DE MAN DIE EEN ANDER WAS
korte verhalen, foto-art
Michiel Hanon
De man die een ander was
Copyright 2026 Michiel Hanon Boeken
Auteur / foto-artist: Michiel Hanon
https://sites.google.com/view/michiel-hanon (“michiel hanon sites”)
michielmichiel2009@live.nl
Omslagontwerp: Michiel Hanon
Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd door middel van druk, fotokopieën, geautomatiseerde gegevensbestanden of op welke andere wijze ook, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever.
INHOUD
DE MAN DIE ZOU TERUGKOMEN
DE MAN DIE EEN ANDER WAS
NACHT ZONDER HAAR
DE VROUW IN DE RODE JURK
LAAT CADEAU
GEMIS
LAT
ONTROUW
HET BEZOEK
DE MAN DIE ZOU TERUGKOMEN
Sven en Lieke waren een jong stel. Lieke beviel van hun eerste kindje. Het was een gezonde baby, Floris, een jongetje. Een gelukkige gebeurtenis, natuurlijk. Maar de man ontwikkelde al snel een onverklaarbare angst voor hun zoontje. Deze angst ontstond als hij zicht kreeg op zijn baby, en werd sterker als hij hem in zijn wiegje naderde. Het kind vasthouden moest worden vermeden; dat was te heftig.
Sven hield dit merkwaardige probleem voor zich; hij schaamde zich er natuurlijk voor. Hij merkte wel dat zijn vrouw het vreemd vond; welke jonge vader wil zijn kindje nu niet in de armen nemen? Maar de twee spraken er desondanks niet over. Het vaderschap was natuurlijk nieuw voor hem. Het was zo’n klein, kwetsbaar murmeltje. Sommige mannen moeten daar nu eenmaal aan wennen. Net als Sven dacht Lieke waarschijnlijk dat het even de tijd moest krijgen. Maar de angst bij Sven ging niet weg.
Iedereen in zijn omgeving had vanaf de zwangerschap van zijn vrouw steeds verkondigd dat Sven van het ouderschap moest genieten. Want wat was er mooier dan een gezonde baby krijgen? Daarom vond Sven die angst zo vreemd.
Na korte tijd wilde Sven voor dit probleem hulp zoeken. Hij had eens een presentatie van een medium meegemaakt. Na afloop daarvan had Sven hem toen een door hem meegenomen oude dolk laten zien. Het medium kon aangeven dat er in het verleden een moord mee was gepleegd. Een beangstigende mededeling. Wat zat er voor een verhaal achter die dolk? Stel je voor dat het hemzelf was overkomen?! Wie waren de dader en het slachtoffer geweest? Maar dit verleden was al lang een afgesloten tijd. Deze man wist ook het een en ander te vertellen over de persoon van wie Sven de dolk had gekregen. Deze informatie klopte opmerkelijk goed. Sven had daarom vertrouwen in dit medium.
De jonge vader spoorde het medium op en ging langs voor een sessie. Dat deed hij alleen; Sven durfde er met Lieke nog steeds niet over te spreken. Nadat hij had aangegeven het medium eerder te hebben ontmoet – de man kon zich de dolk nog herinneren - gaf hij aan wat zijn klacht was. Sven kreeg na de nodige onderzoekjes te horen dat hij op de nominatie stond om later, als hij zou zijn gestorven, weer in een volgend leven te verschijnen. Een vorm van reïncarnatie dus. De onbewuste kennis van dit weerkeren zou bij Sven een op Floris geprojecteerde angst veroorzaken. Het medium zei daarover: “U heeft angst voor nieuw leven. Niet voor het leven van uw zoon, maar voor dat van uzelf in een nieuw leven. Uw angst is eigenlijk een afgeleide vrees.”
Sven nam afscheid en overdacht de conclusie van het medium, en welke eventuele consequentie deze wetenschap voor hem in dit leven had. Ja, want waarom zou zijn zelfbewustzijn niet later nogmaals kunnen verschijnen? En zoiets zou volgens het medium geen keuze zijn; de betrokkene had daar geen vat op. Het zou gewoon gebeuren.
De man had dus een onbewuste, existentiële angst ontwikkeld om na het sterven in een volgend leven geboren te worden. En dat zou wel eens in minder goede omstandigheden dan nu het geval was kunnen plaatsvinden, dacht hij direct. Een beangstigend idee, ook al zou hij in een volgend leven niet beter weten. Want er zou geen kennis van het vorige leven zijn. Dat had het medium nog benadrukt.
Sven zag zich al opnieuw geboren worden in een minder welvarend land, in oorlogstijd of in een minder warm en ontwikkeld gezin. Of een combinatie daarvan. Als gehandicapte of van een ras dat wordt gediscrimineerd en dientengevolge in het leven minder kansen krijgt. Als minder aantrekkelijk of als een op school gepest of minder goed lerend kind. Als lid van de andere sekse, want Sven was blij dat hij man was. Hij zou nooit een zwangerschap en de pijn van een bevalling willen meemaken! Sven kon eigenlijk wel begrijpen dat hij die angst had. Angst, met name omdat hij geen controle over de komst van een volgend leven had.
Sven bemerkte dat hij ervan uitging dat hij bij zijn volgende geboorte in de tijd vooruit zou gaan, en niet achteruit. Achteruit zou hij misschien worden geconfronteerd met heksenverbrandingen, onthoofdingen en “medische” behandeling zonder verdoving. Dat waren vroeger gruwelijke tijden geweest, waarin de gemiddelde leeftijd van de mens een stuk lager dan nu lag.
Maar ook bij verder in de tijd werd Sven afgeschrikt. Door de gedachte dat het leven nog drukker en stressvoller zou worden dan nu al het geval was. Mensen zouden wellicht nog egocentrischer zijn dan in het heden. Het leven in een democratie zou op Aarde nog zeldzamer kunnen zijn. De kans op totale vernietiging van de planeet met kernwapens zou ongetwijfeld nog weer groter zijn geworden. Het was überhaupt de vraag of de mens dan nog een leefbaar klimaat zou hebben.
In de toekomst zou de levensduur van de mens door de medische wereld ongetwijfeld verder zijn opgerekt. Dat leek hem op zich gunstig, maar het was ook beangstigd: het laatste deel van het leven, het leven met invaliditeit en kans op slopende ziektes zou worden verlengd, niet het eerste. Al met al werd zijn angst er met deze gedachten niet minder om.
De informatie van het medium zorgde ervoor dat Sven zijn leven – de tijd die in dit leven achter hem lag - overdacht. Hij ging terug naar zijn schooltijd. Hij wist nog dat hij in die tijd zag dat sommige andere kinderen het beter dan hij hadden, maar niet dat er velen waren die het minder hadden getroffen. Hij focuste zich toen alleen op dat eerste groepje, en voelde zich minderbedeeld. Op de middelbare school - sowieso bezocht door een select gezelschap, wist hij nu - schaamde hij zich een beetje dat zijn vader geen hoogleraar was, of een hoge functie in het zakenleven bekleedde. Dat hij niet op het gymnasium zat, maar op het lyceum. Dat hij niet in een groot huis in het luxe dorp woonde, maar aan de rand ervan. Ja, zo dacht hij over zijn situatie toen hij jong was.
Later, na zijn schooltijd, was dit wel verbeterd. Sven was over het algemeen niet negatief naar anderen geweest. Hij kon zich niet herinneren dat hij dikwijls op anderen had neergekeken. Maar hij was ook niet hulpvaardig naar minderbedeelden geweest. Hij had zich vooral met zichzelf en zijn directe omgeving beziggehouden.
De dagen erna werd de jonge vader zich er steeds meer van bewust hoe bevoorrecht hij in dit leven was. Hij was eigenlijk best verwend geweest, maar had er nooit over nagedacht. Alles wat hij in zijn jeugd had gekregen, leek in die tijd vanzelfsprekend te zijn.
Sven moest erkennen dat zijn blik altijd begrensd was geweest tot dit leven. Maar nu, onder invloed van wat het medium hem had geleerd, probeerde hij die blik te verruimen. De Aarde was zo bijzonder en maar een klein onderdeeltje van het heelal. Zelfbewustzijn was toch het meest bijzondere van een mensenleven! De mens kon tot op zekere hoogte zijn eigen bestaan overzien. En waarom zou dat zelfbewustzijn, MIJN zelfbewustzijn, niet meermalen in de tijd kunnen worden ervaren?
Sven was nooit religieus geweest; hij geloofde niet in God of een hiernamaals. Maar de jonge vader begon er nu in te geloven dat hij, door goed voor zijn naasten te zijn, later weer in gunstige leefomstandigheden geboren zou mogen worden. Op deze wijze probeerde de man controle te krijgen over dat waarover, nuchter gezien, geen controle mogelijk leek. Dit idee maakte Sven een socialer, ruimdenkender, meer relativerend mens. Hij nam zich voor minderbedeelden te gaan helpen. Hoewel hij dus eerder niet in een God geloofde, ging hij er nu vanuit dat de omstandigheden van zijn volgende leven beïnvloedbaar waren.
Zo gebeurde het dat Sven zich ging bezighouden met bepaalde vormen van naastenliefde. Hij doneerde aan goede doelen, gaf op straat geld aan daklozen, trad op als vrijwilliger bij de voedselbank, en dergelijke.
Maar niet veel later - doordenkend over hetgeen het medium hem had aangegeven - kwam bij hem nog iets anders op: het idee dat huidig lijden van mensen toch eigenlijk eigen schuld moest zijn. Er was door hen kennelijk in een vorig leven niet goed geleefd. Deze gedachte bracht Sven tot rechtvaardiging van sociale ongelijkheid: de persoon die het minder had, verdiende zijn lot, want hij had in zijn vorig leven verkeerd geleefd. “Eigen schuld, dikke bult”, dus. Sven begon soms ook zo naar zijn naasten te kijken.
Waartoe leidde dat allemaal bij deze man? Enerzijds bracht de mededeling van het medium hem tot hulp aan zijn naaste. Maar anderzijds was hij van mening dat die minderbedeelde dat niet verdiende. Sven raakte hiervan in verwarring, en de spanning in zijn lijf nam alleen maar toe!
