DE MAN DIE ZOU TERUGKOMEN
Sven en Lieke waren een jong stel. Lieke beviel van hun eerste kindje. Het was een gezonde baby, Floris, een jongetje. Een gelukkige gebeurtenis, natuurlijk. Maar de man ontwikkelde al snel een onverklaarbare angst voor hun zoontje. Deze angst ontstond als hij zicht kreeg op zijn baby, en werd sterker als hij hem in zijn wiegje naderde. Het kind vasthouden moest worden vermeden; dat was te heftig.
Sven hield dit merkwaardige probleem voor zich; hij schaamde zich er natuurlijk voor. Hij merkte wel dat zijn vrouw het vreemd vond; welke jonge vader wil zijn kindje nu niet in de armen nemen? Maar de twee spraken er desondanks niet over. Het vaderschap was natuurlijk nieuw voor hem. Het was zo’n klein, kwetsbaar murmeltje. Sommige mannen moeten daar nu eenmaal aan wennen. Net als Sven dacht Lieke waarschijnlijk dat het even de tijd moest krijgen. Maar de angst bij Sven ging niet weg.
Iedereen in zijn omgeving had vanaf de zwangerschap van zijn vrouw steeds verkondigd dat Sven van het ouderschap moest genieten. Want wat was er mooier dan een gezonde baby krijgen? Daarom vond Sven die angst zo vreemd.
Na korte tijd wilde Sven voor dit probleem hulp zoeken. Hij had eens een presentatie van een medium meegemaakt. Na afloop daarvan had Sven hem toen een door hem meegenomen oude dolk laten zien. Het medium kon aangeven dat er in het verleden een moord mee was gepleegd. Een beangstigende mededeling. Wat zat er voor een verhaal achter die dolk? Stel je voor dat het hemzelf was overkomen?! Wie waren de dader en het slachtoffer geweest? Maar dit verleden was al lang een afgesloten tijd. Deze man wist ook het een en ander te vertellen over de persoon van wie Sven de dolk had gekregen. Deze informatie klopte opmerkelijk goed. Sven had daarom vertrouwen in dit medium.
De jonge vader spoorde het medium op en ging langs voor een sessie. Dat deed hij alleen; Sven durfde er met Lieke nog steeds niet over te spreken. Nadat hij had aangegeven het medium eerder te hebben ontmoet – de man kon zich de dolk nog herinneren - gaf hij aan wat zijn klacht was. Sven kreeg na de nodige onderzoekjes te horen dat hij op de nominatie stond om later, als hij zou zijn gestorven, weer in een volgend leven te verschijnen. Een vorm van reïncarnatie dus. De onbewuste kennis van dit weerkeren zou bij Sven een op Floris geprojecteerde angst veroorzaken. Het medium zei daarover: “U heeft angst voor nieuw leven. Niet voor het leven van uw zoon, maar voor dat van uzelf in een nieuw leven. Uw angst is eigenlijk een afgeleide vrees.”
Sven nam afscheid en overdacht de conclusie van het medium, en welke eventuele consequentie deze wetenschap voor hem in dit leven had. Ja, want waarom zou zijn zelfbewustzijn niet later nogmaals kunnen verschijnen? En zoiets zou volgens het medium geen keuze zijn; de betrokkene had daar geen vat op. Het zou gewoon gebeuren.
De man had dus een onbewuste, existentiële angst ontwikkeld om na het sterven in een volgend leven geboren te worden. En dat zou wel eens in minder goede omstandigheden dan nu het geval was kunnen plaatsvinden, dacht hij direct. Een beangstigend idee, ook al zou hij in een volgend leven niet beter weten. Want er zou geen kennis van het vorige leven zijn. Dat had het medium nog benadrukt.
Sven zag zich al opnieuw geboren worden in een minder welvarend land, in oorlogstijd of in een minder warm en ontwikkeld gezin. Of een combinatie daarvan. Als gehandicapte of van een ras dat wordt gediscrimineerd en dientengevolge in het leven minder kansen krijgt. Als minder aantrekkelijk of als een op school gepest of minder goed lerend kind. Als lid van de andere sekse, want Sven was blij dat hij man was. Hij zou nooit een zwangerschap en de pijn van een bevalling willen meemaken! Sven kon eigenlijk wel begrijpen dat hij die angst had. Angst, met name omdat hij geen controle over de komst van een volgend leven had.
