Na een najaar vol stormen en regen waren de dijken verzadigd geraakt van water. Op sommige plekken, zoals de Zwartendijk bij Kampen, waren de zeedijken al doorgebroken. Toch was dit geen ongewone situatie. De landerijen rond Kampen stonden 's winters vaak langdurig onder water. De stadsmuur diende als waterkering en Kampen lag als een eiland in een onafzienbare watervlakte. Hoger dan tijdens de stormrampen van 1775 en 1776 zou het water niet komen. Er was dijkbewaking ingesteld en men vertrouwde op een waarschuwingsysteem met kanonschoten.
4 februari 1825
De noordwesterstorm van 4 februari 1825 viel samen met springtij. De bulderende storm overstemde alle geluiden, ook de waarschuwingsschoten van de kanonnen. Buiten was het stikdonker. De eerste dag, 4 februari, werd het niet eens licht. Wegen liepen vaak over dijken en waar de dijken waren weggeslagen waren de wegen onbegaanbaar. Eerste hulp werd verleend door schippers en anderen met vaartuigen. Dagenlang werden mensen van zolders, uit hooibergen en uit bomen gered. In Overijssel stond het water tot voorbij Wijhe, Dalfsen en Steenwijk.
©cultuurZIEN 2022