DE AMULET
Maarten, een man van middelbare leeftijd, was de heer Houtman tegen het lijf gelopen. Deze bood hem bescherming en geluk aan, in de vorm van een amulet. Mogelijk was Houtman een handelaar, dat wist Maarten niet. Maar misschien was de man gewoon een particulier die voldoende geluk in het leven had ervaren, en werd het sieraad van de hand gedaan, omdat hij geld nodig had.
Omdat hij niet goed wist wat hij voor vlees in de kuip had, vroeg Maarten zijn goede vriend Coen om te onderzoeken of deze heer Houtman wel te vertrouwen was. Werd hij met de amulet niet bekocht? Coen had eerder wel eens laten merken verstand van dit soort sieraden te hebben.
Coen begreep niet dat Maarten iets zag in dit soort “beschermers”. Zo kende hij zijn nuchtere vriend niet. Hijzelf geloofde niet in dit soort zweverige zaken. Coen wist van zichzelf dat hij verstand had van sieraden, niet van talismannen. Hij ging er daarom vanuit dat hij om advies werd gevraagd om de waarde van het sieraad te bepalen. Om zijn vriend een plezier te doen, zocht Coen Houtman op om zijn aanbieding te checken. Hij had van Maarten het telefoonnummer van de man gekregen. Ze spraken ergens in de stad af.
De amulet bleek een combinatie van gouden munt en eveneens gouden ketting te zijn. Een mooie zware ketting. Op de munt stond een pentagram gegraveerd, een vijfpuntige ster. Coen wist wel dat dit al sinds de oudheid een symbool voor bescherming is. Houtman gaf de amulet om uit te proberen in vertrouwen een week aan Coen af. Deze controleerde de echtheid van het sieraad en vond dat het de gevraagde prijs wel waard was. Hij hing het vervolgens maar even om zijn hals.
Die middag liep Coen door de stad. Toen hij een stille steeg passeerde, kwam een man die hij herkende op hem af. Hij leek behoorlijk kwaad te zijn. “Wanneer was je van plan je schuld te betalen? Ik heb je in vertrouwen op krediet geleverd. Je hebt al meerdere malen beloofd het bedrag te voldoen!”, brieste de man.
“Ik ga je volgende week betalen, Jan. Beloofd”, antwoordde Coen. “Ik heb er nu genoeg van, man”, kreeg deze te horen. Jan, die een stuk sterker overkwam dan Coen, pakte de schuldenaar stevig vast en stond op het punt om hem een vuistslag te geven.
Op dat moment verscheen uit het niets van achter Jan een jonge vrouw, gekleed in een sportieve outfit. Zij bleek voldoende kracht te bezitten om Jan naar achter te trekken. Kennelijk deed zij dat met zoveel overtuiging dat Jan zich omdraaide en weglopend riep: “Je bent niet van mij af, Coen. Ik kom terug. Als je het geld dan niet hebt, ben je nog niet jarig!”
De vrouw die Coen had geholpen, was niet alleen jong; zij was ook erg aantrekkelijk. Coen had geen idee waar zij ineens vandaan was gekomen. Maar de jongedame was even snel verdwenen als zij was verschenen. Coen moest dit alles even op zich laten inwerken.
Thuisgekomen kwam het bij hem op dat de jonge vrouw te maken kon hebben met de amulet die hij om zijn hals droeg. Hij vermoedde dat zij zou optreden als beschermvrouwe, op het moment dat de bezitter van de amulet onheil leek te overkomen. Zou er dan toch zoiets bestaan? Coen was onder de indruk van wat zij fysiek kon, maar hij kreeg ook al snel gevoelens voor haar. Hij was vooral onder de indruk van haar schoonheid en daadkracht.
De volgende dag wilde Coen de goede werking van de amulet verder uitproberen. Hij deed het sieraad weer om de hals. Dat bleek even later goed van pas te komen, want Coen werd bij het verlaten van zijn woning opnieuw benaderd. Dit keer door een potige vent die kennelijk door zijn schuldeiser was ingehuurd. “Jij hebt je schuld aan Jan nog steeds niet voldaan. Als je nu niet betaalt, ga ik jou dat even betaald zetten!”, kreeg de arme Coen te horen.
“Ik moet nog even om uitstel vragen, maar het komt eraan”, gaf Coen aan. Op het moment dat de onbekende met zijn vuist naar Coen wilde uithalen, verscheen opeens wederom de jonge vrouw achter de man. Ze trok hem met kracht naar achteren, zodat deze in de struiken van Coens voortuin belandde. Wederom droop de aanvaller daarna snel af.
Coen was blij de mooie vrouw weer te zien. Maar ze was ook snel weer verdwenen. Op dat moment besloot Coen het aanbod van Houtman voor zichzelf te behouden. Hij kon wel wat bescherming gebruiken. Coen zocht de verkoper op en voldeed de koopprijs, met de mededeling dat hij de amulet na verrekening van de kosten aan zijn vriend zou overdragen.
Coen ging ervan uit dat de goede werking van de amulet in de munt verscholen zat. Hij hield deze voor zichzelf, terwijl hij de ketting voor de vraagprijs van Houtman aan Maarten doorverkocht. Maarten had de ketting toch nog niet goed bekeken, naar hij vermoedde. Dat bleek inderdaad het geval, want Maarten miste de munt niet. Coen loog even niet tegen Maarten toen hij verkondigde dat hij had geconstateerd dat de amulet bij hem goed werkte. Hij gaf zijn vriend aan dat geluk hem ten deel was gevallen in een situatie die ook slecht had kunnen aflopen. Coen wilde niet zeggen welk geluk. Hij zei ook niet dat er een beschermvrouw voor hem was verschenen.