Sven bemerkte dat hij ervan uitging dat hij bij zijn volgende geboorte in de tijd vooruit zou gaan, en niet achteruit. Achteruit zou hij misschien worden geconfronteerd met heksenverbrandingen, onthoofdingen en “medische” behandeling zonder verdoving. Dat waren vroeger gruwelijke tijden geweest, waarin de gemiddelde leeftijd van de mens een stuk lager dan nu lag.
Maar ook bij verder in de tijd werd Sven afgeschrikt. Door de gedachte dat het leven nog drukker en stressvoller zou worden dan nu al het geval was. Mensen zouden wellicht nog egocentrischer zijn dan in het heden. Het leven in een democratie zou op Aarde nog zeldzamer kunnen zijn. De kans op totale vernietiging van de planeet met kernwapens zou ongetwijfeld nog weer groter zijn geworden. Het was überhaupt de vraag of de mens dan nog een leefbaar klimaat zou hebben.
In de toekomst zou de levensduur van de mens door de medische wereld ongetwijfeld verder zijn opgerekt. Dat leek hem op zich gunstig, maar het was ook beangstigd: het laatste deel van het leven, het leven met invaliditeit en kans op slopende ziektes zou worden verlengd, niet het eerste. Al met al werd zijn angst er met deze gedachten niet minder om.
De informatie van het medium zorgde ervoor dat Sven zijn leven – de tijd die in dit leven achter hem lag - overdacht. Hij ging terug naar zijn schooltijd. Hij wist nog dat hij in die tijd zag dat sommige andere kinderen het beter dan hij hadden, maar niet dat er velen waren die het minder hadden getroffen. Hij focuste zich toen alleen op dat eerste groepje, en voelde zich minderbedeeld. Op de middelbare school - sowieso bezocht door een select gezelschap, wist hij nu - schaamde hij zich een beetje dat zijn vader geen hoogleraar was, of een hoge functie in het zakenleven bekleedde. Dat hij niet op het gymnasium zat, maar op het lyceum. Dat hij niet in een groot huis in het luxe dorp woonde, maar aan de rand ervan. Ja, zo dacht hij over zijn situatie toen hij jong was.
Later, na zijn schooltijd, was dit wel verbeterd. Sven was over het algemeen niet negatief naar anderen geweest. Hij kon zich niet herinneren dat hij dikwijls op anderen had neergekeken. Maar hij was ook niet hulpvaardig naar minderbedeelden geweest. Hij had zich vooral met zichzelf en zijn directe omgeving beziggehouden.
De dagen erna werd de jonge vader zich er steeds meer van bewust hoe bevoorrecht hij in dit leven was. Hij was eigenlijk best verwend geweest, maar had er nooit over nagedacht. Alles wat hij in zijn jeugd had gekregen, leek in die tijd vanzelfsprekend te zijn.
Sven moest erkennen dat zijn blik altijd begrensd was geweest tot dit leven. Maar nu, onder invloed van wat het medium hem had geleerd, probeerde hij die blik te verruimen. De Aarde was zo bijzonder en maar een klein onderdeeltje van het heelal. Zelfbewustzijn was toch het meest bijzondere van een mensenleven! De mens kon tot op zekere hoogte zijn eigen bestaan overzien. En waarom zou dat zelfbewustzijn, MIJN zelfbewustzijn, niet meermalen in de tijd kunnen worden ervaren?
Sven was nooit religieus geweest; hij geloofde niet in God of een hiernamaals. Maar de jonge vader begon er nu in te geloven dat hij, door goed voor zijn naasten te zijn, later weer in gunstige leefomstandigheden geboren zou mogen worden. Op deze wijze probeerde de man controle te krijgen over dat waarover, nuchter gezien, geen controle mogelijk leek. Dit idee maakte Sven een socialer, ruimdenkender, meer relativerend mens. Hij nam zich voor minderbedeelden te gaan helpen. Hoewel hij dus eerder niet in een God geloofde, ging hij er nu vanuit dat de omstandigheden van zijn volgende leven beïnvloedbaar waren.
Zo gebeurde het dat Sven zich ging bezighouden met bepaalde vormen van naastenliefde. Hij doneerde aan goede doelen, gaf op straat geld aan daklozen, trad op als vrijwilliger bij de voedselbank, en dergelijke.