Door deze gedachten was zijn naastenliefde toch weer afgevlakt. Zijn gedrag werd een wat vreemde combinatie van het geven van hulp en het negeren ervan. Misschien was het te vergelijken met wat er plaatsvindt in sommige gemeenschappen die sterk religieus zijn: op zondag gaat men driemaal daags naar de kerk en spreekt men uit de naaste te helpen, maar doordeweeks beconcurreert men elkaar op leven en dood, en draait het bestaan om geld verdienen.
Deze tweestrijd zorgde ervoor dat zijn leven eigenlijk weer als voorheen werd: hij kwam er niet uit en bekommerde zich voornamelijk om zichzelf en zijn kleine gezin. Maar al die tijd was bij Sven de angst voor Floris niet verminderd. Kennelijk zorgde het zich bewust zijn van de door het medium aangegeven oorzaak van deze angst – de angst voor een ongecontroleerd volgend leven – daar niet voor. Nee, zijn angst was eigenlijk alleen maar breder geworden. Deze omvatte nu onder andere ook die voor drukke plaatsen, autorijden en fietsen in de drukke stad. Zelfs nieuwsberichten op radio en tv benauwden hem.
Sven vond het daarom tijd worden om naar een echte psychotherapeut te gaan. Was er misschien een andere oorzaak aan te wijzen voor de angst voor zijn baby? Want daar was het toch allemaal om begonnen. Werd deze veroorzaakt door iets uit zijn verleden? Tevens vond Sven nu dat hij zijn vrouw over zijn probleem moest vertellen. Hij bracht haar op de hoogte, en was open over alles wat hij tot dan toe had meegemaakt.
Lieke was gelukkig begripvol en gaf aan hem naar de therapeut te willen vergezellen. Deze deskundige focuste zich op Svens nieuwe rol als vader. Factoren die met de therapeut werden besproken en mogelijk als oorzaak konden worden aangewezen, waren onder andere: grote veranderingen in levensstijl en verantwoordelijkheid door de geboorte van zijn eerste kind, financiële en relationele stress, mogelijk een eerdere depressie of angststoornis.
Nader werd ingegaan op het verlies aan vrijheid dat het ouderschap met zich meebrengt, maar ook de wetenschap niet meer de jongste generatie te zijn, de eigen sterfelijkheid, maar ook die van zijn nakomeling. Want iedere geboorte is ook het begin van een einde. De lange duur van kind tot volwassenheid, ook al wordt naderhand ervaren dat de tijd snel was gegaan. De wetenschap dat Sven de rest van het leven ouder van het kind zou zijn.
Onder begeleiding van de therapeut leerde Sven stapje voor stapje de mooie kanten van het vaderschap kennen. Gelukkig namen alle angsten daarna geleidelijk af.
De jonge vader bedacht: ja, hij had angst voor het leven van zijn zoon. Die angst was er vroeger niet, maar behoorde bij zijn nieuwe rol als vader. Een beetje angst was normaal te noemen. Maar een overmatige angst was ongegrond. Een kind is sterk, heeft een grote wil om te leven. Meestal komt het allemaal goed. Maar natuurlijk moet je hem in alles begeleiden en beschermen.
De komende jaren zou Sven echt geen tijd hebben om aan een volgend leven te denken. Waar hij wel aandacht voor had, was zijn poging om in dit leven een goed mens te zijn, iemand die oog had voor zijn medemens. Gewoon, omdat niet iedereen het zo had getroffen als hij. En dat was toch ook een goed voorbeeld voor Floris.
DE MAN DIE EEN ANDER WAS
Wim Dirkse had een onbedwingbare drang om niet zichzelf te zijn. Er waren velen in wiens huid hij wel wilde kruipen: acteurs in succesvolle, avontuurlijke rollen, zangers van populaire liedjes, of door hemzelf bedachte idolen. Hij zag zichzelf graag opereren in indrukwekkende situaties. Dirkse identificeerde zich het liefst met acteurs die in films in zijn ogen interessante rollen vertolkten. Hij was bijvoorbeeld een grote liefhebber van de speelfilm “Catch Me If You Can”. In dit misdaaddrama kruipt Leonardo DiCaprio in de huid van Frank Abagnale Jr., een jonge meesteroplichter die zich voordoet als piloot, arts en advocaat.
Hij was nu bijna veertig jaar oud, maar dat graag in andermans huid kruipen had Wim Dirkse eigenlijk al zijn hele leven. Als kind wilde hij graag een cowboy of een indiaan zijn. Maar daarin week hij natuurlijk niet erg af van leeftijdsgenoten. In tegenstelling tot opgroeiende anderen ging deze levensfase bij deze man niet over; hij was daar als het ware in blijven hangen.
Op school lette Wim niet erg op, omdat hij over zijn geliefde personages aan het dromen was. Ook op zijn huiswerk kon hij zich moeilijk concentreren. Met leren kwam Wim daarom niet ver. Na zijn schooltijd bleef hij dientengevolge zonder diploma’s en deed Dirkse, bij wisselende werkgevers, los, ongeschoolde arbeid, en verdiende hij niet veel.
Toch zag Wim er aantrekkelijk uit en kon hij goedgebekt zijn. Dit maakte hem succesvol bij de andere sekse. Naarmate hij ouder werd, kreeg Wim in de omgang met vrouwen steeds meer zelfvertrouwen, en groeide hij uit tot een charmant persoon, die de dames wel voor zijn karretje kon spannen. Maar zich echt in een goede vriendschap of een relatie begeven, nee, dat deed hij niet. Deze omgang bleef steeds oppervlakkig. Wim bleef altijd een eenling, die naar anderen overigens nooit repte over zijn drang om een ander te willen zijn. Dat zouden ze toch niet begrijpen.
Als jongvolwassene wilde de man zich in het anders zijn niet meer beperken tot het zich verplaatsen in aantrekkelijke en succesvolle mannen. Dirkse wilde in de omgang met anderen ook daadwerkelijk in de rol van iemand anders kruipen. De tijd van dromen was voorbij, vond hij. Dirkse ontdekte het fenomeen datingsite en de mogelijkheid zich hierin anders voor te doen dan hij was. Dat was op zo’n site niet moeilijk, dus echt iets voor hem. Hij begreep al gauw dat anderen dat ook deden. Een ideale wijze om zijn tijd te vullen en zich als een ander te manifesteren.
Wim Dirkse was dus onvermogend, maar hij deed bij een arme vrouw, ontmoet via zo’n datingsite, of hij rijk was. Dat maakte hem voor haar aantrekkelijk, ondervond hij snel. Dirkse benadrukte bij de vrouw dat hij geld had, maar dat hij hield van bescheidenheid. Het breed laten hangen was niets voor hem. “Doe maar gewoon, dan doe je gek genoeg”, was zijn credo. Steeds als Dirkse had beloofd dat de twee een mooie reis zouden gaan maken of als in het huishouden van de vrouw echt iets vervangen moest worden, ging het op het laatste moment wegens “onverwachte omstandigheden” niet door. Doordat Dirkse, ondanks zijn lage inkomen, wel nog wat had gespaard, en omdat hij wel eens iets van iemand - zonder dat deze daarvan wist - “leende”, kon hij toch iets daadwerkelijk bij de vrouw besteden. Op deze wijze kon de man er bij haar toch steeds mee wegkomen.
Dit leven beviel Wim Dirkse goed; de twee gingen een relatie aan, en hij viel niet door de mand. Hij kreeg er aardigheid in om als “gefortuneerde” weinig geld uit te geven. En hij genoot ervan dat dit dan werd geloofd.
De man was wel zo slim geweest om er vanaf het begin van de ontmoeting voor te zorgen dat hij ontraceerbaar was. Niet overeenkomstig de waarheid gaf hij aan tijdelijk in een pension te wonen, omdat een nieuw aangeschafte, luxe woning op dat moment werd gerenoveerd. En in het huis van de vrouw was het veel gezelliger dan in zijn tijdelijk verblijf, was zijn mening. Dus was hij eigenlijk steeds bij haar thuis.
Dirkse verliet deze vrouw echter plotseling na enkele maanden, want hij wilde het “hogerop” zoeken. Hij had in zijn rol veel ervaring opgedaan en voelde zich capabel genoeg om aan te pappen met een ander kaliber vrouw.
Dat deed hij in de bar van een vijfsterrenhotel bij een vrouw die op het oog een luxe leven leidde. Ook bij deze dame deed Dirkse alsof hij rijk was. Hij was erop voorbereid dat het waarschijnlijk moeilijker vol te houden zou zijn dan bij de arme vrouw. Hij wist ook deze nieuwe dame, die inderdaad over veel kapitaal bleek te beschikken, te imponeren. Wederom zonder zelf nauwelijks geld uit te geven. Dat lukte wonderwel; de vrouw had er geen moeite mee haar geld aan beiden te besteden en verzuimde om zich in zijn achtergrond te verdiepen.
Op een zeker moment moest Dirkse weer terugdenken aan zijn liefde voor de speelfilm “Catch Me If You Can”. Als hij de rol van meesteroplichter nu eens zou combineren met die hij nu bij deze vrouw speelde; dat zou prachtig zijn. Zo vond de man het tijd om zijn capaciteiten op het relationele vlak te gelde te maken, en kwam hij op het idee hoe hij aan deze nieuwe “relatie” kon verdienen.
Dirkse zei tegen de vrouw dat hij een onroerendgoedproject kende waarin zij succesvol en betrouwbaar kon beleggen. Dat zou veel meer opleveren dan als zij haar geld op een bankrekening zou laten staan. Hij had er zelf ook in geïnvesteerd en het had hem al veel opgeleverd. Zij kon alles aan hem overlaten. Tot zijn verbazing deed de gefortuneerde dame dat ook. De vrouw had alle vertrouwen in de oplichter. Haar inleg verdween echter in zijn zakken. Zo wist Dirkse aardig wat geld van haar af te troggelen. Wederom verdween hij plotseling met de noorderzon, zonder een spoor achter te laten.
Dat spelletje herhaalde Dirkse bij een paar andere rijke vrouwen, die hij steeds op weer andere plekken ontmoette waar zij zich graag ophielden: luxe hotels, golfbanen, exposities van dure kunst, en dergelijke. Want de oplichter werd niet door de politie getraceerd; mogelijk omdat de eerste rijke vrouw uit schaamte geen aangifte had gedaan. Maar ook niet door latere slachtoffers. Omdat zijn criminele acties succesvol bleven, werd de man steeds rijker.