Maarten was blij met het resultaat van het onderzoek door zijn vriend. Hij hing de ketting om zijn hals, maar merkte in de periode daarna echter geen geluk, terwijl dat in zijn beleving voor de hand had gelegen. Hij begreep niet dat de amulet zijn vriend voordeel had verschaft, maar vervolgens niet hemzelf. Kennelijk had zijn vriend bij toeval iets erg positiefs ervaren. Maarten dacht dat hij daarom was bekocht door Houtman. Hij had die Houtman niet moeten vertrouwen.
Maarten ging ervan uit dat zijn vriend Coen zijn best voor hem had gedaan, dat hij zich had ingespannen om de werking van de amulet te onderzoeken. Maar ook Coen moest door Houtman om de tuin zijn geleid. Mogelijk had Houtman gehoopt dat Coen in de proeftijd enig geluk ten deel was gevallen om hem tot aankoop te bewegen.
Coen voelde zich een stuk prettiger met de gouden munt in zijn zak. Korte tijd later verscheen de vrouw weer bij Coen, op het moment dat hij wederom bezoek kreeg van de door Jan ingehuurde hulp. Dit keer bleef het bij een verbale bedreiging; mogelijk vanwege de aanwezigheid van de vrouw. De vertegenwoordiger van zijn schuldeiser verdween daarna weer snel.
Coen kreeg het met een snel en dringend verzoek aan haar voor elkaar dat de vrouw nog even nableef. Hij bood de dame enkele geschenken aan en probeerde haar vervolgens overduidelijk het hof te maken. De vrouw raakte hiervan zichtbaar in de war. Voor het eerst sprak zij tot Coen: “Ik ben niet voor de liefde; ik ben voor bescherming.” Daarna vertrok zij alsnog.
Hij zou haar liefde helaas niet kunnen verkrijgen, constateerde Coen. De mooie vrouw ging duidelijk niet in op zijn avances. Maar hij overwoog dat dat ook zou kunnen komen omdat de munt inmiddels van de ketting was gescheiden.
De volgende keer dat Coen bezoek kreeg van hulp van zijn schuldeiser, dit keer twee man sterk, verscheen de jonge, aantrekkelijke dame wel, maar bleef zij op afstand staan kijken. Het resultaat hiervan was dat Coen door de twee mannen bont en blauw werd geslagen. De vrouw verdween daarop weer.
Door de splitsing van ketting en munt, dan wel door zijn eerdere hofmakerij, werkte de munt niet meer, vermoedde Coen, terwijl hij thuis zijn wonden verzorgde. Het besef begon bij hem te groeien dat ketting en munt bij elkaar hoorden, en dat hij ook tevreden moest zijn met de gelukbrengende functie ervan. Maar zoals het nu was, kreeg Coen noch liefde noch bescherming.
Coen zocht Maarten daarom weer op. De laatste vroeg naar de oorzaak van zijn duidelijk zichtbare verwondingen. “Ik ben door een fietser ondersteboven gereden”, kreeg hij te horen. Coen vernam dat de ketting zijn vriend geen geluk had gebracht. Dat kwam hem goed uit. Hij zei deze van Maarten te willen overnemen. Coen was bereid er weer hetzelfde bedrag voor te betalen. Zogenaamd uit goedheid, omdat Maarten ontevreden was en hem tenslotte om advies was gevraagd. Maar de echte reden was natuurlijk dat Coen ketting en munt weer wilde samenbrengen. Dan zou de vrouw hem weer bescherming bieden, verwachtte hij. Coen zou er verder van afzien haar het hof te maken; die vurige wens liet hij maar varen.
Maarten vond dit een mooi aanbod van zijn vriend. Hij prees hem daarvoor. De vraag die nu bij Coen leefde was, of, nu hij weer over de volledige amulet beschikte, het sieraad weer als bescherming zou werken. Dat zou de tijd moeten leren.
Nee, de amulet werkte niet meer. Toen Coen opnieuw bezoek kreeg van de twee ongure types, bleef de aantrekkelijke vrouw op afstand. Hij begon zich af te vragen waarom de amulet - ketting plus munt – nog steeds niet werkte. Coen kwam er niet uit. Maar hij wilde niet opnieuw in elkaar worden geslagen. Op dat moment besloot hij uit zelfbehoud zijn schuld maar aan Jan te voldoen. Coen gaf de twee mannen het gevraagde geld. Zij vertrokken na opgemerkt te hebben dat hij blij mocht zijn dat hem door de vertraging geen rente in rekening was gebracht. Ook de mooie vrouw verdween.
Coen vernam korte tijd daarna dat het niet goed ging met de gezondheid van Maarten. Wat mankeerde hem? Het was ook onduidelijk hoe lang dat bij zijn vriend zelf al bekend was. Coen besefte dat hij Maarten met de amulet geen dienst had bewezen. Was hij zijn vriendschap nog wel waard?
Coen wilde iets goeds voor Maarten doen. Hij durfde de nu complete amulet niet aan zijn vriend te geven, hoewel deze mogelijk dan weer zijn beloofde werking zou hebben. Want, hoe zou hij dit aan Maarten moeten uitleggen?
Nee, hij dacht eraan Houtman weer op te sporen en de amulet zo mogelijk te ruilen voor een ander type talisman, bijvoorbeeld een edelsteen. En deze vervolgens aan zijn vriend cadeau te doen. Maar ook dat vond hij wel wat lastig om aan Houtman uit te leggen, en wellicht was Houtman helemaal geen handelaar. Coen besloot via een ander kanaal voor Maarten een edelsteen aan te schaffen, in de hoop dat deze een gelukbrengende werking zou hebben.
