Enkele humoristische verhalen uitgelicht
INHOUD:
ALICE
ONUITWISBARE GEMISTEN
WERELDTUINKABOUTERDAG
DE MONTERE SPORTER
BTW
NOT SO WELLNESS
GEWENST TE STERVEN
ALICE
“Goedemorgen, meneer. Komt u binnen”.
“Goedemorgen, meneer Peters. U heeft een mooie winkel”.
“Jazeker. U bent toch meneer Fens? Ik ken u, u woont hier in de straat, hier tegenover”.
“Klopt. We kennen elkaar van gezicht. Ik was hier nooit binnen geweest”.
“Dat zijn alleenwonende, volwassen mannen vaak niet, meneer Fens. Die komen niet in een poppenwinkel met voornamelijk poppen voor kinderen. Komt u voor een pop voor een nichtje, of zo?”.
“Ja, voor een nichtje”.
“Hoe oud is uw nichtje? Ik kan u wat exemplaren tonen”.
“Eh, vier jaar. Geloof ik”.
“Oké, meneer Fens, daar heb ik wel wat voor. Heeft u zelf iets in gedachten? Een blanke meisjespop? Moet de pop “mama” kunnen zeggen? Moet ze kunnen slapen? Groot of liever klein? Ik heb stevige poppen van goed materiaal. Of bent u op zoek naar een barbiepop? U kunt ook kiezen voor een pop die kan plassen, huilen of enkele woordjes of zinnetjes zeggen. Ik heb poppen met lange haren, verschillende accessoires en diverse passende kledingsetjes. En als er wat stuk gaat, kunt u altijd langskomen. Ik heb contacten met een goede poppendokter”.
“Eigenlijk zoek ik een pop voor volwassenen”.
“O, wacht, ik snap het. Goed dat u het tijdig aangeeft, meneer Fens. Dit is natuurlijk een geheel andere categorie poppen. Die heb ik ook. Deze poppen staan discreet in de ruimte hiernaast. Loopt u even met mij mee”.
“Ik begrijp uw voorkeur, beste heer Fens. Wij mannen kunnen bij het daten toch niet voldoen aan het eisenpakket dat een moderne vrouw aan een relatie stelt. Ik krijg meer mannen in mijn winkel die er genoeg van hebben. Die vrouwen vinden altijd wel wat om je op af te wijzen. Een relatie met een echte vrouw lijkt mooier dan het is, áls het je al lukt er een aan te gaan. Het is als man veel slikken en compromissen sluiten. Je zoekt rust, maar het levert alleen maar vermoeidheid op. En ze willen geen seks, of stellen daaraan allerlei voorwaarden. Maar laat ik niet teveel uitweiden over zaken die u al lang weet, beste Fens. Kijk dit is de collectie modernste poppen voor volwassenen. Ze zijn natuurlijk wel een stuk duurder dan poppen voor kinderen. Kunt u aangeven waar een pop voor u aan moet voldoen?”.
“Ze moet mooi, lenig en levendig zijn, meneer Peters. Aantrekkelijk gezelschap. En goed in bed”.
“Ik begrijp wat u bedoelt. Ik neem aan dat u geen goedkope opblaasvariant zoekt. Die zou ik tenminste niet aanbevelen. De poppen die u hier ziet hebben hoge afwerking en kunnen in alle posities staan en liggen. De meeste hebben drie openingen. Kijkt u eens rond. Ik neem aan dat u een vrouwelijk model zoekt. Is er een vrouw die u aanspreekt?”.
“Ik heb graag een pop met lange benen en middellang, zwart haar en Aziatisch uiterlijk. Matig geprononceerde heupen, een moedervlek op de rechterborst en “Brazilian wax” schaamhaar”.
“Ik ken dat type, maar daar heb ik helaas net de laatste van verkocht, meneer Fens.
Maar ik heb wel modellen die daar op lijken”.
“Nee, ik zoek toch juist dát model”.
“O, juist. Dan kan ik deze pop eventueel voor u bestellen. Het kan wel enkele weken duren”.
“Meneer Peters, als ik eerlijk ben, kijk ik wel eens bij uw woning boven de winkel naar binnen, en zie ik precies deze pop in uw huiskamer zitten”.
“Meneer Fens, u zet me wel even voor het blok. Laat ook ik eerlijk zijn. Dat klopt, ik heb zelf ook een pop. En, inderdaad, zij heeft de eigenschappen die u zojuist beschreef. Ze heet Alice. Maar dat blijft wel onder ons, hè”.
“Meneer Peters, het is mij ter ore gekomen dat Alice niet zo tevreden is met haar situatie”.
“Hoe komt u daarbij, meneer Fens?!”.
“Onlangs zag ik haar buiten lopen en raakte ik met haar in gesprek”.
“En wanneer moet dat geweest zijn? Ik weet nergens van”.
“Volgens mij was het afgelopen woensdagavond, meneer Peters”.
“Dat is mijn vaste kaartavond. Dan ben ik in het café”.
“Dan kan het kloppen. Ze vertelde mij dat u haar niet goed behandelt. Ze was flink over haar toeren. Ik heb de vrouw getroost en haar enige tijd thuis opgevangen. We hebben wat gedronken, en van het één kwam het ander. Vandaar dat ik weet dat Alice een “Brazilian wax” heeft”.
“Dit gedrag van haar valt me zeer tegen, Fens. Het is een ondankbaar mens. Ik geef haar onderdak, en in ruil daarvoor gaat ze vreemd met de eerste de beste vent die ze ’s avonds op straat tegenkomt! Ik had de deur toch goed afgesloten”.
“Misschien klikt het gewoon niet goed tussen u en Alice. Peters, ik kom voor uw Alice. Ik zou haar wel van u willen overnemen. Dan moeten we over de prijs maar eens praten”.
“Ik heb schoon genoeg van dit wicht. Ze heeft een slecht karakter, Fens. Ze is niet gewillig, en ze zeurt en klaagt als een viswijf. Als ik iets zeg wat haar niet zint, hebben we steevast de poppen aan het dansen. En haar huid wordt ook al rimpelig, ze is van slechte kwaliteit. Ik heb me indertijd laten leiden door het idee van eeuwige jeugdigheid en schoonheid. Maar wat blijft daarvan over? De investering levert me niets op. U kunt haar overnemen voor de helft van de adviesprijs. Alice is nog niet zo lang in mijn bezit”.
“Ook al is Alice maar een lichaam, u kunt niet alles maken, Peters. U moet haar behandelen als een prinses. U moet haar lijf goed insmeren en masseren, dan blijft ze “forever young”. Dat zou u als verkoper moeten weten. En een Aziatische vrouw verwacht dat haar man zich als heer gedraagt. U moet niet over “uw bezit” praten, Peters, daar komen vrouwen vandaag de dag tegen in opstand. U heeft haar ontevredenheid aan uzelf te danken. Ik verwacht met een beetje takt een gedweeë kameraad en bedgenote te krijgen. Ik wil haar van u overnemen, maar u dient er voor mij 1.000 euro voor onderhoudskosten bij te leggen”.
“Toe maar, ook dat nog. Het is toch al zo’n duur dametje, daar wil ik u voor waarschuwen! Ze is niet gauw tevreden en heeft een dure smaak, Fens. Ik ben bereid er 500 euro bij te leggen. Ik zoek dan wel iets anders uit in de winkel. Een model dat minder pretenties heeft”.
“Oké, 500 euro dan”.
“Ik zal Alice van boven halen. Dan kunt u haar meteen meenemen. Fens, ik ben haar zat!”.
“Fijn, Peters. Ik vind dat u een mooie winkel heeft. Ik wacht wel even. Vergeet u niet alle kleding en eventuele andere attributen mee te nemen van boven?”.
ONUITWISBARE GEMISTEN
In de brandende zon van de woestijn belde een man van in de veertig met zijn mobiel naar het politiebureau van het dichtstbijzijnde dorp.
“Met Broekema, ik doe aangifte van een vermissing”.
De receptioniste verbond de man door met de enige op het bureau aanwezige politiemedewerkster, tevens rechercheur. Een vrouw van in de dertig.
“Met mevrouw Slot, U belt in verband met een vermissing?”.
“Ja, dat klopt, mijn vrouw is verdwenen. Ik was even weg. Ik denk dat ze is ontvoerd”.
“U heeft haar dus niet zien weggaan. Hoe lang is uw vrouw al weg?”.
“Ik denk toch zeker een paar uur. Ze is behoorlijk aantrekkelijk en er zwerven hier allerlei overvallers te paard rond. Ik ben bang dat haar iets is aangedaan”.
“Hier rijden mensen nog wel eens op een paard, maar van overvallers in dit onherbergzame gebied horen wij niet zo vaak. Uw vrouw is trouwens nog niet zo lang van huis. Mogelijk staat zij straks weer voor de deur”.
“Wij zijn niet thuis, mevrouw. Ik zie hier ook geen enkel huis om me heen. Wij kamperen midden in deze verlaten woestijn. Ik heb er nu al spijt van. Ik word gek van die hitte”.
“Oké, meneer Broekema, ik kom wel even bij u langs, dan kan ik de situatie beter beoordelen. Als u mij beschrijft waar uw tent staat, dan ben ik zo bij u”.
Niet veel later reed Slot in haar politiejeep naar de aangegeven locatie en ontwaarde zij een tweepersoons tentje “in the middle of nowhere”. Broekema liep haar al tegemoet, en de twee stelden zich aan elkaar voor.
“Kan het zijn dat ik u eerder in het restaurant van het dorp heb gezien? U bent ook nu niet in uniform?”, zei de man wat verbaasd.
“Ja, daar kom ik regelmatig. Nee, als ik snelheid controleer, ben ik wél in uniform, nu ben ik in de functie van rechercheur. Want er valt iets te rechercheren, begrijp ik. Ik kleed me trouwens het liefst in burger, en lekker luchtig. Het is hier al zo heet. Vindt u het wat?”.
“Uw outfit bedoelt u? Nou zeker! Ik kijk mijn ogen uit. Dat noem ik zeker luchtig gekleed. Mooi kort rokje ook. U daagt een man wel graag uit, geloof ik”.
“Dank u, ik krijg graag complimentjes. De paar mannen die hier in het dorp verblijven, kijken ook graag naar me. Helaas leggen ze nooit contact. Dat is wel frustrerend, en je moet als vrouw dus wel een beetje uitdagen. Maar de hormonen treden bij de heren niet in werking. Boring! Maar goed, daar gaat het nu even niet om. We hebben een gevalletje vermissing, zegt u”.
“Ja, klopt. Maar als mijn vrouw inderdaad is ontvoerd, kunnen wij samen misschien wat in het dorp gaan eten”.
“Laten we niet op de zaak vooruitlopen. Zo’n kanjer bent u nou ook weer niet. Een vermissing dus. Laat me eens denken, wat kan er allemaal aan de hand zijn?”.
De politievrouw dacht een ogenblik na.
“U zei dat uw vrouw aantrekkelijk is? Nog aantrekkelijker dan ik?”.