Maar toch miste Wim Dirkse op den duur iets in zijn leven. Deze “relaties” maakten hem niet gelukkig. De man wilde het roer daarom omgooien. Hij had een aantal keren gedaan alsof hij rijk was. Dat wilde hij wel eens omkeren: doen alsof hij een arme man was bij een rijke vrouw. Dus toch weer als een ander iemand optreden, want hij was nu zelf een rijk man. Dirkse verscheen met een oud autootje als werkman in eenvoudige confectiekleding op een golfbaan, zogenaamd om een klusje te doen. Er was altijd wel een vrouw te spotten bij wie hij kon aanpappen en bij wie zijn nieuwe rol succes zou hebben. Dirkse had er inmiddels een goede neus voor gekregen. Zo’n vrouw ontmoette hij op die plek.
Nu hoefde Dirkse niet te pretenderen rijk te zijn, zonder de vrouw dit daadwerkelijk te tonen. Hij behoefde zich alleen maar ervoor te verontschuldigen dat hij in hun samenzijn niet financieel kon bijdragen. Het maakte de betreffende vrouw, die Jeanne heette, niet uit. Zij was blij met zijn gezelschap en betaalde graag alles wat de twee deelden.
Toen Wim Dirkse haar beter leerde kennen, bleek Jeanne niet alleen een rijke, maar ook een warme, ontwikkelde en bescheiden vrouw te zijn. Een vrouw die niet hield van decadentie en voor wie rijkdom niet belangrijk was. Iemand die Wim waardeerde om wie hij was. Het maakte Jeanne dus helemaal niet uit of hij arm of rijk was. En het klikte wonderwel tussen de twee. Er werd ook veel gelachen.
De maanden die de man met deze dame doorbracht, waren voor zijn doen gelukkige tijden. Hij had in feite – afgezien van het ontkennen van zijn rijkdom – grotendeels zijn ware identiteit aangenomen. Dit keer geen zogenaamde luxe woning in renovatie. Dat zorgde ervoor dat Wim zich bij Jeanne thuisvoelde, en voor het eerst iets van een echte relatie ervoer.
Maar zelfs bij deze vrouw kreeg Wim Dirkse het gevoel dat hij verder moest. Uiteindelijk had hij helaas ook bij haar geen “zitvlees”. Hij stond op het punt om Jeanne te verlaten. Dit keer zonder geld van haar gestolen te hebben. Want zij was de eerste vrouw om wie hij echt had gegeven.
Maar vlak voor zijn vertrek werd zijn vriendin onverwacht door een andere man opgelicht. Het was een gewiekste internettruc met valse berichten en websites. Jeanne raakte haar vermogen bijna geheel kwijt. Ze was zeer verdrietig. Wim besloot daarop zijn vertrek uit te stellen en haar te helpen. Maar ook hij wist de oplichter niet te traceren, en de vrouw kreeg van haar bank helaas geen compensatie.
Wim wilde Jeanne financieel graag bijstaan, maar hij durfde niet voor zijn rijkdom uit te komen. De vrouw zou, ondanks haar behoeftigheid, zijn eerdere oneerlijkheid niet kunnen accepteren en hem verlaten. Daar was hij van overtuigd. Want hij wist inmiddels ook dat hij toch bij haar wilde blijven.
Wim Dirkse kon zijn geld alleen maar besteden aan heimelijke genoegens, op een moment dat hij even in zijn eentje zou zijn. Het was “zwart geld”; vermogen waar eigenlijk maar weinig mee gedaan kon worden. Dat wist Wim, en daar had hij weinig zin in. Ook werd hij zich er steeds meer van bewust dat hij nog geen afstand kon nemen van zijn drang om een ander te zijn, wat hij als een nare afwijking ging ervaren. Waarom wilde hij toch altijd iemand anders zijn? Dirkse besefte dat hij als enig kind was opgegroeid met ouders die weinig naar hem hadden omgekeken, en dat hij zich daarom graag verplaatste in het leven van een ander. Dit moest de start van zijn probleem zijn geweest.
De man verkeerde in tweestrijd, wat hem opnieuw ongelukkig maakte. Voor het eerst was hij tot de conclusie gekomen dat hij bij een vrouw wilde blijven, maar het zou met haar een bestaan in armoede gaan worden. Niet eerder had Wim meegemaakt dat hij zich niet een solist voelde, als iemand die zich graag afzonderde. Nee, er stond nu echt iemand naast hem.
De man overdacht enige tijd hoe hij hieruit moest komen. Op zekere ochtend werd hij wakker en hij wist het: hij zou zich aanmelden voor de toneelschool. Voor het spelen van rollen had Wim tenslotte talent. Zo zou hij zijn drang kunnen combineren met eerlijk verdiend inkomen.
Ondanks zijn relatief hoge leeftijd werd Wim aangenomen, en doorliep hij deze school met succes. Daarna werd hij met een beetje geluk een veelgevraagd acteur en had hij dientengevolge goede inkomsten. Er was nu geld dat de acteur in alle eerlijkheid samen met zijn vriendin kon besteden. De relatie hield stand en de twee hadden financieel niet te klagen. Wim kon zijn drang om een ander te zijn in zijn werk botvieren. Hij had er geen behoefte meer aan om zich bij zijn vrouw anders voor te doen dan wie hij was. Het geld dat Wim met oplichting had vergaard, schonk hij weg aan goede doelen. Hij werd een gelukkig mens.
NACHT ZONDER HAAR
School - de moeder haalt haar kind op, iedere middag opnieuw. Daar kan het op rekenen. Maar voor een volwassene is niets vanzelfsprekend.
Samen – in een bruidssuite verblijven, zonder een opgesloten gevoel te ervaren. Voor haar staan deuren en ramen altijd wijd open. Nacht - onze armen die elkaar uit ervaring lichtloos vinden.
Maar vannacht zond ik haar duizend plu’s en zaklantaarns om te verschijnen. Regen - de nacht wordt ontoegankelijker gemaakt. Slaapkamer, bed - de plaats waarin wij echt samenkomen, blijkt onbereikbaar en is nu haarloos. Gesloten gordijnen ogen als van beton gevormd. Een looden deur, dichtgevallen na ingang van een avondklok, blokkeert de toegang. Buiten bevindt zich een ritmisch trommelend sperrgebiet. Daar verblijven nu louter doordrenkte zombies. Het uur der waarheid voor mijn relatie.
Alleen – een gevangeniscel en een nacht lang slapeloos. Waarin elk denkbaar onheil op mij afkomt. Zonder gefluister van lieve woorden, zonder een welterustelegging met omarming, ineengevlochten tot één compleet wezen. Volop tijd om de illusie van een langzaam opgebouwde verbondenheid te overdenken. Of anders van een ontmoeting in een sterk veld van niet te vermijden magnetisme. Volop gelegenheid om te verlangen naar iets wat niet onzeker is. Zo’n relatie zal de lakmoesproef glansrijk doorstaan.
Nacht zonder haar - een schoolplein zonder kinderen. Maar morgenochtend, daar verderop op hoorafstand, als de zon op is en het raam en de gordijnen weer opengaan, zal het kind weer worden gebracht. Daar kan het van op aan.
DE VROUW IN DE RODE JURK
Het is een zomerse zaterdagochtend. Ik ga een trip maken met de trein, en in een ander deel van het land een festival bezoeken. Ik ben vroeg op het perron. Zodra de trein arriveert op dit eindstation, kan ik een mooi plekje opzoeken. Daar komt ie al. In dit deel van de trein staan alle stoelen in dezelfde richting: de rijrichting.
Ik kies een plaats bij het raam. De trein zal pas over twintig minuten vertrekken, maar ik zit alvast goed. We zullen met maar één tussenstop naar het grote station in het centrum van het land rijden. Daar zal ik moeten overstappen op een andere trein.
Ik vraag mij af wat ik vandaag weer voor onverwachte dingen zal gaan meemaken. Mijn ervaring is dat er de laatste tijd bij iedere treinreis wel wat misgaat; dat er weer iets gebeurt dat niet de bedoeling is.
Andere reizigers druppelen binnen en het treinstel wordt steeds voller. Iedere keer nadat een reiziger de trein heeft betreden, sluit de deur weer; gepaard gaande met knipperende lampjes en een luid waarschuwingssignaal. Ik bedenk dat de deuren onnodig vaak open en dichtgaan. In de winter vanwege de temperatuur misschien nodig, maar nu in ieder geval niet. Stel je voor dat het mechanisme er door veelvuldig gebruik opeens mee ophoudt, dan zal de trein niet vertrekken. Het heeft niet het eeuwige leven.
Op de bank voor mij komt een jonge moeder met haar dochtertje van een jaar of drie, vier zitten. Het meisje wil kennelijk niet bij het raam; ze neemt de stoel naast haar moeder in.
Enkele minuten voor het tijdstip van vertrek neemt een vrouw, gekleed in een opvallende, egaal rode zomerjurk, plaats op het bankstel voor de jonge moeder. Hoewel eenieder zomers gekleed is, is haar outfit “anders”. Ik schat haar een jaar of vijf en veertig. Omdat haar stoel in dezelfde richting als de mijne staat, kijk ik – net als bij de jonge moeder - tegen haar achterhoofd aan.
Naast mij neemt vervolgens een oudere man plaats. Ik wacht tot het moment dat de jonge moeder tegen haar dochtertje zal zeggen: “Kom maar bij mama op schoot, dan kan er nog iemand zitten.” Maar dat gebeurt niet. Omdat het treinstel steeds voller wordt, verwacht ik dat er uiteindelijk wel iemand zal vragen of hij of zij op de plaats mag zitten die het jonge meisje inneemt. Er lopen mensen langs op zoek naar een zitplaats, maar mijn verwachting komt niet uit.
Op een zeker moment spot de vrouw in de rode jurk een jonge, buitenlands ogende vrouw. Ze staat direct op en geeft haar aan: “Neemt u deze zitplaats maar.” Het aanbod wordt dankbaar aanvaard. Is deze vrouw zwanger of gehandicapt? Ik kan het zo snel niet zien. Ik vind het erg sympathiek van de vrouw in de rode jurk.