Zo geschiedde, hij kocht ergens een fraaie edelsteen. Maar juist voordat hij zijn vriend met het cadeau een bezoek wilde brengen, hoorde hij dat Maarten was overleden. Dat deed hem wel wat. Bij de uitvaart van zijn vriend legde Coen bij de laatste ronde door de aanwezigen langs de baar de edelsteen op de kist. Deze moest hem in het hiernamaals maar geluk brengen, dacht hij.
Wat deed Coen daarna met de voor hem qua bescherming waardeloze amulet? Hij probeerde deze aan een ander te verkopen. Dat lukte na enige tijd voor een mooi bedragje, maar hij zou nooit te weten komen of de amulet bij de koper zijn gelukbrengende werking had herkregen.
Coen had de door hem zo aanbeden vrouw na het voldoen van zijn schuld niet meer gezien. En dat zou zo blijven.
NOT SO WELLNESS (AGAIN)
Ik ben al lang een saunabezoeker. Eerst samen met vrienden, later – toen de gezondheid bij een tweetal parten ging spelen en ze allen afhaakten – zeer regelmatig alleen. Je bemerkt dat je contacten met andere saunaliefhebbers gaat leggen, als je voor je bezoek een vaste dag in de week reserveert. Je gaat – in meer of mindere mate - nieuwe vriendschappen aan en leert daarbij elkaars voorkeuren en gewoontes kennen. Je kletst met elkaar, allereerst en voornamelijk over de gang van zaken in dit wellnesscomplex, maar ook over andere sauna’s waar bezoekers ervaringen hebben opgedaan.
Je hebt grote en kleine wellnesscentra, met daarmee gepaard gaande voor- en nadelen. Onderstaande ervaringen zijn opgedaan in een groot complex, waar veel bezoekers komen.
Zoals meestal zijn Fred, een man van middelbare leeftijd, en ik op onze vaste saunadag ’s morgens het eerst aanwezig om bij de opening ook snel bij de receptie te worden geholpen. We mogen op een bepaald moment vóór de openingstijd al het gebouw binnenkomen. Daar moeten we verder wachten. Voor de zekerheid gaan Fred en ik al dicht bij de balie staan. Als we op de bank zouden gaan zitten, zouden nieuwkomers vóór ons gaan staan, en zouden we alsnog langer moeten wachten. We zien deze dag maar één bekende receptioniste; de andere twee aanwezige dames moeten nieuw zijn.
Na korte tijd komen er twee vrouwelijke bezoekers binnen, die doodleuk schuin vóór ons gaan staan, in plaats van achter in de rij aan te sluiten. Omdat we dit wel erg grof vinden, zeggen we er wat van. “Ik zie hier geen opstellinten of zoiets”, krijgen we van een van hen te horen. De dames blijven staan waar ze staan. Zij verdedigen zich natuurlijk; zo gaat dat altijd. Men kan kennelijk niet meer gepast omgaan met een dergelijke opmerking. Ik was hier echter ook wel bang voor, omdat de toon van Fred altijd nogal direct is voor zijn geadresseerden.
Er wordt door ons over en weer nog wat gesproken; de lontjes blijken weer eens kort te zijn. Dan vindt een van de kennelijk nieuwe receptionistes het nodig om zich ermee te bemoeien. Ze zegt dat ze dit geen gezellig gesprek vindt. En de dames “zijn hier nieuw”, wordt er aan toegevoegd.
Dit is een wel erg merkwaardige opmerking van deze receptioniste. Hoe kan zij, die kennelijk zelf nieuw is, weten wie hier nieuw is en wie niet? En wat heeft dit met fatsoen te maken? Fred en ik krijgen er de schuld van dat we “een ongezellig gesprek” zijn begonnen. We hebben de indruk dat de vrouwen gelijk krijgen, omdat zij seksegenoten van de receptioniste zijn. We houden onze mond verder maar.
Het is tijd om in te checken. Nu ziet de nieuwe receptioniste dat ik een vaste gast ben. In haar voor mij onnavolgbare gedachtengang maakt dat kennelijk verschil. Ik krijg de indruk dat er nu anders tegen het voorval wordt aangekeken. Maar dat kan ook een illusie zijn; het wordt niet uitgesproken.
We moeten na het inchecken altijd nog even wachten tot het tien uur is en we naar de boven- of benedengelegen kleedkamers mogen doorlopen. Ook nu is er weer iemand die kennelijk denkt dat we daar voor niets staan te wachten. Iemand die ervan uitgaat dat hij wel door kan lopen naar de kleedkamers boven. Alsof die wachtregel alleen voor beneden zou gelden. We vertellen de man dat hij nog even behoort te wachten; de schoonmakers zijn binnen nog bezig. Hij vraagt daarop of de deur op slot is. Nee, dat niet, zeggen wij, maar dat is geen criterium. We leggen uit dat het nog geen tien uur is. Gelukkig loopt deze man daarna niet door. Dat wordt door anderen nog wel eens doodleuk genegeerd.
Als we richting kleedkamers gaan, hebben Fred en ik het natuurlijk nog even over het voorval bij de receptie. Fred heeft bij het inchecken gevraagd naar de naam van de nieuwe receptioniste, maar die werd niet gegeven.
