooral zin om weer in bed te kruipen, maar eerst moest zij nog een belangrijke zaak bespreken met Hanna. Hanna was de enige waarop Margje kon vertrouwen.

juweel geschilderd door Lenneke Saraber

Vlak voor haar dood had Margje Hanna in vertrouwen genomen over de verdeling van haar bezittingen. Door de familieruzie over de erfenis van haar moeder leidde Margje een geïsoleerd bestaan en waren Margje en Hanna jarenlang op elkaar aangewezen geweest. De laatste wens van haar werkgeefster was voor Hanna geen verrassing en zij had er graag aan meegewerkt. Opgeschrikt door luid gebonk, haastte Hanna zich naar de voordeur. Het leek haar beter om eerst het deurluikje te openen. Sinds het overlijden van Margaretha Gansneb genoemd Tengnagel bewoonde zij alleen het huis aan de Nieuwstraat. Voor de deur stond Otto Tengnagel, vergezeld van zijn zoon Reinier d.j.. Hij eiste toegang tot het huis om zo de familiebezittingen veilig te stellen. Hanna ontsloot de voordeur en gaf de mannen toegang tot de woning. Otto en Reinier d.j. braken de deurtjes van het trezoor open, maar vonden deze leeg. Zij doorzochten de gehele woning, openden kasten en kisten, maar vonden niets van de juwelen en kostbaarheden van Margje. Otto stuurde zijn zoon naar Het Hof aan de Oudestraat om schout Cruse te halen.

rechter bouwdeel, deur links, is de toegang tot het oorspronkelijke huis Het Hoff

Cruse ondervroeg Hanna op strenge toon over de laatste weken uit het leven van Margje. Steeds weer stelde hij dezelfde vragen en Hanna bleef haar antwoorden herhalen. Zij vertelde dat alleen broeder Adrianus en priester Clemens van de Sint Nicolaaskerk Margje hadden bezocht tijdens haar ziekbed. Alleen zijzelf had gewaakt na het overlijden van Margje. De heren keken elkaar aan. Het was tenslotte Otto, die stelde dat dan alleen Hanna in de gelegenheid was geweest de familiejuwelen en het zilverwerk te stelen. Hanna dacht snel na. Margje had haar het huis en de lijfrenten en landerijen nagelaten op voorwaarde dat Hanna ervoor zorgde dat Margjes familiejuwelen niet in handen van haar broers kwamen. Hoe kan Hanna haar belofte aan Margje nakomen en tegelijk niet door Cruse opgesloten worden voor diefstal? Hanna vroeg of zij de biecht mocht afleggen bij vader Clemens in de Sint Nicolaaskerk, wat haar werd toegestaan. Na de biecht liep Hanna opgelucht weer naar haar huis in de Nieuwstraat. Vader Clemens spoedde zich naar het stadskasteel van Otto Tengnagel aan de Burgwal. In een kort onderhoud over de komende Paasprocessie, gaf vader Clemens Otto de raad het lijk van Margje te laten opgraven. Enkele dagen later verzamelde zich een groep mannen in de kerk van het Minderbroederklooster. Aanwezig waren schepen Johan van Vene en schout Cruse, gardiaan Andreas Fabri van Vrelant en broeder Adrianus, Otto, Reinier en Reinier d.j. Tengnagel en enkele grafdelvers. Uit het nog ongedekte graf van Margje kon de doodkist vrij snel naar boven worden gehaald. Het openen van de kist liep op een teleurstelling uit. Margje lag keurig opgebaard en en zag er vredig uit. Die dienstmeid was toch niet zo dom om hen bij de neus te nemen? Na een eerste aarzeling doorzocht Otto de kist en daarna de kleding van Margje. Pas nadat Margje vrijwel geheel ontkleed was, werd een grote dichtgenaaide snee op haar buik ontdekt. Otto kreeg bijna een toeval van woede over zoveel doortraptheid. Door zijn zoon moest hij in toom worden gehouden om te voorkomen dat hij het lijk van Margje zou aanvallen. Na het openen van Margjes buikholte, werd het lijk zorgvuldig doorzocht op juwelen. Zware gouden kettingen, een gouden sleutelreex, een briljanten speld, diamanten braceletten en een zilveren inktkoker, een broodschaal, schenkannen, bekers en bestek van zilver met de wapens van de familie Tengnagel vormden een vreemde uitstalling op de koude stenen vloer. Otto en zijn broer Reinier d.o. bevestigden dat dit de vermiste kostbaarheden waren. Tot slot werd Margje aangekleed, teruggelegd in de kist en het graf weer gesloten.

De Broederkerk

Het was hoog zomer en door de Broederstraat reden steenhouwer Dirk Indas en twee knechts met een grafsteen op de wagen richting de kerk van de Minderbroeders. De grafsteen was bestemd voor een graf vlak voor het koor van de kerk aan de straatzijde. Het was een grote, dure zerk in blauwe Namense steen met inlegwerk, een bestelling van de rijke familie Gansneb genoemd Tengnagel. De grafsteen was bestemd voor een graf vlak voor het koor van de kerk aan de straatzijde. Het maken van de grafsteen was een vreemde opdracht geweest, maar Dirk had er hard aan gewerkt en was zeer tevreden over het resultaat. Hij had eerst een tekening gemaakt en deze ter goedkeuring aan de familie overlegd. Daarna was Reinier d.j. regelmatig komen kijken of de voorstelling op de steen volgens afspraak werd gemaakt. Dirk had een nis afgebeeld, afgesloten door een spitsboog, waarin een lijk lag. In de buik van het lijk bevond zich een grote gapende snee en om het rechter been kronkelde zich een slang. Op een lange banderolle rond het lijk had hij een wonderlijke tekst in gotisch schrift uitgehouwen. De randen van de grafsteen waren traditioneel afgewerkt met op de hoeken de symbolen van de vier evangelisten. Daartussen stond op een tekstband de naam van de overledene, geboorte- en sterfdatum. Fijne familie had joffer Tengnagel, die haar zo te kijken legde in de drukbezochte kerk van de Minderbroeders.

in 2015 teruggevonden 15e eeuwse grafzerk in Broederkerk

bron: Nederlands Centrum voor Volkscultuur en Immaterieel Erfgoed, De Geest van Overijssel, een spannende verhalentocht, Utrecht 2012