Maar niet veel later - doordenkend over hetgeen het medium hem had aangegeven - kwam bij hem nog iets anders op: het idee dat huidig lijden van mensen toch eigenlijk eigen schuld moest zijn. Er was door hen kennelijk in een vorig leven niet goed geleefd. Deze gedachte bracht Sven tot rechtvaardiging van sociale ongelijkheid: de persoon die het minder had, verdiende zijn lot, want hij had in zijn vorig leven verkeerd geleefd. “Eigen schuld, dikke bult”, dus. Sven begon soms ook zo naar zijn naasten te kijken.
Waartoe leidde dat allemaal bij deze man? Enerzijds bracht de mededeling van het medium hem tot hulp aan zijn naaste. Maar anderzijds was hij van mening dat die minderbedeelde dat niet verdiende. Sven raakte hiervan in verwarring, en de spanning in zijn lijf nam alleen maar toe!
Door deze gedachten was zijn naastenliefde toch weer afgevlakt. Zijn gedrag werd een wat vreemde combinatie van het geven van hulp en het negeren ervan. Misschien was het te vergelijken met wat er plaatsvindt in sommige gemeenschappen die sterk religieus zijn: op zondag gaat men driemaal daags naar de kerk en spreekt men uit de naaste te helpen, maar doordeweeks beconcurreert men elkaar op leven en dood, en draait het bestaan om geld verdienen.
Deze tweestrijd zorgde ervoor dat zijn leven eigenlijk weer als voorheen werd: hij kwam er niet uit en bekommerde zich voornamelijk om zichzelf en zijn kleine gezin. Maar al die tijd was bij Sven de angst voor Floris niet verminderd. Kennelijk zorgde het zich bewust zijn van de door het medium aangegeven oorzaak van deze angst – de angst voor een ongecontroleerd volgend leven – daar niet voor. Nee, zijn angst was eigenlijk alleen maar breder geworden. Deze omvatte nu onder andere ook die voor drukke plaatsen, autorijden en fietsen in de drukke stad. Zelfs nieuwsberichten op radio en tv benauwden hem.
Sven vond het daarom tijd worden om naar een echte psychotherapeut te gaan. Was er misschien een andere oorzaak aan te wijzen voor de angst voor zijn baby? Want daar was het toch allemaal om begonnen. Werd deze veroorzaakt door iets uit zijn verleden? Tevens vond Sven nu dat hij zijn vrouw over zijn probleem moest vertellen. Hij bracht haar op de hoogte, en was open over alles wat hij tot dan toe had meegemaakt.
Lieke was gelukkig begripvol en gaf aan hem naar de therapeut te willen vergezellen. Deze deskundige focuste zich op Svens nieuwe rol als vader. Factoren die met de therapeut werden besproken en mogelijk als oorzaak konden worden aangewezen, waren onder andere: grote veranderingen in levensstijl en verantwoordelijkheid door de geboorte van zijn eerste kind, financiële en relationele stress, mogelijk een eerdere depressie of angststoornis.
Nader werd ingegaan op het verlies aan vrijheid dat het ouderschap met zich meebrengt, maar ook de wetenschap niet meer de jongste generatie te zijn, de eigen sterfelijkheid, maar ook die van zijn nakomeling. Want iedere geboorte is ook het begin van een einde. De lange duur van kind tot volwassenheid, ook al wordt naderhand ervaren dat de tijd snel was gegaan. De wetenschap dat Sven de rest van het leven ouder van het kind zou zijn.
Onder begeleiding van de therapeut leerde Sven stapje voor stapje de mooie kanten van het vaderschap kennen. Gelukkig namen alle angsten daarna geleidelijk af.
De jonge vader bedacht: ja, hij had angst voor het leven van zijn zoon. Die angst was er vroeger niet, maar behoorde bij zijn nieuwe rol als vader. Een beetje angst was normaal te noemen. Maar een overmatige angst was ongegrond. Een kind is sterk, heeft een grote wil om te leven. Meestal komt het allemaal goed. Maar natuurlijk moet je hem in alles begeleiden en beschermen.