Ik heb mijn buik wel weer even vol van de in mijn ogen matige manieren van sommige mensen. Over buik gesproken: ik denk bij wijze van grap aan Fred voor te stellen de volgende keer bij het wachten voor het inchecken maar met de buik tegen de balie te gaan staan, om te voorkomen dat er nog mensen tussenkruipen. Maar omdat de buik van Fred aanzienlijk is, laat ik dat maar na.
Fred lijkt me niet iemand die lang met een nare woordenwisseling in zijn maag zit. Bij mij duurt dat langer. Ik betrek problemen met anderen ook altijd snel op mijzelf. Maar na het verlaten van de kleedkamers raakt deze minder leuke ervaring toch wel wat op de achtergrond. We gaan douchen, en daarna gaan Fred en ik ieder ons weegs het wellnesscomplex in. Want iedere vaste saunabezoeker heeft zijn of haar vaste route.
Later op de dag heb ik een nieuwe, minder prettige ervaring. In het midden van het saunacomplex is een aparte scrubruimte. Er staat een grote schaal met scrubzout, er hangen diverse flacons met zeep en shampoo, en er zijn drie douches naast elkaar beschikbaar. Het is er vaak druk. Daarom is het natuurlijk sociaal om, als je onder een douche staat en er een nieuw iemand binnenkomt, die persoon even de gelegenheid te geven zich onder de douche nat te maken. Dan kan hij of zij zich daarna met scrubzout insmeren. Vervolgens spoelt men onder een douche het scrubzout weer van het lijf. Men moet dus een beetje rekening houden met de medemens.
Maar zo gaat het dit keer niet als ik binnenkom. Er staat een oudere vrouw onder de eerste douche. Zij is haar haar aan het wassen. De dame ziet me misschien niet eens. De twee andere douches worden bezet door een vrij jong stel. Ik wacht natuurlijk even op mijn beurt. Ze zullen me vast wel de gelegenheid geven om mijn lichaam even nat te maken. Maar nee, het stel maakt daartoe geen aanstalten. De vrouw gaat zelfs meerdere keren even snel naar de bak met scrubzout om er een klein beetje zout uit te halen, om direct weer terug te keren naar haar douche.
Dat gaat mij wel erg lang duren. Ik ben niet zo brutaal om direct naar “haar” douche toe te lopen, als zij even weg is. Omdat ik er na een tijdje een beetje genoeg van krijg, ga ik haar expres wat in de ogen aankijken. Ik ben ook maar een mens, en gedraag me een enkele keer, net als andere stervelingen, wat minder tactvol. Het heeft daarom een tegengesteld effect. De vrouw gaat vervolgens, nog steeds onder de douche staand, op haar gemak de rug van de man naast haar scrubben. Dat kun je natuurlijk ook even naast de douche doen, zoals andere mensen. Ik krijg de indruk dat de vrouw dit doet om mij te pesten, want de derde douche is ook nog steeds bezet. Op een gegeven moment vraagt de man aan de vrouw of ze klaar is. Het antwoord is: “Nee.” De twee trekken zich niets aan van mijn steeds langer wachten en mijn duidelijk merkbaar groeiend ongeduld.
Uiteindelijk gaat de oudere vrouw weg; kennelijk is haar haar voldoende gewassen. Ik kan nu onder die derde douche duiken. Als ik er net onder sta, vertrekt ook het vrij jonge stel. Maar niet voordat er een andere vrouw is binnengekomen, die aan het vrouwelijke deel van het stel vraagt of ze even haar handen nat mag maken. Ze wacht het antwoord niet af en houdt haar handen onder de douche van de jonge vrouw.
Nu wij samen in de scrubruimte zijn overgebleven, zeg ik tegen de nieuwe vrouw dat ze het handiger heeft aangepakt dan ik. Ik vertel daarna in het kort mijn ervaring, maar ik weet niet of ze me begrijpt. Vervolgens komt de jonge man van het stel weer in de deuropening staan. Hij heeft zich met zijn partner naast de scrubruimte staan afdrogen en mij horen spreken. Ik weet niet meer precies wat hij tegen mij zei, maar het was iets van: “Douchen is toch lekker?”
Nu zijn er twee mogelijkheden. De man begrijpt mijn standpunt niet of wat hij zei was onvriendelijk bedoeld. In het laatste geval vindt hij het kennelijk leuk om mij lang te laten wachten.
Daarna loopt de man weer weg bij de opening naar de scrubruimte. Als ik naar buiten kom, staan ze er nog. Ik kijk ze niet aan en loop door. Volgens mij zeggen ze nog iets tegen elkaar wat ook ik kennelijk moet horen. Iets wat onvriendelijk is bedoeld. Maar ik versta het niet.
Mogelijk krijg ik weer de schuld van “moeilijk gedrag”, van “niet gezellig zijn”, net als eerder bij de receptie. Omdat ik een prettige saunadag van andere mensen verstoor. Ik betrek al gauw iets op mezelf, dat weet ik. Bang om nog meer ellende in het wellnesscomplex te veroorzaken, krijg ik het verlangen om eerder naar huis te gaan. Daar waar ik geen andere mensen tegenkom en niemand tot last kan zijn.
Maar ik negeer dat gevoel toch maar. Ik loop Fred weer tegen het lijf. Hij heeft even tijd, want over een halfuur begint een nieuwe zogeheten opgieting. Fred is zo iemand die elke opgieting wil bijwonen; hij moet eraan verslaafd zijn. Ik vertel hem wat ik zojuist heb meegemaakt. Bezoekers luisteren graag naar elkaars ervaringen; daar is altijd ruim de tijd voor. Fred is het roerend met mij eens dat het gedrag van het stel in de scrubruimte niet door de beugel kan. Hij kijkt daarna op zijn horloge om te zien of hij voor zijn volgende opgieting al in de rij moet aansluiten. Het aantal plaatsen daarvoor is altijd beperkt. Fred besluit geen risico te nemen en hij vertrekt richting opgietsauna.