“Nou nee, Rita is mooi, maar zo mooi als u is ze niet, helaas”.
“Oké, dan heb ik een beeld. Heeft u een foto van haar?”.
“Nee, daar kan ik u hier niet aan helpen”.
Mevrouw Slot vond het maar een vreemde situatie. Was er wel een vermissing? Had Broekema zijn vrouw misschien vermoord? Of was zij maar een verzinsel, een fantasie? Omdat hij eigenlijk alleenstaand en eenzaam was? Ze wist dat de zon op mensen een vreemde uitwerking kon hebben. Ze waren deze hitte niet gewend. Was de man niet verward, had hij niet een zonnesteek? Of had hij een oogje op haar, en zocht hij zo contact? Hij kende haar tenslotte van het restaurant, en toen was ze ook nogal sexy gekleed.
Slot kwam er niet uit, en besloot een kijkje in de tent te nemen. De rechercheur zag dat er binnen inderdaad een tweede slaapplaats was. Ze keek verder rond, en verschoof de twee luchtbedden een beetje. Mevrouw Slot ontdekte een pistool onder één van de hoofdkussens.
“Aha, dat is interessant. Wat doet dit pistool in uw tent? U heeft hier een vergunning voor?”.
“Die ligt thuis. Ik heb dat pistool uit veiligheidsoverwegingen. Zoals ik al aangaf, er zwerven hier piraten en overvallers te paard rond”.
“Piraten zelfs, toe maar. Zijn het geen zeerovers?”.
“U neemt me niet serieus, mevrouw. Hier in de woestijn zijn geen zeerovers!”.
“Nee, dat weet ik ook wel! Nou ja. Ik heb het hier wel gezien. Ik ga nu terug naar het bureau. Ik heb kennis genomen van uw vermissing en hou een oogje in het zeil. Goedenmiddag”.
De rechercheur vertrok richting haar politiejeep, maar draaide na een aantal meters om, en liep terug naar de heer Broekema.
“Sorry, ik vertrouw het toch niet. Dat pistool in uw tent en een vaag verhaal van vermissing. Dit moet beter worden uitgezocht. U gaat mee naar het bureau”.
Zo geschiedde, de heer Broekema bood weinig weerstand. Mogelijk had hij wel behoefte aan wat schaduw. Slot sloot Broekema voorlopig op in de enige politiecel van het bureau.
Na een kop koffie besloot ze voor nader onderzoek terug te keren naar de tent. Toen de politievrouw daar aankwam, ontwaarde zij een vrouw die zich rond de tent ophield.
“Ik ben Slot, rechercheur van politie. Bent u Rita?”.
“Rita? Nee, die ben ik niet”.
“U bent niet de echtgenote van de heer Broekema?”.
“Nee, ik ben mevrouw van Breukelen, zijn therapeute. Is hij in de buurt? Ik zie hem nergens”.
“Dat kan kloppen, hij verblijft even een tijdje op het bureau. Uw cliënt belde mij met het verhaal dat zijn vrouw mogelijk was ontvoerd. Ik vond het vreemd. Maar zit het anders in elkaar?”.
“Inderdaad. Er is hier geen echtgenote, die is thuis. Broekema en ik zijn op outward bound. Een lastige cliënt, die Broekema. Hij heeft ernstige verlatingsangst. Deze is veroorzaakt doordat hij als klein kind jarenlang alleen in huis achter werd gelaten, omdat moeder in de winkel van het echtpaar moest helpen. Als hij nu van huis gaat, ketent hij zijn vrouw Rita met een lange ketting vast aan de verwarming. Zo bang is hij dat ze wegloopt of zich zal verkopen aan de buurman. Voor dat alles heb ik hem behandeld. Dit hier in de woestijn is een soort eindtest. De therapie is afgerond”.
“Oké, helder. En waar was u daarnet?”.
“Boodschappen doen. We willen vanavond bij de tent eten”.
Slot constateerde dat de therapeute bij Broekema in de tent sliep. Maar ook zij maakte op de rechercheur een wat verwarde indruk.
“Kunt u wat meer over uw cliënt vertellen? Is het gebruikelijk dat u samen met uw cliënt in een tentje in de woestijn verblijft?”.
“Ha, ha. Ik begrijp dat dit voor leken wat vreemd overkomt. U moet weten dat de heer Broekema ook moet leren om zijn handen van vrouwen af te houden. Hij wordt regelmatig van handtastelijkheid beschuldigd. Dit kamperen is de ultieme uitdaging om het effect van de therapie te testen. Daarom heb ik altijd ook een pistool bij me. In het dorp merkte ik echter dat ik het per ongeluk in de tent had laten liggen. Niet zo slim van mij”.
“Aha, dat pistool is van u! Ik trof dat wapen inderdaad in de tent aan. De heer Broekema gaf aan dat het van hem is?”.
“Lariekoek. Mocht hij willen. Ik ben blij dat u het heeft gevonden, en niet hij. God mag weten wat hij ermee had gedaan!”.
“Heeft u een vergunning?”.
“Natuurlijk heb ik een vergunning!”.
De politievrouw twijfelde aan het verhaal van de therapeute, maar achtte niet langer grond aanwezig voor het vasthouden van Broekema. Wat die twee daar ook in de woestijn uitspookten, er werd kennelijk niemand vermist. Ze besloot hem maar vrij te gaan laten, en nam afscheid van mevrouw Van Breukelen.
Toen Slot de heer Broekema op het bureau vertelde waarom hij weer werd vrijgelaten, keek hij de politievrouw vreemd aan, maar maakte hij zich daarna snel uit de voeten.
Slot was nu wel toe aan een maaltijd. Ze had honger gekregen. Maar ze bleef tijdens het eten piekeren over die twee toch wel rare snoeshanen die ze had ontmoet. Met name zat dat vuurwapen haar nog dwars. Waarom had ze dat niet meegenomen naar het bureau?
De politievrouw wilde dat pistool toch nog beter onderzoeken, en besloot nogmaals naar de tent te rijden. Op de plaats aangekomen waar deze zich bevond, bleken de tent en de kampeerders te zijn verdwenen. Onverrichter zake keerde mevrouw Slot daarom weer terug naar het bureau. Aldaar wachtte een man op haar die zich bij de receptioniste had gemeld. Hij stelde zich voor als Zeilstra.
“Ik ben op zoek naar een hier in de woestijn kamperend echtpaar, en ik hoorde van uw collega dat u met hen contact hebt. Ik kan ze echter niet vinden. Ze verblijven niet op de afgesproken plek”, begon de heer Zeilstra.
“Ik was inderdaad een duo dat hier aan het kamperen was aan het onderzoeken. Maar wie bent u nou weer?”.
“Ik ben de relatietherapeut van het echtpaar Broekema. Ze zouden hier gaan kamperen als laatste therapiesessie, en ik zou hen hier voor een eindgesprek komen bezoeken. Maar ik kan ze dus niet vinden”.
“Alweer een therapeut. Wat is hier allemaal gaande?”, verzuchtte mevrouw Slot. “Tijden lang gebeurt hier geen moer in de omgeving, en nu vliegen de hulpverleners me om de oren!”.
De rechercheur moest moeite doen om de uitspraken van Zeilstra te volgen, ze werd een beetje verblind door zijn aantrekkelijke uiterlijk. Hij was beslist een knappe dertiger. Vergeleken met hem waren die mannen in het dorp maar kwibussen. Dit was de man die ze altijd had gezocht. Wat een lichaam, wat een mooi gezicht! Hoe kon zij hem interesseren? Gelukkig had ze nog haar uitdagende kleding aan. Zou hij hier positief op reageren? Hem eerst maar een beetje aan het lijntje houden, bedacht ze als strategie.
“Wilt u koffie? Laten we de zaak rustig bespreken, het is nogal ingewikkeld”.
Ze vertelde Zeilstra wat ze tot nu toe had meegemaakt. Deze gaf haar op zijn beurt de nodige informatie over de twee kampeerders.
“De vrouw die u bij de tent zag, is niet de therapeute van Broekema. Zij is Rita, zijn echtgenote, en medecliënt van mij. Rita heeft als tiener moeten meemaken dat haar vader haar moeder heeft vermoord. Ze zegt nogal eens tegen haar man dat ze hem zal verlaten. Maar dit doet ze dan toch niet. Ze zou dit ook nooit kunnen. Maar ze is wél gauw jaloers.
“Het pistool dat u heeft aangetroffen is ook van Rita. Zij draagt dit altijd bij zich, maar had het nu kennelijk per ongeluk in de tent laten liggen. Haar verhaal is altijd dat ze ervaart dat Broekema haar geen moment uit het oog wil verliezen. Maar eigenlijk trekt haar dat enorm aan, ze is blij met zijn afhankelijkheid van haar. Op hetzelfde moment is ze ook weer doodsbang voor hem. Ze bedreigt de man daarom regelmatig met dat wapen. Erg gevaarlijk! Ik heb haar duidelijk aangegeven het ding weg te doen voordat ze op kampeertrip zouden gaan. Dat heeft ze dus kennelijk niet gedaan”.
En hij vervolgde: “De twee spelen altijd samen een soort spel. Je kunt het zien als een manier van leven of als een partnerprobleem van het echtpaar. In de therapie heb ik geprobeerd hen daarvan af te brengen. Jeugdtrauma’s duren voort gedurende iemands hele leven. Ze bepalen de partnerkeuze en beïnvloeden de relatie die zij met die partner hebben. Trauma’s worden daarin steeds “uitgespeeld”. De buitenwereld kan het niet altijd volgen.
“Dit kamperen was bedoeld als slot voor deze therapie, maar de behandeling lijkt nu mislukt. De leegte en verlatenheid van de woestijn, en daarbij nog de grote hitte, waren bedoeld als ultieme test voor beiden. Ze komen uit de stad, en zijn dit niet gewend. Dat was met opzet bedacht. Het zou een extra moeilijkheid zijn om hun strijd tegen eenzaamheid te beproeven. Maar het is mislukt”.
De politievrouw zag dat de therapeut nu bedroefd was.
“Vervelend om die therapie zo te zien stranden. Kom op, u heeft uw best gedaan. Het ligt niet aan u. Die twee mafkezen overleven het samen wel. Ze zijn deze manier van leven gewend, U gaf het al aan. Laat ze lekker verder spelen. Het lijkt me tijd voor wat ontspanning. Zullen we samen wat gaan eten in het dorp? Het restaurant hier is best goed, ik kom er vaak. Heeft u tijd, of wacht er thuis een mevrouw Zeilstra op u? Laten we het er even van nemen. Wat dacht u ervan?”.
Zeilstra was tijdens deze troostende woorden van Slot weer wat opgebeurd. Dit was weer zo’n dag, een dag waarin een aantal onuitwisbare gemisten bij mensen elkaar opvolgden. Niet alleen de heer en mevrouw Broekema waren beiden een belangrijk persoon kwijtgeraakt, ook de politievrouw miste duidelijk iemand. Zeilstra nam het maar zoals het was.