De komende jaren zou Sven echt geen tijd hebben om aan een volgend leven te denken. Waar hij wel aandacht voor had, was zijn poging om in dit leven een goed mens te zijn, iemand die oog had voor zijn medemens. Gewoon, omdat niet iedereen het zo had getroffen als hij. En dat was toch ook een goed voorbeeld voor Floris.
DE MAN DIE EEN ANDER WAS
Wim Dirkse had een onbedwingbare drang om niet zichzelf te zijn. Er waren velen in wiens huid hij wel wilde kruipen: acteurs in succesvolle, avontuurlijke rollen, zangers van populaire liedjes, of door hemzelf bedachte idolen. Hij zag zichzelf graag opereren in indrukwekkende situaties. Dirkse identificeerde zich het liefst met acteurs die in films in zijn ogen interessante rollen vertolkten. Hij was bijvoorbeeld een grote liefhebber van de speelfilm “Catch Me If You Can”. In dit misdaaddrama kruipt Leonardo DiCaprio in de huid van Frank Abagnale Jr., een jonge meesteroplichter die zich voordoet als piloot, arts en advocaat.
Hij was nu bijna veertig jaar oud, maar dat graag in andermans huid kruipen had Wim Dirkse eigenlijk al zijn hele leven. Als kind wilde hij graag een cowboy of een indiaan zijn. Maar daarin week hij natuurlijk niet erg af van leeftijdsgenoten. In tegenstelling tot opgroeiende anderen ging deze levensfase bij deze man niet over; hij was daar als het ware in blijven hangen.
Op school lette Wim niet erg op, omdat hij over zijn geliefde personages aan het dromen was. Ook op zijn huiswerk kon hij zich moeilijk concentreren. Met leren kwam Wim daarom niet ver. Na zijn schooltijd bleef hij dientengevolge zonder diploma’s en deed Dirkse, bij wisselende werkgevers, los, ongeschoolde arbeid, en verdiende hij niet veel.
Toch zag Wim er aantrekkelijk uit en kon hij goedgebekt zijn. Dit maakte hem succesvol bij de andere sekse. Naarmate hij ouder werd, kreeg Wim in de omgang met vrouwen steeds meer zelfvertrouwen, en groeide hij uit tot een charmant persoon, die de dames wel voor zijn karretje kon spannen. Maar zich echt in een goede vriendschap of een relatie begeven, nee, dat deed hij niet. Deze omgang bleef steeds oppervlakkig. Wim bleef altijd een eenling, die naar anderen overigens nooit repte over zijn drang om een ander te willen zijn. Dat zouden ze toch niet begrijpen.
Als jongvolwassene wilde de man zich in het anders zijn niet meer beperken tot het zich verplaatsen in aantrekkelijke en succesvolle mannen. Dirkse wilde in de omgang met anderen ook daadwerkelijk in de rol van iemand anders kruipen. De tijd van dromen was voorbij, vond hij. Dirkse ontdekte het fenomeen datingsite en de mogelijkheid zich hierin anders voor te doen dan hij was. Dat was op zo’n site niet moeilijk, dus echt iets voor hem. Hij begreep al gauw dat anderen dat ook deden. Een ideale wijze om zijn tijd te vullen en zich als een ander te manifesteren.
Wim Dirkse was dus onvermogend, maar hij deed bij een arme vrouw, ontmoet via zo’n datingsite, of hij rijk was. Dat maakte hem voor haar aantrekkelijk, ondervond hij snel. Dirkse benadrukte bij de vrouw dat hij geld had, maar dat hij hield van bescheidenheid. Het breed laten hangen was niets voor hem. “Doe maar gewoon, dan doe je gek genoeg”, was zijn credo. Steeds als Dirkse had beloofd dat de twee een mooie reis zouden gaan maken of als in het huishouden van de vrouw echt iets vervangen moest worden, ging het op het laatste moment wegens “onverwachte omstandigheden” niet door. Doordat Dirkse, ondanks zijn lage inkomen, wel nog wat had gespaard, en omdat hij wel eens iets van iemand - zonder dat deze daarvan wist - “leende”, kon hij toch iets daadwerkelijk bij de vrouw besteden. Op deze wijze kon de man er bij haar toch steeds mee wegkomen.
Dit leven beviel Wim Dirkse goed; de twee gingen een relatie aan, en hij viel niet door de mand. Hij kreeg er aardigheid in om als “gefortuneerde” weinig geld uit te geven. En hij genoot ervan dat dit dan werd geloofd.