Ik bezoek nog wat faciliteiten in het complex. Maar daarna is het tijd om naar huis te gaan. Als ik me aan het aankleden ben, komt een jong stel de kleedruimte in mijn hoek binnen. De twee bezoeken de sauna kennelijk met het goedkopere avondtarief. De vrouw begint direct op haar smartphone te kijken. Ik hoor haar zeggen dat ze “vreemd genoeg” geen goed bereik heeft. Dat klopt, de directie wil niet dat in het complex de smartphone wordt gebruikt, en probeert het internetbereik tegen te gaan.
Met iedere telefoon kun je tegenwoordig foto’s en video’s maken, en in het recente verleden zijn kennelijk opnamen van binnen het complex op internet verschenen, want het personeel let er de laatste tijd erg op. Daarnaast heb ik er zelf belang bij. Ook ik heb er recht op om me zonder camera van anderen aan te kleden.
Velen overtreden deze regel. Uit ervaring heb ik het opgegeven om anderen te zeggen dat het gebruik van de telefoon in de kleedruimte verboden is, hoewel dit op grote borden staat aangegeven. Ik kreeg namelijk vaak kritiek op mijn opmerking. Dit keer kan ik me even niet inhouden en geef ik, bedoeld als tip, het jonge stel de reden waarom er geen bereik is. De vrouw zegt tegen mij iets van: “Hoezo, we zijn hier nog niet in de sauna.” Ik probeer het belang nog wat te vergroten door te zeggen dat er niet lang geleden mensen voor naar huis zijn gestuurd. Het lijkt geen indruk te maken. Haar partner begint vervolgens tegen mij: “Waar bemoei je je mee? Aan jou wordt niets gevraagd! Zijn we hier net binnen, en er begint al iemand tegen ons aan te praten.” En nog wat zinnen van die strekking. Ik besluit mijn mond verder maar te houden.
Kennelijk is dit duo hier nog niet eerder geweest, want de twee vragen - uiteraard aan een ander - hoe het lockersysteem in deze sauna werkt. Ze blijken vriendelijk te kunnen zijn en te bedanken voor het gegeven advies.
Dat is het dan weer voor vandaag. Als ik het complex verlaat, zie ik dat de auto van Fred er nog staat. Vaste gasten parkeren hun auto het liefst steeds op dezelfde plek. Een mens houdt zich aan gewoontes. Vaste gasten gebruiken dit om te zien of een andere vaste gast aanwezig is.
Ik ben blij dat ik weer in mijn auto zit; op weg naar huis. Geestelijk heb ik deze keer wel wat te stellen gehad, maar lichamelijk is het weer lekker geweest. Ik voel me fris en voldaan, maar ook wat lui. Dat is meestal zo. De rest van de dag doe ik het rustig aan.
De volgende keer verloopt het bezoek aan de wellness waarschijnlijk weer anders. Een sauna is niet alleen fysiek lekker, het is ook de plaats waar je onverwachte ontmoetingen met mensen van allerlei leeftijden hebt. Vaak verlopen deze plezierig; er zijn gelukkig ook mensen die voorkomend zijn. Je komt personen tegen die je anders niet tegen het lijf zou lopen, want je begeeft je in een minivariant van de samenleving. Ik denk aan de leuke gesprekken die bijvoorbeeld spontaan in een bubbelbad kunnen ontstaan. Dat zijn positieve ervaringen, die jou de minder leuke doen vergeten. Want ook ik heb behoefte aan een saunadag met gezellige gesprekken.
DE SAAIE VADER
Derk en Linda vormden een echtpaar. Zij waren vijftigers en hadden een studerende dochter Luna, die nog thuis woonde. Maar Derk overleed plotseling. Te jong, natuurlijk. Linda en Luna waren er een tijd erg verdrietig onder.
Het overlijden van haar vader was voor Luna aanleiding om haar moeder te vragen hoe haar vader was in de tijd dat ze nog erg jong was, en over daarvoor. Want wie was haar vader eigenlijk? Hij moest voor zijn werk veel en lang van huis zijn. Kennelijk ging dat werk hem goed af, want ze hoorden nooit dat hij ergens problemen bij had of dat hij zijn functie niet meer leuk vond. Er werd dan ook thuis nooit over gepraat. Haar moeder kon Luna wel wat wijzer maken, maar haar gevoel zei haar dat ze niet alles van deze man te weten was gekomen; er leek iets te ontbreken. Dit gevoel bleef bij haar bestaan.
In de realiteit dat Derk veel voor zijn werk op reis was, scheen Linda wel te berusten. Het hoorde er nou eenmaal bij en ze kon goed alleen met haar dochter zijn. En, als hij niet op reis was, was Derk ook meestal thuis en was het gezellig, omdat hij dan in principe vrij was van zijn werk.
Luna vond haar vader altijd maar een saaie man; hij was iemand van vaste gewoonten. Haar moeder had dat minder. Derk was meestal gelijkgestemd; niet echt streng voor zijn dochter. Maar in haar opvoeding was hij wel consequent. Er waren duidelijke regels waar Luna zich bij hem aan moest houden. Toch was hij ook liefdevol. Bij haar moeder kon Luna nog wel eens iets voor elkaar krijgen, als dat bij vader niet lukte. Dus als Derk weer eens op reis was, werd er thuis wat soepeler met de regels omgegaan.