“Nou, laten we dat dan maar doen. Ik ben wel toe aan wat afleiding. U bent overigens al wel gekleed op een avondje uit. Zat uw diensttijd er net voor u op voor vandaag?”.
“Klopt! Vindt u het mooi zo? Rijdt u met mij mee in de jeep? Daar kun je heerlijk mee scheuren. We maken een extra rondje over de hoofdstraat”.
Het werd nog een gezellige avond met de nodige drank. Een avond die beiden niet graag hadden gemist. En de rechercheur vernam nooit meer iets van die twee aparte kampeerders.
WERELDTUINKABOUTERDAG
Het is Wereldtuinkabouterdag, de dag waarop jaarlijks wordt stilgestaan bij de belangen van tuinkabouters. De tuinkabouter treedt op als beschermgeest van de tuin en het huis dat daarbij hoort, en is tevens een symbool van geluk en vruchtbaarheid voor de tuin.
De heer Stieltjes, een stevig gebouwde zestiger, als vertegenwoordiger van de in het kader van de viering van deze dag ingestelde lokale tuinkaboutercommissie, komt in zijn wijk poolshoogte nemen. Er vindt inspectie plaats van tuinen die zijn voorzien van een tuinkabouter, en er wordt aandacht gevraagd voor Wereldtuinkabouterdag.
Stieltjes heeft een lijst van met kabouters bevolkte tuinen bij zich, want het houden van een kabouter is vergunningplichtig. Dit om inspectie mogelijk te maken en ervoor te zorgen dat tuinen niet met kabouters overbevolkt raken. De leefomgeving dient acceptabel te zijn.
Tevens wordt bekeken of de tuinkabouter wel voldoende wordt beschermd om kabouterontvoering tegen te gaan. Hij dient met zijn voeten stevig vast in de aarde of op harde ondergrond te staan, om niet zomaar ontvreemd te kunnen worden. Er zijn namelijk “bevrijdingsgroepen” die van oordeel zijn dat tuinkabouters “in het wild” behoren te leven. Zij willen kabouters uit tuinen ontvreemden en hen in bossen of op andere “natuurlijke” plekken plaatsen. Onlangs zijn er in de regio nog weer ontvoeringen geweest.
Daarnaast houdt de inspectie op deze dag een wedstrijd wie ten behoeve van de kabouter de beste tuin heeft. De uitslag van de wedstrijd zal worden gepubliceerd in de Tuinkabouterkoerier, die de vergunninghouders ieder kwartaal ontvangen.
De meeste tuinen zijn volgens de inspecteur in orde. De kabouters staan er goed bij, op een ruime, goed onderhouden plek, waar zij voldoende uitzicht hebben en beschermd worden tegen katten en andere indringers. Maar Stieltjes is ook gebleken dat sommige kabouters er wat vervuild bij staan, in niet goed bijgehouden tuinen. Soms zelfs overwoekerd door planten en struiken. Die tuinen vallen niet in de prijzen en komen onderaan op de wedstrijdlijst te staan.
Stieltjes is bijna aan het einde van zijn ronde en is niet ontevreden. Tot hij stuit op een tuin waar duidelijk wél het nodige op aan te merken is. Dat valt hem direct op. Hij besluit de eigenaar aan te spreken. De inspecteur behoeft niet bij het huis aan te bellen; de man is in zijn tuin aanwezig.
Stieltjes loopt de tuin binnen en identificeert zich als vertegenwoordiger van de tuinkaboutercommissie. Na een snelle blik op zijn lijst vraagt hij: “Bent u Beukema?” Na een enigszins vage bevestiging van de wat vreemd reagerende man – Stieltjes begrijpt dat hij de eigenaar met zijn bezoek overvalt - somt de inspecteur vervolgens op wat er naar zijn beoordeling mankeert aan de tuin voor de daarin geplaatste kabouter.
Beukema hoort hem aan, terwijl hij wat houterige bewegingen maakt. Kennelijk is hij wat stram in het lichaam door werkzaamheden in de tuin. Hij geeft aan: “Heeft mijn tuinkabouter hierin zelf nog iets in te brengen? Daar draait het toch vooral om, het belang van de kabouter! Waarom wordt hem niets gevraagd?”
Stieltjes constateert dat Beukema in de veronderstelling is dat wij mensen met onze kabouters kunnen communiceren. “U kletst”, zegt Stieltjes, “tuinkabouters kunnen niet denken en praten. Wij mensen dienen op te treden in het belang van de kabouter.”
“Jawel hoor, die van mij kan dat wel”, stelt Beukema onverschrokken. Hij gaat naast zijn kabouter staan en doet het voorkomen dat zijn kabouter praat, zoals een buikspreker dat pleegt te doen: “Ik heb het hier prima”, geeft de kabouter uit zichzelf aan. Kennelijk heeft deze de opmerking van de inspecteur begrepen.
“Daar trap ik niet in, meneer Beukema, ik zie uw lippen bewegen.”
“Nee hoor, dat doen ze niet. Albert kan zelf praten. Vraagt u hem maar iets.”
Stieltjes gooit het over een andere boeg en zegt: “Oké, ik zal hem iets vragen, maar ik let goed op uw lippen”. Zich richtend tot Albert vraagt hij: “Bent u tevreden over uw baasje of verwaarloost hij u? Ik wil een eerlijk antwoord.”
De kabouter geeft als reactie: “Ik ben helemaal tevreden, mijn baas verzorgt mij goed en zijn tuin is prima in orde. Ik ervaar het als een fijne leefomgeving. U kunt wel weer gaan.”
Zich weer richtend tot Beukema zegt Stieltjes luid: “Haha, ik zag duidelijk uw lippen bewegen. En u zwetst maar wat, meneer, want uw tuin ziet eruit als een vuilnisbelt, het is een zwijnenstal. Albert loopt zo allerlei ziektes op, hij wordt onvoldoende verzorgd en beschermd, en het uitzicht hier is voor hem niet om aan te zien. Dit is geen bestaan voor een kabouter. Ik ben bang dat ik de tuinkabouterbescherming moet inschakelen. Of Albert meenemen naar het tuinkabouterasiel. Hebben uw buren niet geklaagd over deze rommel?”
Beukema: “Nee, hoor, geen klacht ontvangen. En U hoorde Albert zelf. Hij is tevreden.”.
Op dat moment spot Stieltjes achter in de tuin nog een tweede kabouter. Hij roept verbaasd: “U heeft nog een tuinkabouter! Die had ik niet gezien. Deze staat ook niet op mijn lijst. Heeft u hier wel een vergunning voor?”
Gevolgd door Beukema loopt Stieltjes wat verder de tuin in. “Wat zie ik nu? Een naakte tuinkabouter?! Dat is tegen de welstandsregels.”
Beukema geeft Stieltjes de indruk dat hij hier niets van snapt: “Ik ken deze kabouter niet. Hij is zeker van de buurman en is kennelijk zojuist aangelopen. Misschien is hij nieuwsgierig naar uw aanwezigheid. Hij wil vast weten wat u hier komt doen.”
Stieltjes resoluut: “Lariekoek, dat geloof ik niet, meneer. Deze kabouter is van u en staat hier illegaal een beetje exhibitionistisch te zijn. U tracht de kabouterbelasting te omzeilen! Waarom staat deze kabouter hier anders achteraan? En dan ook nog zonder kleren. Foei! Hier achter in de tuin is het een nog grotere wildernis dan vooraan!”
“Laten we even nog wat dichter naar Kees lopen”, probeert Beukema. “Hij zal ons wel zeggen wat hij hier komt doen.”
“Ja, ja, en dan gaat u zeker weer buikspreken?! Niets daarvan, u bent er gloeiend bij. Hoe weet u trouwens dat deze kabouter Kees heet? Hij is van u, dat weet ik zeker. Kees gaat met mij mee, ik wikkel hem wel in mijn shawl. Dient u maar een verzoek in tot teruggave, en betaalt u uw belasting eerst maar eens”. Stieltjes raakt nu echt geïrriteerd.
De twee lopen terug naar de voorkant van de tuin. Op dat moment komt er – gezien zijn rode puntmuts, witte baard en bolle wangen - een als kabouter geklede man van in de vijftig het huis uit lopen, en zegt tegen Stieltjes: “Wat doet u in mijn tuin? Ik heb u niet binnengelaten.”
Stieltjes kijkt verbaasd op. Een levende tuinkabouter, ook dat nog! Is dit soms de echte eigenaar van de tuin, de ware Beukema? De inspecteur identificeert zich opnieuw en vraagt hem uit te leggen wat hier gaande is. De nieuwe persoon verklaart inderdaad Beukema te zijn.
Stieltjes heeft volgens hem kennisgemaakt met zijn tuinman: “Ben is mijn pas aangeschafte robot, die zich nog aan het inwerken is. Hij bakt nog niet veel van zijn taak. Daarom is de tuin nog zo’n zootje. Vindt u hem niet wat vreemd overkomen? Was u niet opgevallen dat hij weinig meer kan dan mijn twee kabouters in de tuin? De huidige robotmodellen zijn behoorlijk geperfectioneerd, maar het blijven merkwaardige snuiters.”
Beukema vervolgt: “Albert en Kees hadden bij mij geklaagd over hun slechte leefomgeving. Uit protest heeft zelfs een van hen onlangs zijn kleren uitgedaan. Hij wil deze pas weer aantrekken als zijn leefomstandigheden zijn verbeterd. Omdat ik niet van tuinieren hou en ook geen tuinman heb, heb ik deze robot aangeschaft.”
De eigenaar gaat verder: “Het tuinkabouteren is al jaren mijn grote liefhebberij, en ik geef zielsveel om Albert en Kees. Het zijn mijn kindjes, meneer. Uit respect voor hen doe ik zelf op Wereldtuinkabouterdag mijn kabouteroutfit aan. Ben is een stuk actiever dan Albert en Kees, maar moet nog beter worden afgesteld. Dat weet ik. Die instructie is een heel boekwerk, meneer. Er is gewoonweg niet door te komen! Wat denkt u, zou ook Ben op deze dag kabouterkleding niet misstaan? Hij kan het inmiddels goed vinden met Albert en Kees.”
Stieltjes weet het nu even niet meer; het wordt voor hem te veel. Hij vertrekt snel na een kort: “Goedendag!” Zonder iets mee te nemen. Stieltjes voelt zich niet in staat zijn ronde af te maken. Hij bedenkt dat hij thuis heel wat te vertellen heeft. “Als mijn vrouw om mij te verrassen, maar niet haar tuinkabouterpak heeft aangedaan. Dan draai ik mijn eigen kabouter in de tuin persoonlijk de nek om!”, schiet onderweg de aangeslagen inspecteur nog door het hoofd.
DE MONTERE SPORTER
Twee mannen komen elkaar tegen door bijna gelijktijdig in de woestijn op een spaarzaam aanwezig bankje plaats te nemen. Een rustige, wat gezette en oudere wandelaar met hoedje, en een jongere, nogal gehaaste hardloper met sportieve pet en sportschoenen.