De man was wel zo slim geweest om er vanaf het begin van de ontmoeting voor te zorgen dat hij ontraceerbaar was. Niet overeenkomstig de waarheid gaf hij aan tijdelijk in een pension te wonen, omdat een nieuw aangeschafte, luxe woning op dat moment werd gerenoveerd. En in het huis van de vrouw was het veel gezelliger dan in zijn tijdelijk verblijf, was zijn mening. Dus was hij eigenlijk steeds bij haar thuis.
Dirkse verliet deze vrouw echter plotseling na enkele maanden, want hij wilde het “hogerop” zoeken. Hij had in zijn rol veel ervaring opgedaan en voelde zich capabel genoeg om aan te pappen met een ander kaliber vrouw.
Dat deed hij in de bar van een vijfsterrenhotel bij een vrouw die op het oog een luxe leven leidde. Ook bij deze dame deed Dirkse alsof hij rijk was. Hij was erop voorbereid dat het waarschijnlijk moeilijker vol te houden zou zijn dan bij de arme vrouw. Hij wist ook deze nieuwe dame, die inderdaad over veel kapitaal bleek te beschikken, te imponeren. Wederom zonder zelf nauwelijks geld uit te geven. Dat lukte wonderwel; de vrouw had er geen moeite mee haar geld aan beiden te besteden en verzuimde om zich in zijn achtergrond te verdiepen.
Op een zeker moment moest Dirkse weer terugdenken aan zijn liefde voor de speelfilm “Catch Me If You Can”. Als hij de rol van meesteroplichter nu eens zou combineren met die hij nu bij deze vrouw speelde; dat zou prachtig zijn. Zo vond de man het tijd om zijn capaciteiten op het relationele vlak te gelde te maken, en kwam hij op het idee hoe hij aan deze nieuwe “relatie” kon verdienen.
Dirkse zei tegen de vrouw dat hij een onroerendgoedproject kende waarin zij succesvol en betrouwbaar kon beleggen. Dat zou veel meer opleveren dan als zij haar geld op een bankrekening zou laten staan. Hij had er zelf ook in geïnvesteerd en het had hem al veel opgeleverd. Zij kon alles aan hem overlaten. Tot zijn verbazing deed de gefortuneerde dame dat ook. De vrouw had alle vertrouwen in de oplichter. Haar inleg verdween echter in zijn zakken. Zo wist Dirkse aardig wat geld van haar af te troggelen. Wederom verdween hij plotseling met de noorderzon, zonder een spoor achter te laten.
Dat spelletje herhaalde Dirkse bij een paar andere rijke vrouwen, die hij steeds op weer andere plekken ontmoette waar zij zich graag ophielden: luxe hotels, golfbanen, exposities van dure kunst, en dergelijke. Want de oplichter werd niet door de politie getraceerd; mogelijk omdat de eerste rijke vrouw uit schaamte geen aangifte had gedaan. Maar ook niet door latere slachtoffers. Omdat zijn criminele acties succesvol bleven, werd de man steeds rijker.
Maar toch miste Wim Dirkse op den duur iets in zijn leven. Deze “relaties” maakten hem niet gelukkig. De man wilde het roer daarom omgooien. Hij had een aantal keren gedaan alsof hij rijk was. Dat wilde hij wel eens omkeren: doen alsof hij een arme man was bij een rijke vrouw. Dus toch weer als een ander iemand optreden, want hij was nu zelf een rijk man. Dirkse verscheen met een oud autootje als werkman in eenvoudige confectiekleding op een golfbaan, zogenaamd om een klusje te doen. Er was altijd wel een vrouw te spotten bij wie hij kon aanpappen en bij wie zijn nieuwe rol succes zou hebben. Dirkse had er inmiddels een goede neus voor gekregen. Zo’n vrouw ontmoette hij op die plek.
Nu hoefde Dirkse niet te pretenderen rijk te zijn, zonder de vrouw dit daadwerkelijk te tonen. Hij behoefde zich alleen maar ervoor te verontschuldigen dat hij in hun samenzijn niet financieel kon bijdragen. Het maakte de betreffende vrouw, die Jeanne heette, niet uit. Zij was blij met zijn gezelschap en betaalde graag alles wat de twee deelden.
