Wijn maken is in de basis eigenlijk heel simpel: je hebt zoet fruitsap. Vervolgens gooi je er gist overheen. En dan wacht je. De gist gaat suiker opeten, zet dit om in o.a. alcohol en kooldioxide. Na verloop van tijd houdt dit proces op.Dan zie je op de bodem een berg rotzooi liggen. Dat noemen we droesem. Dat zijn dode gistcellen, vruchtenbestanddelen enz. Die moet je daar vooral laten liggen.
Met een slang hevel je het vocht erboven af. Dat zet je weer weg. En dan wacht je.
Na een paar maanden ligt er, gek genoeg, weer rotzooi op de bodem. Weer droesem. Dan haal je hetzelfde trucje uit: je hevelt het vocht erboven af.
Dat doe je nog een paar keer (gemiddeld om de 2 a 3 maanden, gedurende een half jaar tot een jaar). En elke keer zul je merken dat de wijn helderder wordt. Als je met een lampje (van je mobiel of zo) door de fles heen schijnt en je ziet geen deeltjes meer in je wijn drijven, dan is de wijn klaar en kan hij op de fles. In vaktaal: gebotteld.
En daarna genieten.