Inmiddels is de trein zo vol dat meerdere mensen, jong en oud, met een staanplaats genoegen moeten nemen. De tijd van vertrek is nu wel aangebroken, zie ik op mijn horloge. Na nog enkele minuten stilstaan, wordt echter omgeroepen dat er een probleem is met een deur. Een van de deuren wil niet goed dichtgaan. Maar we zullen zo spoedig mogelijk vertrekken.
De trein staat nog steeds stil. Hoe lang gaat dit nog duren? Ik hoop dat ik straks niet mijn aansluiting ga missen.
Na weer enige tijd roept de conductrice opnieuw om dat er nog steeds een probleem met een deur is. Nu geeft ze ook aan dat de trein aan de andere zijde van het perron dezelfde bestemming heeft, en over twee minuten zal vertrekken.
Ieder stormt daarop de treincoupé uit en probeert een zitplaats in de andere trein te bemachtigen. Ja hoor, dat heb ik weer. Er gebeurt altijd iets vervelends op een treinreis. Vandaag is het dus dit, en ik heb nog geen meter gereisd. Daar gaat mijn zitplaats!
Gelukkig kan ik in de nieuwe trein nog een stoeltje bemachtigen. Opeens zie ik de vrouw in de rode jurk weer verschijnen; ze is ook “overgestapt”. De vrouw kan een zitplaats aan de andere kant van het gangpad innemen. Ik kan haar aankijken; in deze trein zijn ook banken tegenover elkaar geplaatst. Schuin tegenover haar zit een waarschijnlijk iets oudere man met een hondje dat op de grond ligt, maar feitelijk de zitplaats voor het baasje inneemt.
Omdat de vrouw het hondje niet direct heeft gezien, raken ze met elkaar in gesprek. Ze verontschuldigt zich; de vrouw wil natuurlijk niet per ongeluk tegen het hondje trappen. Ze aait het dier, dat geduldig en zonder te blaffen de reis uitzit. Misschien is het de treinreis wel gewend.
Al snel blijkt de vrouw in de rode jurk dat de conductrice heeft verzuimd erbij te zeggen dat de andere trein - de trein waar we nu met z’n allen naar toe gerend zijn - een trein is die op ieder stationnetje op de route zal gaan stoppen. Ik ben onaangenaam verrast en realiseer me dat dit er vele zijn. Dit had ik natuurlijk kunnen weten; er vertrekken niet bijna gelijktijdig twee snelle treinen naar dezelfde bestemming. Mijn aansluiting zal ik nu sowieso gaan missen.
Deze trein zet zich gelukkig op tijd in beweging. De vrouw in de rode jurk lacht om de omissie in de mededeling van de conductrice: “Ik zie wel hoe laat ik aankom. Het leven zit vol verrassingen”, richt zij zich tot de man met het hondje. Deze man is het geheel met haar eens.
Er volgt een lang gesprek tussen de twee, dat ik grotendeels kan volgen. Er wordt gesproken over de veelvuldige problemen met de spoorwegen. De vrouw in de rode jurk moet nog een lang eind reizen, maar deze tegenvaller bederft haar goede humeur in het geheel niet.
Uit het gesprek blijkt de man van het hondje een ontwikkeld en bereisd iemand te zijn. Hij geeft de vrouw aan enige tijd in Bolivia te hebben gewoond. Hij is daarom wel wat gewend aangaande vertragingen en treinen die niet rijden. “Je komt er wel. Je druk maken heeft geen zin. Het gaat zoals het gaat. De mensen in Bolivia zijn geduldig, vriendelijk en hulpvaardig. Hier is iedereen gehaast, ontevreden en op zichzelf. “
De man is nu terug in ons land en heeft met zijn werkgever afgesproken dat hij drie maanden per jaar in Bolivia in een kinderhuis vrijwilligerswerk kan doen. De vrouw merkt op dat niet iedere werkgever hiermee akkoord zal gaan. Ik overweeg dat de man kennelijk zo goed in zijn werk is dat dit verzoek wordt ingewilligd.
Op navraag van de vrouw blijkt dat de man onderzoeker op een universiteit is. Een heel andere richting dan werken in een kinderhuis, constateert de vrouw. Dit wordt beaamd, maar het is dankbaar om te doen, en een mooie combinatie.
Het gesprek verschuift naar het vriendelijk zijn naar de medemens. “Ik groet mensen altijd, ook in ons land. Maar krijg vaak geen groet terug”, stelt de man van het hondje. Hij vervolgt: “Meestal zelfs niet. Kennelijk denken de mensen: wat wil die persoon van mij? Toch blijf ik hiermee doorgaan; ik laat mij niet veranderen.” De vrouw in de rode jurk geeft in mijn ogen het ook bij haar goed passende antwoord: “Ik ben het daar helemaal mee eens. Je moet gewoon jezelf blijven. Ik doe dat ook. Maar een enkele keer heb ik geen zin om te groeten”, geeft ze daarna eerlijk toe.
Ik realiseer me dat ik deze ochtend een aantal levenslessen heb opgevangen, welke mij overigens zeer bekend voorkomen. Ikzelf heb in het leven gelukkig ook de nodige levenswijsheid opgedaan.
Ik kijk zo nu en dan uit het raam om te zien of onze stoptrein wordt gepasseerd door de snelle trein, waarvan een deur niet wilde sluiten. Zodat ik spijt zal hebben dat ik naar de andere trein ben “overgestapt”. Maar dit blijft uit. Deze boemel is kennelijk toch de snelste wijze om het traject af te leggen.
Na het vrijwillig opgeven van haar zitplaats in de vorige trein is mijn interesse in en sympathie voor de vrouw in de rode jurk gegroeid. Ik ben blij dat zij in deze trein weer een zitplaats heeft kunnen bemachtigen, en nu een leuk gesprek met een interessant iemand kan voeren.
Ik begin de vrouw in de rode jurk ook steeds aantrekkelijker te vinden. Ze heeft niet een bijzonder knap uiterlijk, maar samen met haar positiviteit en sociale vaardigheden, wordt zij in mijn ogen een echt aantrekkelijk mens.
Ik stel mij voor dat de vrouw in de rode jurk tegenover mij was komen zitten, en wij al snel met elkaar in gesprek zouden zijn geraakt. Waarover zouden wij hebben gesproken? Zou ik haar net zo hebben kunnen boeien als de man met het hondje? Ik ben vast niet zo bereisd, maar kan over andere onderwerpen een ontwikkeld iemand interessante verhalen vertellen. Ben ik nu een beetje jaloers op die andere man aan het worden?
Bij een van de vele tussenstops is direct tegenover mij een blonde vrouw van eveneens ongeveer vijfenveertig jaar oud gaan zitten. En naast haar een wat oudere vrouw. Het is mij niet duidelijk wat hun relatie is, maar zij kennen elkaar wel.
De blonde vrouw voor mij is grotendeels aan het woord. Haar verhalen aan haar buurvrouw boeien me niet erg. Het gezicht van de blonde vrouw is niet erg expressief. Na enige tijd besef ik dat zij eigenlijk alleen maar over zichzelf aan het praten is, en dat de wat oudere vrouw voornamelijk luistert.
De blonde vrouw klaagt over vanalles. Ze voelt zich erg tekortgedaan en niets is er goed. Ze volgde cursussen om zich beter te voelen, maar die deugden ook niet erg. De vrouw is in mijn ogen niet lelijk, maar ook niet de allerknapste. De manier waarop zij zich gedraagt, maakt haar echter onnodig onaantrekkelijk.
Bij de vrouw met de rode jurk en de bereisde man is daarentegen alles positief en gezellig. Ze zijn op elkaar gericht en nog steeds in een leuk gesprek verwikkeld. Op een gegeven moment komt er na een zoveelste stop in het gangpad een vrouw naast de vrouw in de rode jurk staan. Deze wil plaatsnemen op de zitplaats waar het hondje voor ligt. Maar als ze het beestje waarneemt, ziet zij daarvan af. De vrouw in de rode jurk biedt opnieuw spontaan haar zitplaats aan: “Ik heb alweer een tijdje gezeten, gaat u maar zitten. Eventueel kunnen we elkaar afwisselen”, geeft zij lachend aan. Vriendelijk wordt dit keer het aanbod afgewezen. De staande vrouw mengt zich korte tijd in het gesprek.
Het zal niet lang meer duren voor we tergend langzaam het grote station in het midden van het land zullen binnenrijden. Het interessante gesprek tussen de vrouw in de rode jurk en de bereisde man continueert nog steeds. De twee hebben elkaar duidelijk veel te vertellen.
Haar blonde leeftijdgenote tegenover mij ratelt ook lekker door over zichzelf. De vrouw naast haar komt mij een stuk stabieler over; zij luistert haar buurvrouw nog steeds geduldig aan. De blonde vrouw had ook nog een aantal malen gedate, verneem ik, maar dat was steeds niets geworden. Ze vraagt zich af waarom ze altijd van die oninteressante mannen ontmoet.
Nu de trein eindelijk het station binnenrolt en mensen zich al ongeduldig naar de deuren begeven, zie ik dat de vrouw in de rode jurk en de man met het hondje snel telefoonnummers uitwisselen. Kennelijk zullen zij hierna volgens verschillende trajecten verder reizen, en moeten zij afscheid van elkaar nemen; anders zouden zij ongetwijfeld verder met elkaar optrekken. Ik ben blij dat het contact later een vervolg kan krijgen en voel mij een soort onmachtige cupido. Ik gun het geluk van deze ontmoeting vooral de vrouw in de rode zomerjurk.
Mijn verdere reis verloopt die dag zonder grote problemen. Ik denk op mijn terugreis aan de ervaringen in de ochtend. Ik ben toch niet helemaal zeker van dat telefoonnummers uitwisselen bij het binnenrijden van het station na de boemelrit. Omdat mensen ongeduldig in beweging kwamen en snel de trein wilden verlaten, kon ik het leuke stel niet helemaal goed meer volgen. Dat kwam ook omdat het zelfbeklag van de blonde vrouw tegenover mij de twee anderen overstemde. Had ik mij die uitwisseling van telefoonnummers alleen maar verbeeld? Omdat ik dat zelf zeker zou initiëren? Want ik zou de vrouw in de rode jurk later nog willen kunnen bereiken.