Toen Wim Dirkse haar beter leerde kennen, bleek Jeanne niet alleen een rijke, maar ook een warme, ontwikkelde en bescheiden vrouw te zijn. Een vrouw die niet hield van decadentie en voor wie rijkdom niet belangrijk was. Iemand die Wim waardeerde om wie hij was. Het maakte Jeanne dus helemaal niet uit of hij arm of rijk was. En het klikte wonderwel tussen de twee. Er werd ook veel gelachen.
De maanden die de man met deze dame doorbracht, waren voor zijn doen gelukkige tijden. Hij had in feite – afgezien van het ontkennen van zijn rijkdom – grotendeels zijn ware identiteit aangenomen. Dit keer geen zogenaamde luxe woning in renovatie. Dat zorgde ervoor dat Wim zich bij Jeanne thuisvoelde, en voor het eerst iets van een echte relatie ervoer.
Maar zelfs bij deze vrouw kreeg Wim Dirkse het gevoel dat hij verder moest. Uiteindelijk had hij helaas ook bij haar geen “zitvlees”. Hij stond op het punt om Jeanne te verlaten. Dit keer zonder geld van haar gestolen te hebben. Want zij was de eerste vrouw om wie hij echt had gegeven.
Maar vlak voor zijn vertrek werd zijn vriendin onverwacht door een andere man opgelicht. Het was een gewiekste internettruc met valse berichten en websites. Jeanne raakte haar vermogen bijna geheel kwijt. Ze was zeer verdrietig. Wim besloot daarop zijn vertrek uit te stellen en haar te helpen. Maar ook hij wist de oplichter niet te traceren, en de vrouw kreeg van haar bank helaas geen compensatie.
Wim wilde Jeanne financieel graag bijstaan, maar hij durfde niet voor zijn rijkdom uit te komen. De vrouw zou, ondanks haar behoeftigheid, zijn eerdere oneerlijkheid niet kunnen accepteren en hem verlaten. Daar was hij van overtuigd. Want hij wist inmiddels ook dat hij toch bij haar wilde blijven.
Wim Dirkse kon zijn geld alleen maar besteden aan heimelijke genoegens, op een moment dat hij even in zijn eentje zou zijn. Het was “zwart geld”; vermogen waar eigenlijk maar weinig mee gedaan kon worden. Dat wist Wim, en daar had hij weinig zin in. Ook werd hij zich er steeds meer van bewust dat hij nog geen afstand kon nemen van zijn drang om een ander te zijn, wat hij als een nare afwijking ging ervaren. Waarom wilde hij toch altijd iemand anders zijn? Dirkse besefte dat hij als enig kind was opgegroeid met ouders die weinig naar hem hadden omgekeken, en dat hij zich daarom graag verplaatste in het leven van een ander. Dit moest de start van zijn probleem zijn geweest.
De man verkeerde in tweestrijd, wat hem opnieuw ongelukkig maakte. Voor het eerst was hij tot de conclusie gekomen dat hij bij een vrouw wilde blijven, maar het zou met haar een bestaan in armoede gaan worden. Niet eerder had Wim meegemaakt dat hij zich niet een solist voelde, als iemand die zich graag afzonderde. Nee, er stond nu echt iemand naast hem.
De man overdacht enige tijd hoe hij hieruit moest komen. Op zekere ochtend werd hij wakker en hij wist het: hij zou zich aanmelden voor de toneelschool. Voor het spelen van rollen had Wim tenslotte talent. Zo zou hij zijn drang kunnen combineren met eerlijk verdiend inkomen.
Ondanks zijn relatief hoge leeftijd werd Wim aangenomen, en doorliep hij deze school met succes. Daarna werd hij met een beetje geluk een veelgevraagd acteur en had hij dientengevolge goede inkomsten. Er was nu geld dat de acteur in alle eerlijkheid samen met zijn vriendin kon besteden. De relatie hield stand en de twee hadden financieel niet te klagen. Wim kon zijn drang om een ander te zijn in zijn werk botvieren. Hij had er geen behoefte meer aan om zich bij zijn vrouw anders voor te doen dan wie hij was. Het geld dat Wim met oplichting had vergaard, schonk hij weg aan goede doelen. Hij werd een gelukkig mens.