De jongere man neemt plaats naast de zojuist ook gearriveerde oudere. Enigszins buiten adem begint hij: “Heeft u ook zo’n last van zand in uw schoenen?”
Zonder het antwoord af te wachten, vervolgt hij: “Mijn waterfles is leeg. Ik hoop dat ik deze snel kan vullen, want ik heb dorst als een paard. Ik loop van oase naar oase. Heeft u een idee welke route ik moet volgen? Langs deze zandheuvel of langs die? Ik kan de routeplanner niet gebruiken. We hebben hier geen bereik, en mijn routekaart ligt nog in de camper.”
De oudere man hoort zijn bezoeker rustig aan en krijgt nu de gelegenheid om een reactie te geven: “Goedenmiddag meneer. Mijn naam is Postema. Met wie heb ik het genoegen?”
“O, sorry. Wat onbeleefd van mij. Mijn naam is Zwiers. Ik liep wat hard van stapel. Het is hier ook zo heet. Er is hier nergens beschutting. Maar ik zie dat u een paraplu bij u heeft, die u als parasol gebruikt. Tenminste, dat neem ik aan. Mag ik even “schuilen”? Haha, sorry voor het grapje. Als ik ga schuilen, gaat het ten koste van de uitdaging. Dus nee, toch maar niet. Het moet wel een uitdaging blijven.”
Zwiers vervolgt zonder noemenswaardige pauze: “Ik ben aan het oefenen voor een hardloopwedstrijd, binnenkort hier in de woestijn. Het gaat om een meerdaagse ultramarathon. De afstand is ongeveer tweehonderdvijftig kilometer in totaal, verspreid over zes etappes in zeven dagen. Sommige etappes zijn meer dan tachtig kilometer lang. We moeten dan zelf in een rugzak eten, slaapspullen en verdere uitrusting meenemen. Die zaken heb ik nu nog niet bij me. Dat moet ik volgende week nog oefenen. Men zegt dat we over een goed oriëntatievermogen moeten beschikken. Dat wordt nog wat, haha. Ik ben erg gewend om mijn navigatie te gebruiken. Nou ja, het zal wel goedkomen.”
Postema denkt: “Op dit moment is deze man nog niet goed voorbereid om in de hitte de uitgestrekte zandduinen, het rotsachtige terrein, de zoutvlaktes en heuvels te trotseren. Hij denkt zeker dat hij straks in het Guinness Book of Records kan komen.”
Hij richt zich tot Zwiers en zegt: “Ziet u die drie kamelen daar in de verte? Daar moet u rechtsaf. Daarna ziet u een enkele palmboom staan. Die passeert u, en dan gaat u linksaf. Daar is een Chinees restaurant. Nee, natuurlijk niet. Zo werkt het hier niet in de woestijn! Hoe komt het dat u zich niet goed heeft voorbereid? U gaat toch niet zomaar in deze onherbergzame en hete omgeving op pad? Wat bezielt u?”
Zwiers reageert snel: “Nee, ik maakte maar een grapje. U hoeft mij niet te helpen. Haha. Ik vind mijn weg wel. Ik ben al drie keer verkeerd gelopen. Het maakt niet uit. Dat is de kick, de uitdaging. Anders loop ik me toch maar te vervelen.”
Postema lijkt het raadzaam de gehaaste hardloper wat te kalmeren. Hij zegt op ontspannen toon: “Blijft u even rustig zitten. Dat zal u goed doen. Ik zal u in de tussentijd wat vertellen. Ik heb vroeger ook hardgelopen. En ik ben nog vele andere uitdagingen aangegaan. Ik ben net als u begonnen: slecht voorbereid. Maar al doende leert men. Zowel als wielrenner en als hardloper beklom ik bijvoorbeeld herhaaldelijk dezelfde heuvel of berg, totdat ik in totaal achtduizendachthonderdachtenveertig meter hoogteverschil had afgelegd. Gelijk aan de hoogte van de Mount Everest. Verder heb ik in het verleden meegedaan aan zware triatlons, en heb ik oceanen overgestoken in een roeiboot. Altijd fanatiek bezig geweest, net als u nu.”
De oudere Postema vertelt verder dat hij als scholier altijd al de beste wilde zijn. Op school werd hij bij gymnastiek steevast als eerste uitgekozen bij wedstrijdjes. Het fanatiek zoeken naar uitdagingen was daarna altijd gebleven.
Terwijl Postema hierover vertelt, staat Zwiers alweer naast het bankje zich kennelijk “warm te houden”. Hij doet allerlei rek- en strekoefeningen. Als de oudere hem meewarig aankijkt, verkondigt de jongere sporter: “Ik volg u wel. Gaat u verder.”
Postema weet niet of Zwiers zijn verhaal wel echt goed volgt, en of deze begrijpt wat hij hem duidelijk wil maken. De oudere ging toch maar verder met zijn levensverhaal. Waarom deed hij in het verleden al die uitdagingen? Hij vroeg het zich vroeger nooit af. Mensen doen soms rare dingen in het leven. Is het de kick om zo fanatiek bezig te zijn? Is het verveling? Zo’n extreme activiteit vraagt niet alleen om fysieke kracht, maar ook om mentale veerkracht, doorzettingsvermogen en goede voorbereiding. Veel fanatiekelingen beschouwen het als een levensveranderende ervaring, vanwege de combinatie van bijzondere natuur, fysieke uitputting en kameraadschap. Het is in ieder geval duidelijk dat het doen van dit soort extreme inspanningen verslavend werkt.
Het is Postema nog steeds niet duidelijk of zijn levenservaringen en goedbedoelde raadgevingen wel gehoor vinden. Zwiers is weer naast hem op de bank gaan zitten en kijkt strak voor zich uit. Zijn gedachten lijken geheel te zijn uitgeschakeld.
De oudere gaat toch maar weer verder met zijn verhaal. Hij geeft aan dat hij het er na verloop van tijd niet alleen fysiek, maar ook geestelijk moeilijk mee kreeg. Hij kon in het dagelijks leven steeds vaker “waar” niet meer van “onwaar” onderscheiden. Allerlei niet-bestaande beelden doemden tijdens bijvoorbeeld marathons als fata morgana’s bij hem op. En hij wist later niet meer zeker of hij een uitdaging wel echt was aangegaan.
Zijn huisarts had hem op zeker moment afgeraden om door te gaan met dit soort onmenselijke inspanningen. Hij zou het fysiek niet meer kunnen bolwerken. Maar ook geestelijk niet, dat was al wel gebleken. Hem werd geadviseerd zich door een in extreme omstandigheden gespecialiseerde therapeut te laten helpen. Hij zou in overleg met deze therapeut een soort afbouwprogramma moeten opstellen.
En daar is hij nog steeds mee bezig. Daarom is hij op deze locatie steeds kortere afstanden aan het lopen. Aan het wandelen, wel te verstaan. Gevoelsmatig bevindt hij zich nu in de eindfase van zijn afbouwprogramma.
Postema merkt dat hij zijn verhaal moet afronden; de hardloper is weer opgestaan en staat zichtbaar te popelen om in beweging te komen. Hij besluit: “Ik herken duidelijk kenmerken van mijzelf in u, meneer Zwiers. U bent net zo fanatiek als ik, maar u bent duidelijk een beginneling, een jonkie dat nog moet oefenen. Als een pubermeeuw die nog moet leren vliegen, die al wat klappert met zijn jonge vleugels, terwijl hij steeds een beetje van de grond opspringt. Ik vind het nogal onverantwoord wat u nu aan het doen bent. En ik raad aan op veranderingen in uw geestelijke gesteldheid te letten. Dat zijn waarschuwingen dat u pas op de plaats moet maken.”
Zwiers heeft kennelijk toch het een en ander opgevangen van wat de oudere verkondigde. Enigszins ondankbaar voor alle raadgevingen weet hij het volgende uit te brengen: “Fantaseert u er niet een beetje op los, meneer Postema? U bent vast nog niet geheel hersteld van uw verslaving. Hoe durft u mij trouwens te vergelijken met een pubermeeuw? Wat is eigenlijk uw doel om hier te zijn? Bent u hier vanwege een soort nostalgie, omdat u het fysiek niet meer aankunt? Probeert u enthousiaste, hier oefenende sporters te verhinderen aan de toekomstige wedstrijd deel te nemen? Of schept u er genoegen in om hen te onderwijzen? Volgens mij heeft u vandaag helemaal niet in deze woestijn gelopen. Deze omgeving is ook helemaal niet gezond voor oudere mensen, zoals u.”
Zwiers verlaat ineens snel het bankje en de plaats van ontmoeting, terwijl hij roept: “Ik zie in de verte een frisdrankverkoper. Daar moet ik heen!”
De avonturier wordt nageroepen door de oudere Postema: “Dat is een fata morgana, dombo! U heeft een zonnesteek. U bent bevangen door de hitte. U had eerder en langer moeten rusten!”
Zwiers is echter al te ver weg om deze laatste aanbeveling nog te kunnen horen.
BTW
Een man van in de vijftig met een grote tas in de hand loopt in de stad een hakkenbar binnen. In de etalage van de winkel heeft hij een bord gezien, waarop “Alle dames hakken 13 euro, met 1,17 euro btw” stond. Hij begroet de daar aanwezige schoenmaker van in de veertig met de woorden: “Ik lees dat dames hier kunnen komen hakken. Ik breng straks mijn vrouw, dan hoeft zij haar boosheid een keer niet op mij te botvieren. Ik kom dat graag zien.” De schoenmaker kijkt de nieuwe klant wat vragend aan, maar besluit niet te reageren.
“De hak van mijn schoen heeft zojuist losgelaten. Kunt u deze repareren?” De schoenmaker antwoordt dat dit geen probleem zal zijn. De klant informeert wat het gaat kosten.
“Meneer, dat wordt tien euro vijfennegentig, inclusief negenennegentig eurocent btw.”
“Die btw interesseert mij niet; waarom noemt u dat erbij?”, vraagt de klant. “Op die foutieve aankondiging in de etalage doet u dat ook.”
De schoenmaker verontschuldigt zich hiervoor. Terwijl hij de kapotte schoen aanpakt en aan het werk gaat, vervolgt hij: “Ik heb een beetje een tic om bij ieder bedrag de btw te noemen. Erg vervelend. Ik zal u uitleggen hoe dat is gekomen.”
“Ik ben nog maar kort schoenmaker. Een aantal jaren geleden had ik door omstandigheden een grote belastingschuld. Ik hoorde van iemand dat hij mij wel kon helpen; hij wist een eenvoudige oplossing. Daar had ik natuurlijk wel oren naar. Deze man hield die avond voor een groep mensen een voordracht over ‘autonoom zijn’. Ik bezocht die bijeenkomst en leerde dat de autonome burger gelooft dat de wet- en regelgeving niet op hem van toepassing is. Autonome mensen willen in vrijheid leven en zich onttrekken aan het ‘systeem’ waaraan zij gedwongen zijn mee te werken. Dat sprak mij erg aan, en ik werd kort daarna zelf autonoom. Ik verklaarde mijn tuinschuurtje tot onafhankelijke microstaat, om zo belasting te ontlopen. Ik dacht: ‘Waarom betalen we eigenlijk belasting? Wie ben ik als belastingbetaler?’ Deurwaarders wees ik in het vervolg resoluut de deur.”