Een dag met een paar opgefriste levenswijsheden. Mede door het onverwachte verloop van de reis heb ik weer het nodige ondervonden betreffende het gedrag van mensen. Het is altijd een mix van mooi en minder mooi gedrag. Een combinatie die altijd meer zichtbaar is bij iets onverwachts dan in een vlekkeloos verlopende reis. En daarvoor hoef je niet naar Bolivia te gaan.
LAAT CADEAU
Mijn wereld bestond altijd uit vrienden, vrouwen die mij niet zagen staan, en vriendinnen, van wie slechts de lange schaduwen mij boeiden. Wensen en verlangens groeiden tijdens mijn bevlogen hordenloop weelderig langs weids rivierenland.
Nu de vrienden heren zijn geworden en de vrouwen uit mijn schijnwerper zijn verbannen, zou mij nog wat rondjesgedraai over een verkoolde sintelbaan resten. Maar als jonge atleten contactloos om mij heen dwalen, doing their thing, dan zal zij mij vanaf een afstand zien staan en lachend naar mij de baan op lopen.
Want al lang geleden naderden onze wegen elkaar, kwam zij langszij, en overbrugden wij daarna op onverklaarbare wijze brede rivieren. Moeiteloos zwom zij tegen de gevestigde stroom. Badend in ons met laserstralen verlichte bubbelbad ervaar ik opnieuw het bruisende leven.
Wij lopen elkaar niet voor de voeten, met wie zij ook intiem mocht zijn. Door tijd veroorzaakte lichamelijke onbereikbaarheid maakt haar open en toegankelijk, en mij standvastig en onaantastbaar, onvergankelijk op een laat, maar lang gekoesterd stukje belevingsroute, waarop zij mij liefdevol vergezelt.
GEMIS
“We willen niets missen”, peinsde de vijftiger hardop, zittend op een bankje in het park. “We bezoeken drukke festivals, gaan op overvolle dagen naar een heet strand. We gaan meermaals per jaar op vakantie; we reizen ons kapot. We kajakken over snelstromende rivieren, beklimmen de toppen van de Himalaya, varen tussen de ijsschotsen van een ijzig koude en verlaten Noordpool.”
“We lopen rond met een camera voor onze ogen, want wat we ervaren, kunnen we op dat moment niet goed bevatten”, vervolgde hij. “We maken foto’s en video’s om te bewijzen: we waren er, we hebben het gezien; we horen bij de clan. We stapelen herinnering op herinnering voor later, aandenkens die we daarna niet meer kunnen terughalen. De enkele flitsen die we oproepen, zijn in ons hoofd gereconstrueerd en het gevoel erbij is verkleurd.”
“Mensen in het volle leven zijn in feite net als ouderen: ze leven met een tijdbom in hun lijf”, overdacht de tachtiger, die naast de vijftiger had plaatsgenomen. “Ons leven voltrekt zich in een explosie. We zitten beklemd in een tijdcapsule, die maar even bestaat gedurende een lichtflits. Wat wij zien en beleven, schiet alle kanten op; we schilderen het leven in een expressionistisch schilderij. We missen alles van langzaam; want onze ogen staan niet ingesteld op traag. Wat wij als meest onbekend in onze wereld beschouwen, is vertrouwd in vergelijking met wat wij nooit zullen bekijken.”
“We willen niets missen in het leven, maar we weten niet wat we missen, dus missen we niets”, voegde de man eraan toe. “Maar dat weten we niet.”
“Ik zie de Himalaya nog steeds groeien”, legde de onsterfelijke uit, wiens stem tussen het gewaai van de wind door de bomen van het park klonk. “Ik merk dat gebergten omhoog worden gedrukt, maar dat zij tegelijkertijd alweer beginnen af te slijten. Stollingsgesteente wordt door verwering zand en daarna sedimentgesteente, krijgt diep in de aardkorst een metamorfe vorm, en smelt tenslotte weer tot magma. Wanneer een gebergte stijgt, het klimaat verandert, de zeespiegel wijzigt, dan passen ook de rivieren zich aan. Deze proberen steeds een helling te vinden waarbij niet te veel sediment achterblijft, maar ook niet te veel wordt meegenomen. De aarde is daarmee een dynamisch evenwicht van opbouw, afbraak, transport en afzetting.”
“Alles is in verandering, maar de mensen – de slimsten onder de dieren - zien het niet”, verzuchtte de stem. “Ze missen alles.”
LAT
De zon staat hoog aan een wolkeloze hemel en priemt op verweerde natuurstenen muren, stoffige straten en zilvergroene bladeren van olijfbomen. Smalle wegen slingeren zich rustig tussen cipressen en wijngaarden. Lavendelvelden kleuren paars; hun geur vermengt zich met die van warme aarde, hars en tijm. Maar boven alles uit klinkt het geluid van de krekels. Het vult de lucht als een eindeloze, trillende golf. Duizenden kleine lijven lijken de hitte een stem te geven; hun ritmische zang maakt de warmte extra voelbaar. Het licht in het zuidelijke vakantieland schijnt op deze zomerdag prachtig door de pijnbomen op het verharde zandpad, en alles is mooier dan thuis. We wandelen langzaam de heuvel naar beneden; dat is genieten met z’n tweeën.
Maar de hitte trekt een zware wissel op het samenzijn. Of is het iets anders? Deze middag blijkt een door haar bewust of onbewust gekozen gelegenheid om te trachten een nog los eind in onze verbintenis vast te maken. Een onverwacht diepgaande confrontatie volgt bij een stop, ergens in de schaduw van een vervallen huis met gesloten luiken. Tot heden deed ik alsof de tijd het in ons apart samenleven wel zou ontknopen. Maar de tijd verstopt alleen; hij lost niets op. Ik weet: zo ver van huis valt er niet van zo’n overval weg te lopen; ik kan geen kant op. Het is oneerlijk spel, oneigenlijk gebruik van tijdelijke schaarste aan vrijheid, en het gesprek is daarom gedoemd te mislukken. En de vakantie moet nog dagen duren.
Onze ogen zijn sindsdien open, maar aandacht is bij ieder apart naar binnen gekeerd. Mijn benen bewegen nu zwaarder op dat verdoemde pad; de hitte ontkracht mijn spieren en maakt het bestaan zo ver van huis onaangenaam. De krekels maken geen zomermuziek meer; hun eindeloos gezang dringt door als een onaangenaam scherp en onafgebroken weefsel van geluid. Het zuiderlicht tintelt niet meer geriefelijk op de huid, maar brandt pijnlijk diep door in hart en hoofd. Welk vooruitzicht hebben we voor later? Wat zal er in ons leven anders zijn als we weer thuis zijn? Hoe denkt zij – de vrouw die op het zandpad nu zwijgend een eind voor mij loopt - over straks weer daar?
ONTROUW
Lars kwam op weg naar zijn werk dagelijks langs een mooie villa, een vrijstaand huis met tuin eromheen. Eerst in de stadsbus en later in zijn eigen auto. Deze mooie woning viel hem al snel op; hij keek er altijd aandachtig naar. En naar wie er woonden. Met de auto kon hij ook even stoppen om beter te observeren. Wat zou hij daar graag willen wonen!
Lars wist al snel wie er in de villa woonden: twee jonge mensen Hij schatte hen van ongeveer dezelfde leeftijd als hijzelf: vijfendertig jaar. De man en de vrouw waren duidelijk een stel, maar zij hadden geen kinderen. Lars zag de vrouw de bloementuin verzorgen, en de man de auto’s wassen en op de machine het gras maaien. Hij zag ook wie er soms als bezoeker langskwam.
Het observeren van deze mensen werd voor Lars een soort obsessie. Ook in zijn vrije tijd, als hij met de fiets een ronde langs de villa maakte, nam hij alle tijd om huis en bewoners te observeren. Hij maakte er een studie van wanneer bezoek arriveerde en weer vertrok.
Lars begon al na korte tijd te vermoeden dat één lid van het stel in de villa overspel pleegde. Hij zag dat de man meer dan eens voor de deur een andere vrouw dan zijn partner lang omhelsde en innig zoende, en ook achter een raam van het huis duidelijk intiem met haar was. Dit steeds op momenten dat zijn vrouw niet thuis was.
Lars raakte er in de loop van tijd van overtuigd dat hij het bij het juiste eind had: de man ging vreemd. Maar hij twijfelde er wel over of hij dit bij de partner moest aangeven. Als iemand bekend raakt met ontrouw van de eigen partner, brengt dat meestal meer verdriet dan iets positiefs met zich mee. Maar anderzijds was het toch ook belangrijk dat de vrouw zou worden gewaarschuwd. Was het aan het licht brengen van de waarheid niet een vervelende confrontatie waard? Diende er geen “gerechtigheid” te zijn?
Lars besloot uiteindelijk de vrouw op de hoogte te brengen. Hij opende het hek van de tuin en liep over het grindpad naar de voordeur. Hij belde na een ogenblik wachten aan. Eindelijk kon Lars de mooie villa van nabij aanschouwen! De vrouw des huizes deed open. Lars wist uit ervaring dat hij, gelet op het tijdstip van zijn komst, haar alleen thuis zou treffen. Nu hij voor de vrouw stond, zag hij pas hoe mooi en aantrekkelijk zij was. De aangever deed bij de deur in het kort zijn verhaal.
Tot zijn verbazing werd Lars direct binnengevraagd. De vrouwelijke partner, die zich voorstelde als Josien, gaf aan dat het werd gewaardeerd dat hij langskwam om haar over deze kwestie te informeren. Zij gaf Lars het idee dat wat hij vertelde niet al bekend bij haar was. De vrouw leek namelijk te schrikken van het verhaal en wat geëmotioneerd te zijn. Josien was in de korte tijd daarna nogal in zichzelf gekeerd, alsof er een tijdje vanalles door haar gedachten ging. De vrouw gaf niet direct aan dat Lars het bij het verkeerde eind moest hebben, omdat haar partner nooit zoiets zou doen. De aangever wist dat dit nogal eens een eerste reactie van iemand in zo’n situatie is.