Zoals gezegd, de vader van Luna had een vast levenspatroon. Hij stond altijd op op hetzelfde tijdstip, ontbeet steeds op dezelfde wijze: een boterham met kaas en een beker karnemelk. Om tien uur twee kopjes koffie. Ook de lunch gebruikte de vader op een vast tijdstip. Altijd drie boterhammen met hetzelfde beleg. Daarna een bakje yoghurt met muesli, die hij vooraf een kwartiertje liet inweken.Tenslotte een sinaasappel, een mandarijn en een appel. Hij bereidde dat meestal zelf; moeder was niet zo verzorgend dat zij dit alles voor haar echtgenoot op tafel zette. Wel voor Luna natuurlijk, toen ze nog jonger was.
De dag werd verder met het lezen van de krant en het maken van puzzels uit boekjes doorgebracht. O ja, en inkopen werden door vader op vaste dagen en tijdstippen gedaan. Om half vier was het voor vader tijd voor twee kopjes thee. Uiteraard vond het avondeten ook op een vast tijdstip plaats. Er was in de gerechten wel enige afwisseling, maar niet al te veel. Om acht uur ’s avonds werd op de televisie naar het journaal gekeken. In de avond werden door vader verder ook steeds dezelfde televisieprogramma’s gevolgd.
Toen Luna nog een jong meisje was, trachtte Derk slechts zo nu en dan iets wat zij leuk vond met zijn dochter samen te doen. Haar moeder nam Luna wel mee naar de speeltuin, de dierentuin en dergelijke. Verder moest zij zich maar met vriendinnen amuseren. Vader dook thuis het liefst in zijn lekkere fauteuil. Maar, het was al gezegd, hij was geen slechte vader; alleen nogal saai. Nooit eens iets bijzonders, iets verrassends, iets sportiefs.
In die tijd vertelde Derk, als hij thuis was, Luna altijd een verhaal voordat ze ging slapen. Dat was eigenlijk het enige wat nooit saai was. Het waren verhalen over steeds dezelfde avontuurlijke persoon, genaamd Marco, zoals hieronder een aantal kort samengevat.
“Tijdens een zomerse reis in Spanje raakte Marco op een verlaten plek zijn sleutels kwijt, terwijl zijn gehuurde, kleine appartement was afgesloten. Er was niemand te vinden en zijn telefoon had geen bereik. Uiteindelijk wist hij via een brandtrap het dak op te klimmen. Daar was hij maar op wat kleren gaan liggen. Marco zag een prachtige sterrenhemel, en hij ervoer de warme wind tegen zijn gezicht. Door deze geweldige ervaring was hij niet lang meer geïrriteerd over het zoekraken van zijn sleutels. Het werd een van de mooiste nachten die hij ooit had meegemaakt. Toen Marco wakker werd en naar beneden was geklommen, vond hij gelukkig zijn sleutels terug en kon hij zijn reis vervolgen.”
“Marco ging in een groot bos in besneeuwd Zweden een ‘kort wandelingetje’ maken. Hij kwam er na enige tijd achter dat hij zijn routekaart was vergeten. Zijn telefoon bleek geen bereik te hebben. Na korte tijd wist Marco niet meer waar hij was. Uiteindelijk was hij maar een beekje gaan volgen. Hij had wel eens gehoord dat je dat in zo’n situatie het beste kunt doen. Dat werkte dus echt! Marco kwam precies uit bij een verharde weg met een bushalte. Hij nam zich voor nooit meer zonder routekaart in een groot bos op pad te gaan. Maar hij zou hierna nog veel mooie boswandelingen maken.”
“Marco kreeg op een verlaten weg in Frankrijk een lekke band met zijn sportfiets. Op dat moment realiseerde hij zich dat hij geen spullen bij zich had om een binnenband te plakken of te verwisselen. Net toen Marco dacht dat hij uren zou moeten wachten op hulp, stopte er een oude man in een eveneens oude auto. Deze persoon sprak geen woord Engels, maar binnen tien minuten had hij provisorisch zijn band gerepareerd met materialen uit zijn kofferbak. Wat een handige man was dat! Marco bedankte de hulpverlener met een ferme handdruk en de oude man reed daarna weer door. De volgende keren dat hij in verlaten streken zou gaan fietsen, zou Marco erop letten dat hij een reparatieset bij zich had. ”
“Marco stond in zijn zwembroek boven op een rots bij een meer in zomers Italië. Stoere mannen naast hem sprongen direct in het water. Maar Marco was toch wat angstig: het zag er hoger uit dan hij dacht. Hij twijfelde echt een paar minuten lang. Zou hij, net als de andere mannen, in het meer springen? Uiteindelijk heeft Marco het toch gedaan. Zo’n ervaring moest hij gewoon opdoen. Het water was ijskoud, maar het moment dat hij, nadat hij naar de kant was gezwommen, uit het water stapte…… Dat moment zou hij nooit vergeten!”
Maar, de verteller van deze verhalen was dus plotseling overleden. Op een moment dat hij thuis bij vrouw en dochter was. Bij de uitvaart van haar vader zag Luna één persoon die zij niet kende. Ook haar moeder wist niet wie hij was. Dit intrigeerde Luna. Na afloop van de begrafenis zocht ze zijn naam en adres op in het condoleanceboek. Hij bleek Dolf te heten. Wat later nam Luna contact op met deze Dolf en zocht ze de man op op een afgesproken plaats. Het werd een ontmoeting die haar leven zou veranderen.