De klant gaat erbij zitten en luistert aandachtig naar de schoenhersteller. Hij begrijpt dat het een lang verhaal gaat worden. Maar zijn schoen is nog niet klaar, dus hij hoort de man graag aan.
“Ik ging helemaal in deze kijk op de wereld geloven. Ik veranderde daarnaast ook in een echte complotdenker. Ik werd een burger die denkt dat de Belastingdienst een geheime wereldorde runt, compleet met eigen munt en ruimteprogramma. Mijn ideeën werden steeds radicaler. Ik dacht: ‘Misschien bestaat er een geheime elite die nooit belasting hoeft te betalen. Mogelijk circuleert er een bijzonder aftrekpostformulier dat al mijn problemen kan goedmaken’. Ik kon niet gewoon meer denken. Maar dat had ik toen niet door.”
De klant gaat er nog maar eens goed voor zitten. De schoenmaker vervolgt: “Mijn schulden werden steeds groter, de rente en boetes liepen enorm op. Ik dreigde daarnaast uit mijn huis te worden gezet. Mede daarom begon ik op een bepaald moment te twijfelen aan mijn autonoom zijn, en aan dat complotdenken. Ik ging in therapie. Mijn therapeut, een fiscaal psycholoog, heeft voor mij een hersteltraject uitgestippeld. Ik ging wat later “therapeutisch stage lopen” bij de Belastingdienst”. Ik werd ingedeeld bij het onderdeel Belasting Toegevoegde Waarde.
De klant begrijpt nu welke kant het verhaal opgaat. Hij begint het relaas van de schoenmaker ook boeiend te vinden. “Valt er voor mij iets te leren?”, denkt hij.
“Maar op een gegeven moment, gedurende de periode dat ik bij de fiscus werkte, begon ik naar het tegenovergestelde door te slaan”, vervolgt de schoenhersteller. “Ik werd iemand die dwangmatig overal het btw-bedrag van ging aangeven. Zeer vermoeiend! Ik was “in transitie”, zoals mijn therapeut dat noemde. Dat was volgens hem niet ongewoon; het was een fase waar ik doorheen moest. Maar het werd alleen maar erger, en uiteindelijk in mijn beleving onbeheersbaar. Ik wenste dat ik in het verleden maar zakenman was geworden, liefst in de internationale handel. Dan had ik de interesse in geld nuttig kunnen gebruiken.”
En vervolgens: “Achteraf gezien had ik mij bij de fiscus in het hol van de leeuw begeven. Alsof men een gokverslaafde met vakantie naar Las Vegas stuurt! Of alsof men een alcoholverslaafde in een drankwinkel te werk stelt. De belasting raakt aan geld, macht, bureaucratie én burgerlijke plicht. Misschien is het daarom zo interessant en dwingend. Het toevoegen van btw is een verslaving, meneer! De therapeut had mij nooit naar deze belastingdienst moeten sturen.”
De man ging verder: “Deze dwang ging mijn hele leven beheersen. Ik kocht bijvoorbeeld gisteren een bos bloemen voor mijn vrouw: een euro tweeënzestig btw. Ik dacht eerst aan een fles rode wijn: twee euro eenendertig btw. U hoort het, zo gaat het maar door.”
De klant begon medelijden met de arme schoenmaker te krijgen. “Dat is inderdaad geen leven. Was u inderdaad maar zakenman geworden, net als ik ben. Import-export, altijd met geld bezig, maar niet met btw. Begrijpt u wat ik bedoel?”, probeert de klant hem te troosten.
De schoenmaker luistert niet naar zijn klant; hij is te veel bezig met zijn verhaal. Want hij is nog niet aan het einde gekomen: “In overleg met mijn therapeut ben ik maar vertrokken bij de fiscus. Maar het was te laat; ik kwam maar niet van die afwijking af. Vervolgens ben ik nog opgenomen geweest in een kliniek, die werd opgezet door de Beurs om al te fanatieke beleggers van hun verslaving af te helpen. Dat was afkicken in een kunstmatige omgeving waarin alles gratis is. Ik moest wel een entreebedrag betalen: honderdzesentwintig euro btw. Maar toen had ik even rust. Het hielp echter maar even.”
Dat is nog niet alles: “Daarna heb ik een ‘geld speelt hier geen rol’-omgeving geprobeerd. Dat is je begeven tussen rijke mensen die geld als water hebben en daar niet over reppen. Ik heb met mijn vrouw een luxe cruise gemaakt. De btw bedroeg vierhonderdtwintig euro. Dat hielp ook al niet. Ik ging mij steeds slechter voelen en kreeg lichamelijke afkickverschijnselen. Er was daar geen begeleiding; men begreep mijn probleem niet. We zijn halverwege de tour van boord gegaan en met het vliegtuig naar huis gekeerd. Dat kostte me geen btw, wel vliegbelasting.”
Terwijl hij opkijkt van zijn werk en de klant voor het eerst goed aankijkt: “Deze dwang heeft zijn weerslag op mijn huwelijk, meneer. U moet weten dat ik mij ook gedwongen voel op vakantie met mijn vrouw steeds naar een belastingparadijs te gaan. Dat loopt in de papieren, met een hoop kosten aan btw. En u zult begrijpen dat ik inmiddels een bonte verzameling btw-bonnen in huis heb.”
De schoenhersteller geeft hierna nog aan dat hij inmiddels een nieuwe therapeut heeft gevonden. Hij probeert nu ook weer van zijn btw-probleem af te komen. De man is al een eind op dreef met zijn behandeling, maar de dwang is hardnekkig. Hij is volgens zijn therapeut nu opnieuw ‘in transitie’. “Ik ben wel bang om weer naar iets anders door te schieten. Bijvoorbeeld een overmatige interesse in importheffing, erfbelasting, motorrijtuigenbelasting, registratiebelasting, bijtelling of accijns. Ik moet er niet aan denken.”
Om zijn schulden terug te kunnen betalen, heeft de man zich laten omscholen tot schoenmaker. Hij begrijpt dat hij met zijn lange verhaal het nodige vergt van zijn klant, die het relaas tot heden aandachtig heeft aangehoord. De schoenmaker probeerde daarom enkele malen tussentijds het geheel wat luchtiger te maken met het inbrengen van een paar woordgrappen over zijn ‘fiscale problemen’, welke kwinkslagen hij had geleerd bij de Belastingdienst. Aan de orde kwamen:
"De Belastingdienst weet je zelfs uit je schoenen te trekken.” Dit zou een variant zijn op “iemand uit z’n schoenen helpen”.
"De schoenmaker bleef bij zijn leest. Tot de Belastingdienst langskwam." Dit speelde natuurlijk in op het gezegde “Schoenmaker, blijf bij je leest.”
"Bij de Belastingdienst lopen ze op grote voet. Van jóuw geld." Een grapje dat “op grote voet leven” koppelt aan overheidsuitgaven.
Een schoenmaker krijgt een brief van de Belastingdienst: “Uw inkomsten zijn zó laag dat we vermoeden dat u zolen aan het zwartmaken bent.” Een verzonnen combinatie van "zolen zwartmaken" en belastingontduiking.
Steeds als hij een grap maakte, moest de schoenmaker zelf hard lachen. De klant lachte uit beleefdheid maar wat mee.
“Uw schoen is bijna klaar. Nog even dit. Sinds ik deze btw-tic heb, ruik ik overal belastingontduiking. Ik voel meteen aan of iemand met zwart geld werkt. Ook hierin weet ik helaas weer geen maat. Bijvoorbeeld zelfs bij kinderen met een limonadekraampje denk ik aan de noodzaak tot belastingbetaling. Ik herken ook een schilder die z’n inkomsten camoufleert met ‘natuurlijke betalingen’, zoals flessen wijn of een knipbeurt. Daar hoop ik ook nog eens van af te komen.”
De hak van de klant is klaar. “Dat is dan tien euro vijfennegentig, inclusief negenennegentig eurocent btw”. De klant negeert de btw-aanvulling. Hij weet nu hoe de vork in de steel steekt. Het is een ziekte, de man kan er niets aan doen.
Bij het afscheid merkt de klant op: “Bedankt voor het leerzame verhaal en de tips. Ik wens u het beste met uw behandeling. Ik was op weg naar de wasserette om wat wit te wassen. Daar ga ik nu alsnog heen”. Hij pakt zijn grote tas van de grond en verlaat de hakkenbar.
De schoenmaker twijfelt over wat er in de grote tas van de man zit. Gaat zijn neus voor belastingontduiking hem al in de steek laten? Is deze twijfel voor hem daarom een goed teken?
NOT SO WELLNESS
André had zin om naar de sauna te gaan. Hij kon erg genieten van de verschillende warme faciliteiten en van de zogeheten opgietsessies. Hij bezocht daarvoor zo nu en dan een wellnesscentrum bij hem in de buurt. Het complex bestond uit thermische baden, die een combinatie bieden van droge warmte en warmwaterbaden voor ultieme ontspanning. Thermische baden, die variëren in temperatuur, geur en type - zoals whirlpools of hamambaden - zijn ideaal om te ontspannen tussen saunarondes door en te herstellen van de hitte.
André nam, nadat hij eerst een opgieting had bijgewoond en daarna zijn lichaam enige tijd had laten afkoelen, plaats in een binnen het complex aanwezig “bubbelbad”, waarin reeds enkele andere gasten zaten. Een bubbelbad in de sauna werkt door een krachtige pomp die water via jets terug het bassin in spuit, waarbij lucht wordt toegevoegd aan de waterstralen om een massage-effect te creëren. Het warme water zorgt voor ontspanning van spieren en gewrichten, terwijl de jets een massage geven die de bloedsomloop stimuleert. Het warme water helpt ook om stress te verminderen en afvalstoffen af te voeren.
Het was gezellig in deze faciliteit. In een bubbelbad wordt vaak leuk gebabbeld, in tegenstelling tot een saunacabine, waarin men wordt geacht stil te zijn. Anders dan anders ging het periodiek verschijnende bubbelen dit keer gepaard met een vreemd, knarsend geluid. Het was alsof men op ieder moment door het rondkolkende water naar beneden zou kunnen worden gezogen. De aanwezigen stelden zich als grap voor dat men op deze wijze ongezien naar een kelder onder het bad zou worden getrokken, dat men door de pomp zou worden “opgeslurpt”.
“Zouden daar misschien nog oude gasten verblijven? Mensen van wie nimmer meer werd vernomen?”, werd door iemand opgemerkt. Hier werd hard om gelachen.