Er werd thee geschonken. Het kwam bij Lars over dat Josien de onverwachte informatie wilde verwerken door over neutrale dingetjes te praten: het interieur van het huis en haar bloementuin. Maar ze wilde korte tijd later toch wel graag weten hoe Lars zijn kennis had opgedaan en waarom hij zo op hun leven gericht was geweest. Lars gaf hierop eerlijk antwoord.
Maar daarna werd het zelfs een beetje gezellig. Op enig moment werd de aangever overgehaald om elkaar hierna nog eens te zien. Dit omdat Josien en Lars nu in een overeenkomstige situatie verkeerden. Beiden waren namelijk slachtoffer van overspel. Lars had Josien zojuist verteld dat zijn vriendin enige tijd geleden ook was vreemdgegaan. De relatie was uitgeraakt, en deze verdrietige situatie had – naar hij nu besefte - meegespeeld in zijn belangstelling voor de bewoners van de villa, en in zijn beslissing om zijn observaties met Josien te delen.
Na enige aarzeling ging Lars in op de invitatie om elkaar wat beter te leren kennen. Maar dan natuurlijk wel als vrienden; dat was voor Lars een duidelijke voorwaarde. Nee, dat sprak vanzelf. Ze namen afscheid en maakten een afspraak voor de vervolgontmoeting.
Op de afgesproken dag kwam Lars voor de tweede keer langs in de mooie villa. Hij bemerkte dat Josien nu een meer opgeruimde indruk maakte. Maar in plaats van hun situatie nog eens door te nemen, kwam er een vreemde wending in het gesprek. Het ging Lars opvallen dat daarin het vreemdgaan op de achtergrond raakte, en dat er voor Josien kennelijk geen reden was om haar partner, die Thomas bleek te heten, zwart te maken. In plaats daarvan verontschuldigde de vrouw zich voor het uitkomen van dit vreemdgaan van haar partner. Niet omdat het verkeerd was wat hij deed, maar omdat het niet de bedoeling was dat het voor de buitenwereld zichtbaar was. Het werd Lars steeds meer duidelijk dat hij de vorige keer mede naar binnen werd genodigd, omdat de vrouw ervoor wilde zorgen dat Lars ontrouw bij het stel niet wereldkundig zou maken.
Lars begreep niet goed waarom Josien dit aspect zo benadrukte. Uiteindelijk werd hem duidelijk dat de vrouw van het overspel wist, en dat het zelfs met haar toestemming gebeurde! Lars wist nu zeker dat hij door Josien was binnengehaald, omdat zij vermoedde dat haar partner onvoorzichtig was geweest met zijn vriendin. Zijn intieme omgang met deze dame mocht voor de omgeving dus niet opvallen. Ze wilden geen slechte naam krijgen.
Josien drong aan op een nieuwe vervolgafspraak; ze had nu weinig tijd en moest ergens heen. Op een volgende afspraak zou haar positie duidelijker worden gemaakt, stelde zij. Lars drong er op aan dat hij dan ook aan partner Thomas zou worden voorgesteld, om een en ander te bevestigen. Daarmee werd ingestemd. Ondanks de nieuwe verrassing die Josien naar voren had gebracht, merkte Lars dat hij geïnteresseerd was in deze vrouw. Hij vond haar bijzonder en ging haar ook steeds aantrekkelijker vinden. Maar Lars vroeg zich ook af of hij wel met dit soort mensen om wilde gaan. Hij kwam in een soort tweestrijd, want tegelijkertijd met een gevoel van “wees voorzichtig” werd hij door deze levensstijl geïntrigeerd en was hij nieuwsgierig.
Lars kwam voor de derde keer langs en werd volgens afspraak aan de partner voorgesteld, die inderdaad aanwezig was. Maar opnieuw zou Lars worden verrast. Bij die gelegenheid bleek dat het vreemdgaan aan beide kanten met wederzijdse toestemming gebeurde! Maar hoe kwam het dan dat Lars alleen Thomas overspel had zien plegen en niet Josien? Het antwoord op deze vraag was simpel: zij hadden afgesproken dat alleen de man zijn vriendin thuis zou ontvangen en niet de vrouw haar vriend. De man kon dan indruk op zijn vriendin maken: kijk, ik ben rijk en woon in een mooi huis. Dat trekt een vrouw altijd aan. De vrouw ging op haar beurt bij haar vriend thuis langs. Ze was aantrekkelijk en behoefde niet met een villa te pronken.
Een van de weinige regels van de twee bleek te zijn dat de contacten met anderen apart van elkaar werden gehouden. Lars hoorde dat Josien en Thomas van mening waren dat vreemdgaan in de maatschappij nog niet wordt geaccepteerd. Ontrouw geschiedt in het geniep. Het was duidelijk dat het stel niet met hun levenswijze te koop wilde lopen. Dit alles werd stap voor stap en ook voorzichtig gebracht.
Maar veel meer dan dit kreeg Lars niet te weten. Josien en Thomas waren niet erg scheutig met informatie over hun verbintenis. Lars durfde het niet aan de orde te stellen, maar hij vroeg zich inmiddels wel het nodige af. Zoals bijvoorbeeld: gingen beiden buiten elkaar misschien met meer dan één per persoon intiem om? Hadden ze al eerder “connecties” gehad?
Lars wist ook niet of de betrokkenen vrij waren of dat zij een partner hadden, maar hij ging er, gelet op wat Josien en Thomas naar voren hadden gebracht, van uit dat eventuele partners van niets wisten. In dat opzicht waren deze twee naar zijn mening dan niet correct bezig. Ontkenden zij naar anderen misschien dat zij een stel waren? Of was dat duidelijk, maar gaven zij valselijk de indruk dat ze een slechte relatie hadden en uit elkaar zouden gaan?
Was wat deze twee deden immoreel te noemen? Misschien dus naar hun connecties toe. Waren ze misschien zelfs op zoek naar personen die een relatie hadden, om die vervolgens bewust te verstoren? Of hielden zij zich hier niet mee bezig en deden ze het voor het eigen genot, terwijl zij niet nadachten over de consequenties? Waar haalden ze overigens hun “scharrels” vandaan?
Het stel kon dus mogelijk bij anderen veel schade aanrichten, maar was het er ook verantwoordelijk voor? Heeft niet iedere betrokkene zijn of haar eigen verantwoordelijkheid? Kon je hun verbintenis wel een relatie noemen? Lars vroeg zich daarbij direct ook af: maar wie bepaalt dat, en wanneer is er sprake van een relatie? Wat vonden ze zelf?
Lars bedacht dat het voor het stel kennelijk een manier van leven was, een noodzaak om te bestaan. Misschien zelfs een verslaving. Of vonden ze het alleen maar leuk om het zo te spelen? Een mogelijk kwaadaardig spel voor anderen; dat wel!
De derde ontmoeting in de villa kwam tot een einde. Lars nam afscheid van het stel. Het waren, afgezien van hun bijzondere ideeën over relaties, prima mensen. Vriendelijk en gastvrij. Lars twijfelde eraan of hij nog zou terugkomen. Het was toch allemaal erg spannend, en hij zat nog met veel vragen. Omdat hij uitdrukkelijk door Josien en Thomas werd uitgenodigd, besloot Lars daarom om toch nog eens bij beiden langs te gaan en een poging te wagen meer duidelijkheid te krijgen.
Maar op de vierde afspraak was de mannelijke partner niet aanwezig. Er kwam – voordat Lars zijn klemmende vragen op Josien kon afvuren - nog meer onverwachte informatie naar voren: de verbintenis van het stel bleek een gearrangeerd huwelijk te zijn. Maar dan dus in de moderne tijd en in de Westerse wereld. Josien bracht dit na binnenkomst van Lars naar voren en startte spontaan een relaas over de achtergrond hiervan.
Beide ouders van Josien en Thomas hadden een groot bedrijf gehad dat concurrent van elkaar was. De ouders leerden elkaar al lang geleden kennen en hadden respect voor elkaars onderneming. In beide gezinnen werd ongeveer in dezelfde periode een kind geboren. In het ene gezin een jongen, in het andere een meisje. De ouders kregen daarna ook privé met elkaar contact en de opgroeiende Josien en Thomas speelden regelmatig samen.
De twee kinderen waren al lang, misschien zelfs vanaf hun geboorte, voorbestemd voor elkaar, en wisten eigenlijk niet anders: ze zouden later met elkaar gaan trouwen. Hun ouders brachten hen dat al vroeg bij. Toen ze ouder werden, begrepen Josien en Thomas dat hun ouders hen wilden koppelen, omdat beiden daar veel voordeel aan zouden hebben. De bedrijven zouden ermee worden samengevoegd. Het bood een uniek aandeelhouderschap en een riant vermogen voor de jonge mensen, waardoor het stel in hun leven niet behoefde te werken.
De twee hadden als kind wel samengespeeld, maar waren nooit verliefd op elkaar geworden. Desondanks was de dwang vanuit beide families zo groot dat aan een huwelijk door de kinderen niet te ontsnappen viel. Ze zouden later trouwen. En zo geschiedde toen ze er de leeftijd voor hadden.
Nadat Lars dit verhaal van Josien had aangehoord, was het hem niet duidelijk waarom deze zakelijke combinatie niet mogelijk was zonder een huwelijk tussen de twee kinderen. Maar hij stelde het niet aan de orde.
Bij Lars kwamen meteen weer andere vragen op: was hun “spel” met anderen hier een extreme reactie op? Was het “vreemdgaan” eigenlijk ingegeven door frustratie, omdat de gedwongen partnerkeuze een eigen keuze in de weg had gestaan? Waren ze misschien daarvoor verliefd op een ander geweest? Hoe gingen ze vanaf het huwelijk eigenlijk met elkaar om? Was het houden van, was het vriendschappelijk, of alleen maar zakelijk en elkaar tolereren? Het vreemdgaan leek hem in ieder geval meer dan alleen seksueel; beiden wilden duidelijk een gemis aan affectie compenseren. En hoe lang was dit al gaande? Hoe dachten Josien en Thomas trouwens over hoe zij later zelf hun rijkdom aan anderen door konden geven? Wilden zij niet zelf een gezin stichten?