Dolf bleek veel over haar vader te kunnen vertellen; feiten die Luna niet kende. Reeds zo’n dertig jaar geleden waren haar vader en hij elkaar tegengekomen op een Grieks eiland. Dolf werkte daar een tijdje in een bar. Derk trok toen rond in Griekenland. De landgenoten werden bevriend. Zij zouden altijd contact met elkaar blijven houden, hoewel ze in latere jaren meestal los van elkaar de wereld over trokken. De twee spraken elkaar als ze beiden in Nederland of elders waren, en vertelden elkaar wat ze op hun reizen hadden meegemaakt. Dolf wist dat de vader van Luna altijd op weg was; hij kon nooit ergens lang blijven. Zijn vriend wist dat een flinke portie ongedurigheid bij Derk behoorde.
Derk had Dolf meermaals verteld over zijn gevoel niets te willen missen van wat er in de wereld gebeurde. Hij was een geboren Marco Polo, Sinbad of Ibn Battuta. Dolf ging ervan uit dat Derk onderweg ook vele andere mensen leerde kennen, maar dat hij met hen niet zo’n langdurige vriendschap als met hem zou opbouwen.
Luna wist niet wat ze hoorde. Ging het hier om haar vader? Deze Dolf bleek een vriend uit een soort langdurig dubbelleven van haar vader te zijn. En een man die haar vader daarin het langste had gekend.
Luna kwam via Dolf meer te weten over de motieven van haar vader om dat tweede leven te leiden, over zijn activiteiten daarin en de mensen die hij verder nog had leren kennen. Uit de informatie van Dolf kon Luna opmaken dat haar vader, als hij van huis was, niet aan het werk was, zoals haar moeder en zij altijd hadden vernomen en gedacht. Hij had zijn vriend Dolf eens verteld een erfenis te hebben gekregen, waaruit hij zijn reizen kon bekostigen, en waarmee hij dit tweede leven kon leiden.
Dolf bracht de jongedame met enkele anderen uit dit tweede leven van haar vader in contact. Luna stelde zich ook met deze personen in verbinding en ging op deze wijze verder op zoek naar wie haar vader was.
Uit haar onderzoek bleek dat Derk ongeveer het volgende in gedachten moest hebben gehad: “De mens volgt in zijn leven een vast pad. Hij is een gewoontedier. Hij heeft de neiging alles op dezelfde wijze uit te voeren, in kleine en in grote dingen. Zijn levensloop is daarom vaak bijna voorspelbaar.”
De vader van Luna moet zich het volgende hebben afgevraagd: “Dwingen karakter en persoonlijkheid een mens tot een bepaalde levensvorm? Kan hij wel leven zonder zijn gewoonten? Heeft een mens angst voor onzekerheid? En welke rol speelt toeval in het leven dat hij leidt? Probeert een mens via zijn vaste gewoonten het onbeheersbare, en daarom beangstigende toeval uit zijn leven te bannen?”
Deze gedachten moeten Derk tot het volgende hebben gebracht: “Iemand kan op een punt in zijn leven besluiten om het leven dat hij leidt te splitsen. Hij kan besluiten een avontuurlijk en steeds veranderend leven te gaan leiden; een leven waarin gewoonten volgen uit den boze is. Ook een vaste relatie aangaan gaat dan te ver; dat remt zijn bewegelijkheid te veel. Maar daarnaast kan hij reden hebben om ook in zijn oude leven, zijn leven vol gewoonten, te blijven voortgaan. In dit leven is wel plaats voor een stabiele relatie. Het wordt dan een dubbelleven.”
Luna vertelde Dolf en de andere vrienden van haar vader natuurlijk over hoe zij Derk had meegemaakt. Dat verbaasde deze vrienden dan in eerste instantie weer erg. Haar vader had hen nooit verteld dat hij ook nog een erg gestructureerd leven leidde. De vrienden waren er altijd van uitgegaan dat Derk een geboren vrijbuiter was; dat de man altijd onderweg was, en dat hij nooit rust in zijn donder had gekend.
Luna vertelde hen ook dat haar vader in één ding nooit saai was geweest. Toen zij nog jong was, vertelde hij haar allerlei mooie verhalen van een zekere Marco. Zij dacht dat hij deze had verzonnen of dat de teksten uit boeken kwamen, maar ze realiseerde zich nu dat hij dit zelf allemaal had meegemaakt. De vrienden moesten hier wel om lachen. Zij bevestigden dat het persoonlijke ervaringen van Derk waren geweest.
Maar Luna kwam na enige tijd nog één bijzonderheid over haar vader te weten. Iets wat haar zeer emotioneerde. Dolf wist haar namelijk te vertellen dat Derk lang geleden had ontdekt dat hij een niet overerfbare lichamelijke aandoening had, waardoor hij niet oud zou worden. Dolf vermoedde altijd dat Derk daarom een avontuurlijk leven wilde leiden. Zolang dat nog kon. Een leven waarin hij vooral op ontdekkingstocht naar zichzelf was, en waarin hij ook de confrontatie met het onbekende wilde aangaan. Maar nu Dolf uit de mond van Luna hoorde dat Derk nog een ander leven had geleid, vermoedde hij dat zijn vriend daarnaast een stabiel gezinsleven wilde leiden, omdat zijn dochter daar de meeste behoefte aan zou hebben.
Luna was natuurlijk erg verbaasd dat haar vader haar nooit over dit medische probleem had verteld. Hij moest dit al hebben geweten voordat hij met haar moeder was getrouwd.