Nadat drie personen het bubbelbad hadden verlaten, vroeg André als grap aan de nog aanwezigen: “Heeft iemand drie mensen vrijwillig zien vertrekken?” Nee, dat had niemand. “Zou het dan toch echt?” Wederom klonk er luid gelach.
Een oudere man in het bubbelbad kwam naar aanleiding hiervan nog met een grappige verspreking die hij eens eerder in de sauna iemand naar een ander had horen zeggen: “Bij deze sauna heb je terminale baden.” De man voegde daaraan toe: “Was dit misschien toch geen verspreking geweest? Als je hier naar de kelder wordt getrokken, is je laatste levensfase inderdaad wel aangebroken!” De nog in het bubbelbad aanwezigen lagen weer in een deuk.
André verliet na enige tijd het bubbelbad. Hij werd kort daarop aangesproken door een vaste gast die zojuist ook in dit bad had gezeten en de verhalen had aangehoord. André wist dat hij vanwege zijn sterk geprononceerde buik Bolle Bob werd genoemd. In het bubbelbad had Bolle Bob zich stilgehouden en hij had niet meegelachen. De man stelde aan André dat de grappige opmerkingen omtrent de verdwijning van zojuist misschien niet zo denkbeeldig waren. In het recente verleden leken er namelijk echt mensen onverwacht uit de sauna te zijn verdwenen. Het was een raadsel wat er met deze gasten was gebeurd.
Bolle Bob gaf als voorbeeld een jonge man die vroeger regelmatig naar de sauna kwam. Iemand die door andere vaste gasten “de Viking” werd genoemd. Dit omdat hij een sportschoolbezoeker was en er zeer gespierd uitzag. En omdat hij een blonde baard had. Zonder dat de Viking daarover iets naar de vaste gasten had aangegeven, werd hij ineens niet meer in het complex aangetroffen.
Volgens Bolle Bob deed er onder vaste gasten ook het verhaal de ronde over een jong stel – dit keer geen vaste gasten – dat in de avond eens naar de sauna was gekomen en zich in het bubbelbad nogal uitbundig met kennelijk “gewenste intimiteiten” had beziggehouden. Intimiteiten zijn in de sauna verboden, of ze nu gewenst of ongewenst zijn. Het is bij de wellness geen Sodom en Gomorra; men dient zich correct te gedragen.
Toen andere gasten dat opmerkten en het personeel waarschuwden, was het stel op tijd hiermee gestopt om door een personeelslid te worden gesnapt. Van dit stel werd echter door niemand gezien dat het later het complex verliet. Het was alsof de twee kort na hun intimiteiten in rook waren opgegaan. Het personeel gaf later aan de vaste gasten aan dat dit stel uit de sauna was gezet.
Verder was er volgens Bolle Bob nog de vrouw die vanwege haar uiterlijk Pocahontas werd genoemd. Zij was weer wél een vaste gast, maar zij kreeg op een zeker moment aan de stok met een van de opgieters. Ze accepteerde niet dat zij tijdens de opgieting niet op de bank mocht liggen, wat zij kennelijk heel graag deed. Zij behoorde, net als de anderen, om veiligheidsredenen rechtop te zitten. De vrouw bleef deze regel maar niet accepteren, hetgeen bij de opgieter steeds weer irritatie opwekte. Pocahontas kwam op een zeker moment niet meer opdagen, hoewel ze erg gehecht was aan haar saunabezoek. Bolle Bob zei dit toch maar vreemd te vinden. Maar de directie ontkende dat zij deze vrouw de verdere toegang had ontzegd.
Al deze merkwaardige “vermissingen” waren eerder door vaste gasten aangekaart bij het personeel. Door de twee eigenaren werd stevast als mogelijke oorzaak aangegeven: “Je kunt hier achteraf betalen. We denken dat mensen via de achterdeur zonder te betalen de sauna verlaten”. De eigenaren hadden daarbij aangegeven dat geen handdoeken, badjas, slippers en dergelijke werden achtergelaten. Ook waren er geen lockers die na sluitingstijd vol werden aangetroffen. “Ze zijn dus niet opeens tijdens een saunabezoek door de warmte gesmolten”, werd er lachend aan toegevoegd.
De eigenaren hadden daarna wel maatregelen genomen, gaf Bolle Bob aan. Kort daarna moesten gasten in het vervolg vooraf afrekenen voor het saunabezoek. Alleen wat in het restaurant werd gebruikt, kon nog achteraf worden betaald. Maar volgens Bolle Bob verdwenen er sindsdien soms nog steeds mensen. En was het niet eenvoudiger om het voor gasten onmogelijk te maken om zonder te betalen het complex te verlaten?
André was het met Bolle Bob eens dat het toch wel vreemd was. Ook dat het voornamelijk vaste gasten overkwam om plotseling te verdwijnen. Waren het niet allemaal mensen bij wie iets bijzonders aan de hand was?
Nadat André de verhalen van Bolle Bob had aangehoord, dook hij het Turkse bad in. Hij was daarvoor inmiddels wel voldoende afgekoeld. Dit is een stoomcabine met een hoge luchtvochtigheid en een relatief lage temperatuur. Het wordt gebruikt om de huid te reinigen en de luchtwegen te openen, wat zorgt voor diepe ontspanning van de spieren. Het grote verschil met een “gewone” sauna is de hoge vochtigheidsgraad, terwijl een gewone sauna een droge hitte heeft.
Dit bad bleek bij binnentreden volledig verzadigd met stoom. André zag letterlijk geen hand voor ogen, wat hij overigens wel erg lekker vond. Hoewel hij geen zicht had, was het hem duidelijk dat hij op dat moment de enige aanwezige in deze faciliteit was.
André was nog niet lang binnen of hij merkte opeens dat er iets of iemand tegen zijn rug drukte. Hij werd op hetzelfde moment met kracht naar een zijkant van het bad geduwd. André moest moeite doen om niet te struikelen. Met een zacht geluid leek zich een schuifdeur te openen, waarna hij verder naar buiten de cabine werd gedrukt. Door de kracht die tegen zijn lichaam werd uitgeoefend, werd André gedwongen een naastgelegen ruimte te betreden. De deur achter hem viel daarna direct weer in het slot.
Het liep met bewegen allemaal goed af; gelukkig had André zich niet bezeerd. Hij bleek in een warme ruimte met diverse grote machines, en brede pijpen en leidingen te staan. Hij had bij zijn binnenkomst de nodige waterdamp uit het Turkse bad meegebracht, maar deze loste geleidelijk op, waardoor hij wat beter kon zien waar hij terecht was gekomen. De machines produceerden een onaangenaam hard geluid, wat ook gold voor het getik van pijpen en leidingen.
Tot zijn schrik merkte André bij het wegtrekken van de damp enkele aanwezige mensen op. Ze staarden hem als zombies aan. Deze vastgeketende, geheel naakte personen waren met rode hoofden fanatiek in de weer op een soort fiets zonder wielen. Hun lichamen waren bezweet van het harde werken. André concludeerde dat deze mensen in de machinekamer bezig waren om door middel van fysieke arbeid energie voor de warmte van de sauna op te wekken.
Omdat André zojuist deze ruimte was binnengeduwd, was hij nog niet zoals de anderen in ketenen geslagen. Waarschijnlijk zou dit weldra gaan plaatsvinden. Dus als hij nog uit deze ruimte wilde ontsnappen, kon hij daar niet lang mee wachten.
Toen hij goed zicht had gekregen, onderscheidde André in de vochtige, warme en vrij donkere machinekamer allereerst een zeer gespierde jonge man. André vermoedde dat hij de ruimte deelde met de persoon die “de Viking” werd genoemd. Waarschijnlijk was hij uitgekozen omdat hij sterk was en geschikt om langdurig energie voor de sauna op te wekken.
Een ogenblik later zag André, naast elkaar driftig op een energiefiets trappend, het blijkbaar vrijende stel dat Bolle Bob bedoelde, dat wellicht als straf voor hun overtreding van de saunaregels ook naar de machinekamer was verbannen. Verder ontwaarde André een vrouw die mogelijk eerder als Pocahontas werd aangeduid.
André wist direct dat dit niet pluis was; de verhalen van de vaste gasten waren dus geen fabeltjes. Het paradijs van ontspanning dat dit wellnesscentrum toch moest zijn, bleek een fabriek van langdurige, misschien wel levenslange gedwongen arbeid. Hier werden mensen in gevangenschap gehouden en misbruikt, kennelijk om kosten voor energie te besparen.
Het was duidelijk dat de eigenaren van het complex hiervoor verantwoordelijk waren. Nadat van de gegijzelden de polsbandjes waren afgenomen, werden hun handdoeken en andere eigendommen meegenomen, en werden ook hun lockers leeggehaald. Andere personeelsleden deelden mogelijk dit geheim.
André keek rond in de machinekamer en hij onderscheidde in het duister toch ergens een soort deur. Omdat hij nog niet was vastgeketend, kon hij zich naar deze deur begeven, welke echter, zoals verwacht, was afgesloten. Er leek ook geen andere uitgang aanwezig te zijn.
André zat dus opgesloten. Hij vroeg zich een moment af waarom ook hij was “uitverkoren” om deel te nemen aan deze “arbeidsinzet”. Oké, hij was nog redelijk jong en nog best energiek. Maar van irritatie bij of tegenwerking van personeelsleden kon bij hem geen sprake zijn. Was dit misschien zijn straf, omdat hij eerder die dag samen met anderen in het bubbelbad had gelachen om het mogelijk verdwijnen van gasten? Was hij een risico voor de eigenaren geworden?
Hoewel de hitte bijna ondraaglijk was, ontdekte André na het nodige onderzoek dat de hete stoomleidingen die het naastgelegen Turkse bad voedden, door deze machinekamer liepen, en een directe verbinding hadden met de voor bezoekers toegankelijke ruimte. Door met zijn laatste krachten en met inmiddels behoorlijk verbrande handen een van de grote pijpen los te draaien, zag hij kans om door de daarbij ontstane hete, met sissende geluiden omgeven smalle opening te kruipen. Gelukkig was hij een slanke man.
André kwam vervolgens “half kokend”, druipend van damp en zweet, en met rood aangeslagen gezicht, maar heelhuids tevoorschijn midden in het stoombad, van waaruit hij naar de machinekamer was geduwd. De enkele in dit bad aanwezige gasten zagen hem op deze wijze uit de stoom tevoorschijn komen, alsof hij eruit gevormd werd. Deze anderen verbaasd achterlatend, stapte André uit de stoomcabine. Op weg naar de kleedruimte kwam André vaste gast Bolle Bob nog tegen.
“Je gelooft het niet. Ik vertel je later wat mij zojuist is overkomen! Ik moet even iets regelen”, bracht hij naar hem uit. Een beduusde Bolle Bob achterlatend, liep André verder naar zijn locker. Hij kleedde zich aan en wendde zich daarna direct tot de eigenaren van de sauna.