Lars kreeg in de periode dat hij het stel – en dan vooral Josien – kende, steeds meer de indruk dat er wederzijds meerdere punten van gemis werden ervaren, terwijl ze tot elkaar veroordeeld waren. Een van de weinige regels die naar hun zeggen tussen hen gold, was dat het huwelijk in stand moest blijven, dat ze zich positief naar elkaar bleven gedragen, en dat ze hun “scharrel” niet in contact met de partner brachten. Het was eerder al duidelijk dat alleen de man thuis zijn vriendin ontving.
Was een gekozen partner voor hen een soort onbereikbaar droombeeld, terwijl ze niet beseften dat vrije partnerkeuze lang niet altijd tot een perfecte relatie leidt? De ideale partner is toch moeilijk te vinden. Iemand heeft tenslotte altijd minpunten, waarmee men heeft te dealen. Raken vaste partners niet nogal eens op elkaar uitgekeken? Ze hebben elkaar naast praktische dingetjes dan weinig meer te zeggen, en zijn uit gewoonte nog samen of durven de ander uit angst voor alleen zijn niet te verlaten. En speelt niet ook mee dat bij iedere levensfase een andere partner past? Dit “gevaar” geldt toch voor iedere relatie?
Vreemdgaan is door alle imperfecties van relaties een veelvoorkomend verschijnsel, hoewel het meestal in het geheim plaatsvindt en tot de taboes behoort. Dus, concludeerde Lars, hadden Josien en Thomas het eigenlijk wel slechter dan andere stellen? Was wat dit duo deed wel ontrouw te noemen?
Na verloop van tijd werd Lars duidelijk dat ook hij beetje bij beetje werd verleid om aan het spel van de twee mee te doen; Josien begon met Lars te flirten. Misschien was Thomas de laatste keer niet voor niets weggebleven. Lars vroeg zich af of hij dat wel wilde, en of hij dit nog kon, nu hij op de hoogte was van wat er zich bij het stel afspeelde. Maar Josien was intelligent, geestig en had de merkwaardige gewoonte om iemand tijdens een gesprek net iets langer aan te kijken dan nodig was. Ze raakte soms zijn arm aan wanneer ze lachte. Lars was steeds meer in de ban van haar aantrekkingskracht geraakt. En zijn huidig leven was nou niet bepaald spannend te noemen!
Josien en Lars hadden elkaars telefoonnummer en konden contact opnemen als ze wilden. De dagen na de laatste ontmoeting kwam Josien steeds vaker in Lars’ gedachten. Hij voelde zich meer dan aangetrokken tot haar, misschien zelfs sterker dan hij wilde toegeven. Josien gaf hem het gevoel dat hij bijzonder was. En tegelijk wist hij dat zij hem nooit de plaats zou geven die hij eigenlijk verlangde. Hij kon haar krijgen, bedacht hij. Maar niet helemaal. Misschien kon Lars genoegen nemen met een verhouding waarin ze elkaar zagen wanneer het uitkwam. Wellicht kon hij haar vrijheid accepteren. Mogelijk was liefde tegenwoordig niet meer noodzakelijkerwijs hetzelfde als samenwonen, trouwen en elkaar trouw beloven.
Maar als Lars zich een diepgaande relatie voorstelde, zag hij iets anders dan dit voor zich: een vrouw op zondagmorgen naast hem aan de ontbijttafel. Iemand met wie hij plannen maakte zonder eerst te hoeven kijken wanneer zij beschikbaar was. Iemand die bij hem bleef wanneer het leven moeilijk werd, niet omdat dat toevallig paste binnen de afspraken van een bestaande relatie, maar omdat zij samen voor elkaar hadden gekozen. Dat was wat hij wilde, en Josien had hem iets anders te bieden.
Als hij het besluit zou nemen om het hierbij te laten, wist Lars dat hij haar niet verloor, omdat hij haar afwees. Hij verloor haar juist omdat hij eindelijk eerlijk was over wat hij nodig had. Iets dat hij bij zijn vorige vriendin had gedacht te vinden. En voor het eerst vroeg hij zich niet meer af of Josien voor hem zou kunnen kiezen. Hij vroeg zich af of hij zelf kon kiezen. Niet voor de vrouw die hem het sterkst aantrok, maar voor het leven dat hij werkelijk wilde. En een vrouw met een ander moeten delen, ook al was dat aan ieder bekend, zou hem blijven herinneren aan zijn vorige vriendin, die hem zo veel verdriet had bezorgd door hem een tijdlang heimelijk met een ander te delen.
De opstelling van Josien naar Lars toe had hem nog meer duidelijkheid verschaft over hoe het stel in het leven stond en zich naar anderen manifesteerde. De twee appelleerden bij anderen misschien vooral aan de behoefte aan avontuur, seks of het onbekende, een behoefte die bij mensen toch vaak aanwezig is. Maar vanuit een geketende band die door anderen was gesmeed. Voor Lars een boeiende manier van leven, maar niet zijn keuze.
HET BEZOEK
David hoorde de bel toen het bijna donker was. Hij verwachtte niemand. David liep naar de voordeur en keek door het ruitje in de deur. Een man die hij niet kende, ongeveer van zijn leeftijd, zesendertig jaar, stond op de stoep.
‘David?’, vroeg de man toen de deur werd geopend.
‘Ja.’
‘Mag ik even binnenkomen?’
De vanzelfsprekendheid waarmee de man het vroeg, maakte dat David een stap opzij deed.
In de woonkamer ging de man niet zitten voordat David hem dat aanbood. Hij keek rustig om zich heen.
‘U woont hier nu bijna drie jaar,’ zei hij.
David voelde een lichte rilling. ‘Hoe weet u dat? Bent u een buurman?’
De man glimlachte. ‘U bent hier gekomen nadat u met spoed uit het huis aan de Parklaan bent vertrokken.’
David zei niets, maar keek hem strak aan. ‘Wie bent u?’
‘Dat is eigenlijk niet zo belangrijk.’
‘Voor mij wel.’
De man leek hem niet te horen. Hij vertelde nog enkele dingen, feiten waarvan David zich nauwelijks kon voorstellen dat iemand ze allemaal kende: de vrouw die hij ooit had laten zitten zonder haar de werkelijke reden te vertellen; de collega over wie hij zich jaren geleden had beklaagd; een beslissing die hij op zijn werk had genomen en waar hij nog steeds niet helemaal achter kon staan. Alles was waar; juist dat maakte het bedreigend.
‘U hebt nog steeds een doos met brieven over een belangrijke kwestie. Boven, achter in de kast. U hebt ze nooit weggegooid.’
‘Wat wilt u van mij?’ vroeg David uiteindelijk.
De man keek hem lang aan. ‘Voorlopig niets.’
‘Voorlopig?’
‘Beschouw dit als een eerste bezoek.’ Daarna stond de man op, bedankte David voor zijn tijd en liep naar de deur. Op de stoep draaide hij zich nog eenmaal om.
‘U hoeft niet bang te zijn,’ zei de onbekende. ‘Maar het zou verstandig zijn als u wat beter zou nadenken over wat er vroeger is gebeurd.’ Toen was hij weg.
David bleef geruime tijd in de deuropening staan. Die nacht sliep hij nauwelijks. Er waren meerdere dingen die hij vroeger niet goed had gedaan. Voor wie gold dat eigenlijk niet? David probeerde de man te plaatsen. Was het iemand die hij vroeger had gekend? Was het een privédetective? Iemand die hem ergens van verdacht? Maar waarom zou die persoon niets van hem verlangen? Misschien was hij een chanteur en kwam hij later met een eis. Wachtte de man totdat David zelf begreep waar het over ging?
De wetenschap dat er iemand was die veel van hem wist, zonder dat hij begreep waar die persoon de kennis vandaan had, was erg beangstigend. David had het gevoel door een gestoord iemand te worden gestalkt.
De volgende ochtend begreep David er nog niets van. De onbekende man had niets gevraagd. Geen geld, geen gunst, geen excuus, geen verklaring. David ging aan het werk en vertelde niemand iets.
Een week later ging de bel opnieuw. Het was dezelfde man, zag David door het ruitje. Deze keer liet hij hem niet meteen binnen.
Staand achter de voordeur vroeg David: ‘Wat wilt u?’
‘Ik wilde nog iets vertellen.’
‘Ik wil niets meer horen.’
‘Dat dacht ik al.’
David voelde plotseling woede. ‘U kent mij niet.’
‘Ik ken u beter dan u denkt.’
David deed de deur toch maar open. De man liep naar binnen.
‘Binnenkort,’ zei hij, ‘komt er iemand bij u langs. Wat hij u brengt is van belang.’
‘Wie?’
De man antwoordde niet.
‘Wat brengt hij? Waarvoor moet ik oppassen?’
De bezoeker keek hem aan. ‘Voor niets. Of voor alles.’
‘U bent ziek,’ zei David.
‘Dat lijkt me sterk.’
‘Wie stuurt u?’
‘Niemand.’
‘Dan ben ik klaar met dit gesprek.’
De man knikte. ‘Dat begrijp ik.’
Toen vertrok hij. David zag hem de straat uitlopen. Hij bleef achter het raam staan totdat de onbekende uit het zicht was verdwenen. Daarna begon de twijfel pas werkelijk.
David probeerde op internet iets over de man te vinden. Niets, hij had geen aanknopingspunten. Hij vroeg een buurvrouw of zij de man, die hij haar beschreef, ooit had gezien. Zij herinnerde zich zo iemand niet.
David probeerde de onbekende te vergeten, maar drie dagen later vond hij na thuiskomst een foto op zijn tafel. Hierop stond hijzelf naast zijn broer. Achter hen stond een derde persoon: de man die hem had bezocht. Hij kende de foto niet. David draaide de afbeelding om. Op de achterkant stond in hoofdletters in zijn eigen handschrift: ‘ONVERGEEFLIJK.’ David bleef naar de woorden kijken.
Op dat moment ging de vaste telefoon. David nam niet op. De telefoon bleef rinkelen. Na de zevende keer hield het rinkelen plotseling op. David haalde adem. Toen begon het opnieuw. Deze keer liep hij naar het toestel en nam hij de hoorn op.
‘Hallo?’
Aan de andere kant was het stil.
‘Hallo?’ Een zachte ruis. Alsof iemand zijn adem inhield.
Toen zei een stem: ‘U had niet moeten opnemen.’