Nadat zij alle informatie over haar vader een beetje op zich had laten inwerken, vroeg Luna zich opnieuw af waarom Derk tevens voor het saaie leven had gekozen. Had dit leven toch zijn charme voor hem gehad? Was dit een soort rustpunt voor hem geweest, waarvan hij ook kon genieten? Had haar vader ter afwisseling van zijn avontuurlijke leven zo nu en dan behoefte gehad aan een gestructureerd leven, waarin hij eens een tijdje van al zijn belevenissen kon bijkomen?
En Luna vroeg zich ook af waarom Derk niet naar haar open was geweest over zijn tweede leven. Was dit omdat hij dacht dat zij het hem kwalijk zou nemen dat hij zo vaak van huis was? Waarom had hij haar niet geleerd wat het leven allemaal te bieden heeft? Derk zou haar in ieder geval in vakanties mee hebben kunnen nemen, dan had ze meer van de wereld gezien. Moesten de verhalen van Marco hierin dan maar volstaan? Of was het zijn bedoeling dat Luna haar eigen pad moest vinden? En had hij zijn vrouw echt niet in dit alles gekend? Dat was iets dat Luna nog steeds niet begreep.
Het was de studente in ieder geval wel duidelijk dat haar vader in zijn leven zoveel mogelijk verschillende dingen wilde doen. Hij moet zich hebben gerealiseerd dat in de dood de twee werelden weer zouden samenkomen. Derk en Marco waren nu dood; ze waren weer één geworden. Maar bijna hadden zijn vrouw en dochter dat nooit geweten.
Na een aantal weken vonden moeder en dochter het tijd om het huis een beetje leeg te ruimen. Het bracht bij beiden opnieuw allerlei herinneringen naar boven over de man die zo’n belangrijke rol in hun leven had gespeeld. Maar de moeder van Luna persisteerde erin dat zij niet wist van het tweede leven van haar man. Misschien was ze daar wel wat naïef in geweest.
Er veranderde na de dood van haar vader en de ontmoeting met de vrienden uit zijn tweede leven wel het een en ander bij Luna. Via Marco en Dolf had zij uiteindelijk toch wel enige levenslessen van haar vader gekregen. Ze zou een tussenjaar van haar studie nemen, om te gaan reizen en te ontdekken wat ze van haar leven wilde maken. De erfenis van haar vader liet dat financieel toe. Verder vroeg de studente zich af of dit misschien het moment was om op haarzelf te gaan wonen.
Luna wist al wel dat ze vanaf nu niet te veel volgens vaste gewoonten zou willen leven; haar verdere leven zou nooit saai mogen zijn. En, als zij nog eens een vaste partner zou krijgen, zou deze een open boek voor haar moeten zijn. Er zouden niet later allerlei geheimen van hem naar boven mogen komen. Feiten die haar zouden doen concluderen dat ze haar partner nooit goed had gekend.
En, mocht Luna later een eigen kind baren, dan zou zij het bij het slapengaan mooie verhalen vertellen. Belevenissen van een avontuurlijke vrouw, een zekere Lara. Maar het kind zou in ieder geval de eigen weg in het leven moeten weten te vinden.
SAMENSTEL
Acht juni, strand in Spanje. Uit het blauwe water opgestaan, mijn mooie meermin. Ik hoorde haar die prachtige zeemansliederen zingen. Wij beminden elkaar en sliepen op het zand; werden een begeerlijk stel. Zonder wantrouwen stortte ik mij in haar leven; zij was onverzadigbaar en in het water niet te volgen; ongeëvenaard. Het scheelde maar een haar of ik had het leven erbij gelaten. Nee, ik ben geen Michael Phelps.
Zij was altijd bereid om te poseren; uitbundig en een beetje theatraal. Een waardevolle video van ons nog samen; het enige restant van mijn vakantie. Haar sierlijke bewegingen ingeblikt. Niet meer dan een samenstel van voor altijd voorspelbare, elkaar snel opeenvolgende, stilstaande beelden; in aantal gelijk de momenten die wij aan elkaar besteedden.
Achtentwintig augustus, de zomer loopt ten einde. Ik was gevallen voor haar verleidingen; zij bleek een manipulerende, maritieme Casanova. Ik vernam te laat de reputatie van deze nautische influencer. Want plotseling zwom zij van mij af. Met een gebroken hart, gespleten als haar lichaam, bleef ik achter. Sindsdien blijf ik het filmpje maar herhalen. Dit enige, repeterende stukje “leven” als herinnering aan mijn aanbiddelijke zeemeermin.
Een moederlijke blik, toch ogend als een onschuldig meisje. Ik zie haar inmiddels overal; alsof ze steeds opnieuw levend naast mij bestaat. Bij iedere vertoning wordt zij mooier, tederder, gaat zij eleganter zwaaien met haar staart.
Dubbelslachtig of verblijvend in een dubbelleven vertrok zij in een onbespied ogenblik. Zoals ook het filmpje steeds onverbiddelijk stopt. Maar had deze nu voor altijd onbereikbare, voor iedere man onweerstaanbare schoonheid haar aantrekkingskracht zorgvuldig geënsceneerd? Was mijn obsessie voor haar trefzeker gecreëerd? En zal het door mij steeds weerzien van haar ontwrichtende ogen ooit haar geheim blootleggen?
Was zij verveeld; toe aan een nieuwe liefde? Welke andere man zal zij vervolgens op onweerstaanbare wijze van haar gecharmeerd hebben gemaakt? Wie laat zij, voor een aandenken in de vorm van een collectie dode portretten, inmiddels enthousiast de camera naar zich richten? Laat het zo zijn dat deze man haar venijnige verleidingen zal kunnen trotseren!