André vertelde hen zijn verhaal en stelde de twee voor de keuze: “Jullie laten de gevangenen vrij en gaan zelf de machinekamer in om energie op te wekken, terwijl ik het management hier overneem, of ik stap nu naar de politie. Als jullie voor het eerste kiezen, zal ik jullie niet vastketenen, maar jullie voeren het werk geheel naakt uit, net als jullie gegijzelden. Jullie moeten de klus vanaf nu dagelijks samen weten te klaren. Wat mij betreft mogen jullie je na sluitingstijd van de sauna aankleden en naar huis gaan. Maar de volgende morgen dienen jullie je weer op tijd te melden.”
De keuze was door de eigenaren snel gemaakt. Een dag later stond André om tien uur in de ochtend achter de balie om gasten te verwelkomen, terwijl de faciliteiten zoals altijd reeds prima waren opgewarmd. In het complex hing reeds een relaxerende geur van eucalyptus in de lucht.
De vorige energieopwekkers, waaronder de Viking, het vrijende stel en Pocahontas, zouden, nadat zij waren hersteld van de dagelijkse vermoeienissen in de machinekamer, van André levenslang verder gratis toegang tot de sauna krijgen.
Al na korte tijd klonken er vanuit het bubbelbad de bekende gezellige gesprekken. Er werd door vaste gasten druk gespeculeerd over de personeelswisseling die kennelijk in het complex had plaatsgevonden. En de eigenaren waren vreemd genoeg ook nog niet gesignaleerd. Het Turkse bad was tijdelijk gesloten. Zou over dit alles nog openheid van zaken worden gegeven?
De opgieter was zoals altijd bezig met de voorbereidingen van de eerste opgieting. Ook stonden de eerste deelnemers reeds voor de ingang van de opgietsauna te wachten. Als men heel goed luisterde, kon men, via de leidingen ergens vanuit het complex, af en toe iets horen wat leek op een diep zuchten.
GEWENST TE STERVEN
Ben en Sjors waren twee verlegen broers van in de dertig. Ze kwamen uit de schoenmakersbranche, maar wilden meer verdienen als beginnende criminelen. Ze wisten niet hoe ze dit werk moesten opzetten. In een slecht bekendstaand café ontmoetten zij Karel, die een doorgewinterde crimineel leek te zijn. Misschien konden de twee wel bij deze man in de leer. Nadat Ben en Sjors Karel een biertje hadden aangeboden, vroeg Ben aan hem: “We willen een beetje snel geld verdienen. Weet jij iets dat momenteel goed in de markt ligt?”
Karel dacht even na. Korte tijd later begon hij: “De mensen worden steeds ouder. Dat lijkt mooi, maar het valt niet altijd mee om oud te worden. Op een zeker moment hebben sommige mensen er genoeg van en willen ze sterven. Ze hebben het wel gehad met het leven.”
En hij vervolgde: “Eigenlijk heb je best veel van die oudjes; ze verlangen ernaar om met hun afscheid van het leven geholpen te worden. De euthanasieprocedure die bestaat voor dit soort gevallen is veel te streng en duurt te lang, vooral als je lichamelijk en geestelijk nog redelijk gezond bent. Ze zoeken een weg om dit te versnellen of te omzeilen.”
“Waar wil je naartoe?”, vroeg Sjors. Kennelijk was bij hem het kwartje nog niet gevallen.
“Nou, misschien moet je zo iemand daarmee een handje helpen”, ging Karel verder. “Het is tenslotte niet erg om op die leeftijd te sterven. In het algemeen kun je al zeggen dat het meeste van het leven langs een mens heengaat. Als je oud bent, geldt dat in nog veel grotere mate.”
“Zo heb ik er nooit naar gekeken.” Ben leek het relaas van Karel te snappen.
“Precies.” Karel zag dat hij met de twee op de goede weg was. “Het menselijk leven is maar kort. Maar omdat wij zo’n nijver volkje zijn, zoveel dingen in ons leven doen, lijkt het toch wel erg lang, vooral als je oud bent. Dan is genoeg genoeg, en wil je het afsluiten. Is het niet een goede zaak om mensen die dat zo ervaren bij te staan?”
Karel wachtte niet op een antwoord op deze vraag. “Je moet daarvoor natuurlijk wel een hulpmiddel inzetten: een kogel door het hoofd, een speciaal drankje of een injectie met insuline, bijvoorbeeld. Wurgen met een kussen kan ook.”
Sjors en Ben luisterden aandachtig. Nu werd het spannend. Karel ging verder: “Daar hebben de ouderen vaak wel een leuk bedragje voor over. Verkoop het als een “Geschenk te sterven”. Het is een win-winsituatie: je bewijst hen een dienst en je verdient er zelf ook wat mee. Ik weet een oud vrouwtje dat dood wil. Ze vindt dat haar leven is voltooid.”
Ben reageerde direct: “Dat klinkt interessant. Wij willen daar wel instappen. Hoe moeten we dat aanpakken? Kun je ons op het spoor van dat vrouwtje brengen? En welk hulpmiddel kunnen we het beste gebruiken? Heb jij zelf ervaring met dit werk?”
Karel had al gauw door dat hij de criminele leken voor zijn karretje kon spannen. “Ik kan jullie wel helpen, maar daar hangt natuurlijk wel een prijskaartje aan. Ik kan het adres van het vrouwtje leveren, maar wil de helft van de opbrengst, want je moet er wel een vergoeding voor vragen. Je kunt haar het beste een kogel toedienen. Dat gaat snel; de vrouw hoeft niet te lijden. Ik kan jullie een pistool en wat kogels leveren.”
Dat leek Sjors en Ben wel wat. Ze hadden het idee de juiste persoon te hebben ontmoet om hun banksaldo wat op te vijzelen. De broers dachten dus een nieuw verdienmodel te hebben gevonden: ouderen uit medelijden en op eigen verzoek ombrengen.
Om Sjors en Ben extra lekker te maken, en om zijn commissie op te vijzelen, verzon Karel ter plekke dat hij wist dat het vrouwtje in kwestie veel geld had. Karel zou die domme broers naderhand wel wijs maken dat een hoger bedrag aan hem moest worden afgestaan. En hij had nu ook een reden om hen later te chanteren: als Ben en Sjors eenmaal in dit wereldje verzeild waren geraakt, konden ze niet meer terug en waren ze chantabel. Dan zouden de twee daarna meer opdrachten voor hem moeten opknappen.
Maar was Karel wel een geduchte crimineel? Was hij niet net zo onervaren als Ben en Sjors, maar een stuk brutaler? De onervaren en niet al te snuggere broers vroegen het zich niet af. Ze waren veel te blij met alle informatie en het nieuwe verdienmodel.
Eigenlijk was Karel maar een eenvoudige kruimeldief, die al een paar keer was gepakt en daarvoor in de gevangenis had gezeten. Van wapens had hij weinig verstand, maar hij had een tijd geleden wel een pistool en een doos kogels van iemand overgekocht. Maar Karel bezat wel een zekere slimheid; hij had vaak snel door of hij ergens een voordeel uit kon slepen.
De broers en Karel sloten een deal. Karel verkocht de nieuwe criminelen zijn pistool. Daar hadden de twee nog nooit mee leren omgaan, zodat de onervaren mannen ook in de leer gingen bij deze geslepen boef. Op een achterafveldje leerde hij Sjors en Ben een beetje schieten. Karel wist aardig te verbergen dat hij er zelf ook niet zo bedreven in was.
Toen de twee mannen het schieten een beetje onder de knie hadden, trokken ze de stoute schoenen aan en gingen ze op een avond naar het door Karel opgegeven adres van het oude vrouwtje. Geen van de broers wilde daar het woord voeren, omdat ze eigenlijk behoorlijk verlegen waren. Ze zagen beiden toch wel een beetje op tegen wat komen ging. Uiteindelijk zou Ben dan maar de vrouw te woord staan. Ze belden aan. Na enige tijd deed een wat angstige oudere vrouw de voordeur op een kiertje open.
“Goedenavond mevrouw”, sprak Ben op vriendelijke toon. “Wij zijn van de Welstandsdienst voor Ouderen. We komen informeren hoe het met u gaat. We hebben namelijk uit betrouwbare bron vernomen dat u er het liefst een einde aan zou maken. Mogen we binnenkomen om daar met u over te praten?”
De vrouw had even tijd nodig om te verwerken wat ze zojuist had gehoord. Ze besloot de deur verder te openen en het duo maar binnen te laten. In de woonkamer konden de twee mannen plaatsnemen.
Nadat Ben het doel van hun bezoek had herhaald, bracht de vrouw naar voren: “Ik ben levensmoe en zit kennelijk in een “endlife crisis”, zoals mijn zoon dat noemt. Het leven is voor mij leeg geworden. Het is zo saai: na maandag komt dinsdag en daarna woensdag; na januari komt februari en daarna maart. Iedere dag, iedere week, iedere maand lijkt eindeloos te duren. Het is mooi geweest. Als je oud wordt, leef je nog maar half, of minder dan dat. Dan gaat het leven eigenlijk als een nachtkaars uit; je hoort er niet meer bij. Het is als een familiefeestje waarbij door de aanwezigen wordt gewacht tot jij als oudere bent vertrokken en bent gaan slapen. Dan begint het leuke feestje voor de jongeren pas echt.”
“Dat begrijpen wij helemaal, mevrouwtje”, beaamde Ben. “Het leven is geen feest meer voor u. Het is mooi geweest. En als u de dokter vraagt om u iets te geven om te sterven, dan lukt dat niet, toch? Nou, wij van de Welstandsdienst voor Ouderen kunnen u daar wel snel mee helpen. Daar zijn we voor. Het kost wel een paar stuivers, maar dan worden er niet allerlei vragen gesteld.”
“O ja, kunt u mij snel helpen? Dat is fijn. Wat kost dat?”, informeerde de oude dame.
Vervolgens onderhandelden de broers en de vrouw over de kosten. De cliënte zei maar een klein bedrag te kunnen betalen. Meer dan dat had ze niet.
Omdat Karel had aangegeven dat het oude vrouwtje veel geld bezat, geloofden Ben en Sjors haar woorden niet. Ze beseften dat ze aan Karel ook nog een flinke commissie moesten voldoen, en besloten na onderling overleg de vrouw met woorden te bedreigen. Helaas waren ze vergeten om het bij Karel aangeschafte pistool mee te nemen, maar misschien had dat in dit geval toch niet zoveel indruk gemaakt. Het was tenslotte iemand die naar het einde verlangde. Onder dreigende woorden trachtten de twee nogmaals te achterhalen hoeveel geld de vrouw kon betalen.
Toen het bibberende oude vrouwtje het lage bedrag dat ze kon bieden herhaalde, besloten de twee haar huis te doorzoeken op geld en waardevolle spullen. Terwijl Sjors de vrouw in bedwang hield, deed Ben een ronde door de kleine woning.