David verstijfde. Hij kende de stem. Het was de stem van de bezoeker.
‘Waar bent u?’
Geen antwoord.
‘Wie bent u?’
Een klik. De verbinding werd verbroken.
David bleef met de hoorn in zijn hand staan. Hij keek nogmaals naar de foto op de tafel en wat er achter op stond geschreven. Hij ging zitten en bestudeerde wat er op de achtergrond van de afbeelding te zien was. David probeerde zich de dag te herinneren waarop de foto gemaakt zou kunnen zijn. Bij een vakantiehuis? Misschien was de foto bewerkt en stond de man helemaal niet op de oorspronkelijke foto. Was de onbekende er later ingeplakt? Misschien bestond er geen oorspronkelijke foto en was alles nep.
David pakte zijn smartphone en maakte een nieuwe foto van de foto. Het schermpje liet de nieuwe afbeelding zien. Daarop stonden hij en zijn broer. En achter hen stond niemand. David keek nog eens naar de foto die op tafel lag. Daar stond de man wel op. David liet de telefoon bijna vallen.
Hij wist niet waar hij opeens de kracht vandaan haalde, maar na een uur peinzen belde David voor het eerst na lange tijd zijn broer. Geen gehoor. Hij probeerde het opnieuw. Toen werd er opgenomen.
‘John, met mij,’ zei David.
Een stilte. ‘David?’
‘Ik moet je iets vragen.’
‘Wat?’
David wilde de naam van de man noemen, maar hij kende deze niet.
‘Weet jij nog iets te herinneren van die vakantie van vroeger?’
Zijn broer John zweeg.
‘Welke vakantie?’, vroeg hij daarna.
‘Met ons drieën.
‘Ik weet het niet.’
‘Er was toen nog iemand bij.’
Opnieuw stilte.
Toen zei John: ‘Daar moet je niet over beginnen.’
David voelde zijn maag samentrekken.
‘Waarom niet?’
‘Omdat je toen al besloten had dat het nooit was gebeurd.’
De verbinding werd verbroken. David staarde voor zich uit. Een minuut later kreeg hij een e-mail van een onbekende afzender op zijn laptop: ‘U hebt hem gesproken. Dat had u zo niet moeten doen.’
David voelde dat hij naar het raam moest lopen. Aan de overkant van de straat stond iemand die leek op de onbekende man, maar David kon zijn gezicht niet zien. David deed een stap achteruit. Toen keek hij nogmaals. De straat was leeg.
Die nacht werd David om drie uur wakker. Hij had gedroomd dat de onbekende man door zijn huis liep. Niet door de kamers, maar door zijn herinneringen. In de droom had de man deuren geopend waarachter gebeurtenissen lagen die David jarenlang had weggestopt. Een ruzie, een leugen, een ongeluk waar hij nooit meer over had nagedacht of gesproken.
Bij elke deur zei de man: ‘Dit hebt u niet vergeten. U hebt het alleen verstopt.’
David ging rechtop in zijn bed zitten. Hij hoorde een geluid van beneden komen. Na enkele minuten verzamelde hij moed en liep hij de trap af. De woonkamer was leeg. Op de tafel lag de foto van eerder. Hij pakte hem op. Nu stond de man er niet meer op. David voelde een vreemde opluchting. Tot hij de foto omdraaide. De tekst was aangepast. In plaats van: ‘ONVERGEEFLIJK’ stond er nu: ‘NOODLOT’. David liet de foto vallen. Hij besloot terug te gaan naar de slaapkamer. De rest van de nacht sliep hij onrustig.
De volgende ochtend ging de voordeurbel al voordat David naar zijn werk ging. Hij bleef aan de keukentafel zitten. Nogmaals ging de bel. Hij liep langzaam naar de voordeur. Door het ruitje zag David wederom de onbekende man. Hij opende de deur niet.
De man begreep dat David achter de voordeur stond en zei: ‘U hebt nu twee mogelijkheden: U kunt mij binnenlaten of u kunt doen alsof ik niet besta.’
‘En wat gebeurt er als ik voor het tweede kies?’
David zag door het ruitje dat de man glimlachte en zich daarna omdraaide en wegliep. David bleef achter de deur staan. Toen hij zeker was dat de onbekende weg was, opende David de deur. Toen zag hij iets op de stoep liggen: een envelop. Zijn naam stond erop. David raapte hem op. Hij voelde meteen dat er iets hards in zat. Hij keek naar de hoek van de straat. De man was inderdaad verdwenen.
Binnen maakte David de envelop open. Er zat een sleutel in. En een briefje, waarop stond: voor de belangrijkste deur die u zich niet herinnert.
Het werd David ineens duidelijk welke deur ermee moest worden bedoeld. David voelde aan dat hij de sleutel in handen had van de oplossing voor alle merkwaardige gebeurtenissen die recent hadden plaatsgevonden. Met het openen van deze deur zou een stuk van zijn verleden duidelijk worden. Alles kwam nu in een stroomversnelling. David vond de betreffende deur en opende deze met de sleutel. Het was vervolgens alsof er een filmopname voor zijn ogen werd afgedraaid.
*
De kleine motorboot lag bijna stil op het meer. Alleen het zachte tikken van het water tegen de romp verbrak de stilte. David zat achter het roer, zijn broer John voorin en Sikko hing met één been over de rand. Het was een warme middag en het water was zo helder dat ze op sommige plaatsen de bleke bodem konden zien.
‘Daar beneden is het nog geen twee meter,’ zei Sikko.
David keek over de rand. ‘Dat denk je maar. Het lijkt ondieper door het heldere water.’
Ze voeren verder. Even later pakte John zijn jasje op van waar hij het had neergelegd. Hij voelde in zijn binnenzak en verstijfde.
‘Onze sleutel.’
‘Welke sleutel?’ vroeg David.
‘Van het huisje. Ik had hem net nog.’
‘Hij kan in het water zijn gevallen,’ zei Sikko. ‘We varen even terug.’
David draaide de boot om. Ze gingen terug naar ongeveer de plek waar ze zojuist hadden gevaren, toen John zijn jasje pakte. Op enkele meters diepte was de bodem zichtbaar: een vlakke, grijze ondergrond met hier en daar donkere vlekken.
‘Ik zie hem!’ riep Sikko plotseling.
John: ‘Waar?’
‘Daar, volgens mij. Iets glimmends.’
Voor iemand hem kon tegenhouden, deed Sikko zijn slippers uit en sprong hij overboord.
‘Sikko!’ riep David.
Sikko dook onder. Even later kwam zijn hoofd weer boven.
‘Ik zie hem!’
Hij wees naar beneden en haalde opnieuw adem. Daarna verdween hij weer naar onder.
Een paar seconden verstreken.
‘Sikko?’
David keek naar het water. Geen beweging meer.
‘Sikko!’
John stond op. ‘Hij moet bovenkomen.’
Maar hij kwam niet.
David sprong het water in. John volgde. Ze doken, zochten, kwamen boven en doken opnieuw. De helderheid van het water verdween zodra ze dieper kwamen; de bodem die vanaf de boot zo dichtbij had geleken, bleek verder weg dan gedacht.
Toen ze Sikko eindelijk vonden en mee boven water trokken, de boot in, was hij bewusteloos.
Alles wat daarna gebeurde, voltrok zich in de beleving van David in een flits: het terugvaren naar de kant, de hulpdiensten, de pogingen om Sikko te reanimeren, het moment waarop iemand zei dat het geen zin meer had. Sikko was dood.
Die avond spraken de broers nauwelijks. De volgende ochtend begon de ruzie.
‘Jij zat het dichtst bij hem, jij had hem moeten tegenhouden,’ zei John.
David keek hem ongelovig aan. ‘Ik? Jij bent de sleutel verloren! Anders was er niets gebeurd!
‘Jij bestuurde de boot. Je bent direct naar de eerdere plek teruggevaren. Misschien lag de sleutel gewoon in de boot.’
‘En jij zei dat hij de sleutel moest vinden. Je hebt hem aangemoedigd in het water te springen!’
‘Ik zei helemaal niet dat hij moest duiken. We hadden eerst in de boot kunnen zoeken’
Mogelijke oorzaken voor de verdrinking werden door de twee broers geopperd.
‘Misschien is hij ergens achter blijven haken,’ zei David.
‘Waaraan?’
‘Aan een tak. Een stuk metaal. Ik weet het niet.’
‘Toen we hem naar boven trokken, zat hij nergens aan vast.’
‘Jij hebt vroeger een reanimatiecursus gevolgd. Je had zijn leven kunnen redden.’
De broers bleven elkaar verwijten maken; de ruzie bleef. De vakantie kwam uiteraard abrupt tot een einde.
*
Nadat deze tragische herinnering in zijn hoofd was gepasseerd, kwam David langzaam terug in het heden. Hij dacht: blindheid brengt onbekendheid en voorkomt herstel van gebrekkig inzicht. David begreep dat het tijd was om met zichzelf en met zijn broer in het reine te komen. Hij had het tragische ongeval al veel te lang verdrongen. David was in de ban geweest van ontkennen, wegstoppen, schuldgevoel, verdriet. Geen van tweeën had de dood van de vriend gewild; het was een ongeval. Het was gelopen zoals het was gelopen, en zijn dood kon niet worden teruggedraaid.
Het had geen enkele zin om geen contact met zijn broer te hebben, om hier langer over ruzie te maken. Ze hadden elkaar in het verwerken ervan ondersteuning moeten bieden. Dat was spijtig genoeg voor beiden niet gebeurd, maar misschien was het daarvoor na drie jaar nog steeds niet te laat.
David werd zich er ook van bewust dat hij zich naderhand nooit had afgevraagd hoe zijn broer met deze vreselijke ervaring was omgegaan. John had daarna nog toenadering gezocht. Hij had David meerdere brieven gestuurd, die hij onbeantwoord had gelaten. Erger nog: hij had ze nooit gelezen. Pas nu besefte David dat hij het lezen ervan toen emotioneel niet aankon. Maar hij had zijn broer door niet te antwoorden in de kou laten staan.
David haalde het stapeltje brieven voor de dag en begon te lezen. Toen hij daarmee klaar was, nam hij achter zijn laptop plaats en ging er rustig voor zitten om zijn broer een uitgebreide e-mail te zenden.