Onverwacht echter kwam Fred, de zoon van de vrouw, langs. Deze potige kerel concludeerde direct dat er op dat moment bij zijn moeder werd ingebroken. Hij vloog meteen op Sjors af. Deze tengere, kleine man had geen kans en raakte lichtgewond bij de korte vechtpartij. Beide broers kozen vervolgens zonder buit het hazepad. Het plan was bij deze vrouw mislukt.
De twee broers hadden een tegenvallende ervaring en twijfelden of ze verder moesten gaan om ouderen te gaan “helpen”. Was het criminele pad wel voor hen weggelegd? Waren ze wel hard genoeg? Konden ze niet beter weer als schoenhersteller gaan werken? Dat was in ieder geval minder stressvol.
Korte tijd daarna troffen Ben en Sjors crimineel Karel weer in hetzelfde café. De broers legden uit hoe het bezoek aan de oude vrouw was verlopen.
Karel vond die broers maar een paar sukkels, een dom stel, maar dat liet hij natuurlijk niet merken. Hij zag uit eigenbelang snel een mogelijkheid om de twee weer op andere gedachten te brengen, zodat hij hen voor hem aan het werk kon zetten. Zelf kon hij daarbij dan buiten schot blijven.
Karel had zojuist gelezen over nieuwe wetgeving, of in ieder geval nieuw beleid betreffende hulp bij zelfdoding. Hoe dat precies zat, was hem niet helemaal duidelijk. Het kwam erop neer dat het niet meer strafbaar was om iemand te helpen bij het uit het leven stappen, of dat deze hulp werd gedoogd, mits de betrokkene ouder dan zeventig jaar was, en hij of zij deze wens zwart op wit kenbaar had gemaakt en ondertekend. Karel bracht dit goede nieuws over aan de twee broers.
Karel stelde voor dat Sjors en Ben toch met het eerdere plan door zouden gaan, maar nu op aangepaste wijze. Omdat ze er bij ontdekking niet meer voor bestraft zouden gaan worden, zouden de broers er de volgende keer anders mee om kunnen gaan. De twee zouden zo in feite zakenlieden worden. Die rol paste hen waarschijnlijk beter.
Sjors en Ben waren direct weer enthousiast. Er viel op deze wijze toch nog veel te verdienen. Wat een geluk dat Karel hen over deze verandering had geïnformeerd. Vol vertrouwen stortten zij zich in de nieuwe benadering. Moesten zij het nu anders gaan aanpakken? De twee vroegen Karel weer hoe ze aan hun nieuwe onderneming vorm moesten geven.
Karel had al snel een nieuw plan klaar en legde het uit: “Ouderen die dood willen, zullen worden uitgenodigd te verschijnen op een speciale bijeenkomst. Ik kan zorgdragen voor een lijst geïnteresseerden, want dat zal voor jullie niet zo makkelijk zijn. Ik laat een vriend die verstand heeft van hacken een adreslijst van leden van de ‘Vereniging voor Vrije Euthanasie’ stelen, en ik zal daarnaast een aantal mij bekende ouderenwoningen bezoeken.”
En verder: “Aan oudjes die geïnteresseerd zijn, zal ik een folder voor de speciale bijeenkomst uitreiken. Ik heb er vertrouwen in dat hier genoeg mensen voor te porren zijn en zich beschikbaar willen stellen. Ik ken iemand die jullie een zaaltje kan verhuren voor een zacht prijsje. Dit keer moeten we aangeven dat het ‘omleggen’ voor de oudere gratis is. Ons geld verdienen we dan op een andere manier.”
“Jij zit boordevol goede ideeën”, bracht een onder de indruk zijnde Ben naar voren. “Dat gaan we zo doen. Maar hoe verdienen wij er dan aan?”
“Heel goede vraag. Dat leg ik nu uit”, vervolgde Karel. “Er worden met geïnteresseerde ouderen speciale bijeenkomsten met publiek erbij gehouden. Ouderen die het leven niet meer zo zien zitten of die misschien alleen maar niets te verliezen hebben, doen tegen beloning mee aan een Russisch roulettespel. Er worden ad random twee kogels in een magazijn van tien in het pistool gestopt. De oudere heeft dus een kans het leven te laten, maar het kan ook zijn dat er geen kogel uit het wapen komt. Dan gaat de oudere met een beloning naar huis. Bij niet overleven vervalt deze, dan heeft hij of zij er toch niets aan. Er wordt per oudere dus drie keer de trekker overgehaald.”
Ben en Sjors hoorden aandachtig toe. Ze moesten alles op alles zetten om het ingenieuze plan in zijn geheel te snappen. Karel vervolgde: “Er wordt nog wel een handicap ingebouwd: de schutter staat op twintig meter afstand van de oudere. Dat maakt het spannender voor de weddenschappen die het publiek kan afsluiten, waarover straks meer. Dan moet je dus ook nog raak schieten, indien er een kogel uit het pistool komt.”
“Waarschijnlijk komen hier wel de nodige sadistische personen op af die dit prachtig vinden”, vervolgde Karel. “Zoals ik al zei, het publiek kan dan over de afloop van de schietsessie weddenschappen afsluiten. Die leveren ons geld op. En er moet natuurlijk door het publiek entree worden betaald. Dat is een ander deel van het verdienmodel.”
De oude rot gaf verder nog aan dat ouderen geestelijk gezond moesten zijn; ze mochten geen dementie hebben. En zij dienden vooraf een contract te ondertekenen. Op deze wijze kon de organisatie niet aansprakelijk worden gesteld voor schade of ander leed. De bijeenkomst moest door de broers worden georganiseerd, en Karel zou weer commissie uit de entreegelden en opbrengsten van de weddenschappen krijgen. Hij droeg tenslotte de ideeën en de nodige informatie aan.
Ben en Sjors stonden perplex. Het was hen duidelijk. “Wat een geniaal plan. We gaan ervoor”, riep Sjors enthousiast. De nieuwe deal werd gesloten. Vanwege de spelregel om bij het schieten afstand te houden, kregen Ben en Sjors nogmaals schietles van Karel.
Het plan van Karel werd uitgevoerd. De eerste bijeenkomst was aanstaande. Wat Sjors en Ben niet wisten, was dat het niet meer strafbaar zijn van hulp bij overlijden, of het gedogen daarvan, een verzinsel van Karel was om Ben en Sjors weer actief te maken.
Er waren voor deze avond een paar ouderen gecharterd en er leek ook voldoende publieke belangstelling te zijn. Voordat de bijeenkomst begon, maakten Ben en Sjors weer ruzie over wie het woord moest voeren. Ze zagen er beiden toch wel erg tegenop om de avond te leiden, en waren bang dat ze zouden gaan stuntelen en hakkelen. Nu was de andere broer aan de beurt, eerlijk is eerlijk. Sjors dus. Het ging hem gelukkig redelijk af.
Het gehuurde zaaltje zat vol. Sjors ging op het toneel staan en begon: “Goedenavond, dames en heren. Allereerst welkom voor de oudjes die alleen of vergezeld van een familielid zijn gekomen om te trachten het gebouw deze avond niet rechtop te verlaten. Ja, we weten het allemaal: het valt niet mee om oud te worden. Als je genoeg van het leven hebt, kun je het niet zomaar stoppen. Je moet door tot de mensen die je in leven houden er alles aan hebben gedaan om het uitblazen van jouw laatste adem zo lang mogelijk uit te stellen. Uit uw komst maken wij op dat u daar niet op wil gaan wachten. Dat begrijpen wij van de Welstandsdienst voor Ouderen helemaal, en dat vinden wij een wijze en tevens moedige beslissing.”
Sjors vervolgde: “Verder heet ik natuurlijk de belangstellenden een warm welkom. U weet dat het een spectaculaire voorstelling gaat worden, en dat u vooraf ook weddenschappen kunt afsluiten. Dat betekent dat u misschien straks met een leuk bedragje naar huis gaat. Ik zal zo uitleggen hoe alles deze avond in zijn werk gaat.”
Fred, de zoon van de oude vrouw waar de broers eerder een confrontatie mee hadden, was achter de oproep van deze avond gekomen, en had besloten er samen met zijn moeder heen te gaan, want de oude vrouw wilde nog steeds wél dood. Zij waren dus ook aanwezig, en de moeder had het contract ondertekend. Sjors en Ben herkenden de vrouw en Fred, maar deden alsof hun neus bloedde.
Fred had er spijt van eerder ruzie te hebben gemaakt met Ben en Sjors, want toen hij de woning van zijn moeder betrad, zag hij dat de broers de mooie spullen van zijn moeder wilden roven. Hij wist niet dat ze eigenlijk waren gekomen om haar te helpen met sterven. Dat hoorde hij pas achteraf van zijn moeder. Ben en Sjors waren toen al verdwenen. Het had anders opgelost kunnen worden, bedacht hij later.
De moeder van Fred was die avond bij de Russische roulette als eerste aan de beurt. Ze werd het toneel op geholpen. Gevraagd werd of de vrouw aan het mogelijk eind van haar leven nog iets bij het publiek naar voren wilde brengen. Dat was niet het geval, ze zei er klaar voor te zijn.
Ben ging op twintig meter afstand van de vrouw staan en schoot. Er kwam geen kogel uit het wapen. Het publiek huiverde. Ben trok na een aantal ogenblikken nogmaals de trekker over: idem dito. Er klonk gegil uit de zaal. Bij de derde poging – hij wachtte een tijdje om de spanning op te voeren - werd een kogel afgevuurd, maar Ben schoot net mis. Het publiek ging staan. Hoe was het mogelijk? De vrouw leefde nog! Het publiek dat hierop had gewed, was dolblij.
Er zat dus nog één kogel in het magazijn, maar de spelregels bepaalden dat maar drie keer op een oudere mocht worden geschoten. De kans voor dit oudje was voorbij. En de weddenschap voor het publiek was voor deze ronde afgelopen.
Er werd al aanstalte gemaakt om het oude vrouwtje van het toneel af te begeleiden, maar haar zoon Fred was door dit verloop zo gespannen geraakt dat hij zichzelf niet meer onder controle had. Hij kreeg een waas voor ogen, stormde het podium op en rukte het pistool uit handen van Ben. Hij richtte op korte afstand het wapen op zijn moeder en haalde de trekker over. De laatste kogel kwam uit het pistool en was raak. De oude vrouw viel dood neer.
Op dat moment viel de politie binnen. Ben, Sjors en Fred werden ingerekend. Karel, die zich tussen het publiek had gemengd, verliet stilletjes de zaal.
Bij het latere politieonderzoek bleek dat Fred zijn moeder graag zo snel mogelijk dood had gewild. Ze was toch bepaald niet onbemiddeld en Fred had zijn erfenis nu nodig. Een door de politie gehoorde getuige meende te hebben gehoord dat Fred: “Jouw gewenst te sterven, ma!” riep, toen hij de trekker overhaalde met het fatale gevolg.
De aangehouden personen overwogen later ieder voor zich dat het spijtig was dat hun gemeenschappelijke doel niet eerder op andere wijze was bereikt. Maar het gaat zoals het gaat in het leven. En dat geldt ook als het het levenseinde betreft.