12 Van Hellevoetsluis met de paquetboot de Dolphin Capt. Cockerell uitgevaaren s’namiddags ten 3 uur met eene goede wind en redelijk sterk: tegen den avond stil tot
13 namiddag 3 a 4 uuren een mooi koeltje en zeer voordeelig: s’nagts om streek van 11 uur kwam er een zeer swaare bui op, dog die gelukkig door de wind van ons wierd afgedreeven, zijnde dezelve extra sterk in ‘t N.W. neergevallen en hebbende ook nog, zo als uit de couranten bleek, veel schade veroorsaakt. s’Nagts ten 3 uur kwamen wij op de rede van Harwich, waarvan wij, na alvorens door den tollenaar gevisiteerd te zijn, met een bootje aan land wierden gebragt.
14 Wij namen onzen intrek in de three kups een excellente Herberg: ten 6 uur gingen wij na the Customhouse om onze koffers te laaten visiteeren, het welk vrij strict geschiedde. Harwich is een kleijn stadje, en niet zeer fraai, dog er is een zeer fraai zeegezigt, en langs de nabijgeleegene kusten vertoonen zig verscheijde heuvels, welke in Engeland zeer gemeen zijn, wonderbaarlijk schoon. Ten 3 uur vertrokken wij met een postkoets en postchaise na Colchester alwaar wij s’nagts bleeven. Het voornaamste dorp, welk wij passeerden is Manningtree, dat vrij groot en niet onvermaakelijk schijnt te zijn. Colchester is een tamelijk groote stad, en waar veele fatzoenlijke menschen woonen. Het was te laat om er veel van te zien. Drie kerken zijn wij gepasseerd, die een vrij goed voorkomen hadden. Wij logeerden in the Kings head in Headstreet.
15 Ten 8 uur reeden wij van Colchester door Witham een kleijn stadje, waar wij koffy dronken, en door Chelmsford een grooter stad, dog waar wij ons niet ophielden, na Ingatestone, insgelijks een stad, dog van weijnig aanbelang. Hier aten wij in de red Lion, en reeden vervolgens door Rumford en Stratford na London. Alwaar wij ten 5 uur arriveerden, dog een groot gedeelte van de stad moetende doorrijden eerst over 6 uur in ons logement in Pall Mall aankwamen. Stratford is een zeer fraaje en ruime plaats. Hier van daan tot de stad toe is een zeer breede weg aan beijde kanten met schoone huizen en buitenplaatsen.
16 Niets particuliers. T’huis gebleeven tot na den middag. Met den Hr. G. eene kleijne wandeling door sommige straaten van Westmunster gedaan. S’avonds t’huis.
17 Voorm. gewandelt in St. James Park – Met den Hr. G.[1] na de Heeren Mainwaring en Russel in de Crescent Minories geweest om geld te haalen. Bij die geleegenheid in een koffyhuis over de beurs geweest – Na ‘t eeten gewandelt na de brug van Westmunster. In passant de st. Peters Church in de Westminster Abby, alwaar de dienst verrigt wierd, ter loops bezien. S’avonds t’huis.
18 Voorm. met den Hr G. na St. James Coffyhuis geweest – Namiddag met MijnHr. en Mevr. hier en daar enige winkels bezogt. S’avonds in de Opera geweest in Hay-Market, alwaar men voor ‘t laast speelde, en Love in a Village vertoonde. Dit beviel mij redelijk wel, en het zingen kwam mij vrij goed voor. Maar grootelijks hinderde mij het vervaarlijk geweld, dat ‘t gemeene volk boven op de gallerijen maakt, en het geschreeuw dat hun handgeklap (het welk buiten dat sterk en menigvuldig genoeg is) meest altijd accompagneerde. Het gebouw is zeer eenvoudig en netjes. Na gissing zo groot als de Fransche comedie in Den Haag, dog de plaatsen zijn hier mijn bedunken beeter geschikt. Drie doorgaanden loges loopen boven malkander rondom het amphitheater. In ‘t midden is de bak meede in de rondte om met opgaande banken. De last van het volk, dat continueel met stukken appels etc. van boven neer in de bak smeet was vrij groot, waarom ik ook bij het eijndigen van ‘t eerste stuk er uitging met vaste intentie om voortaan liever in de logies, waarin ook meer fatzoenlijke menschen zitten, mijn plaats te neemen. Tusschen een van de bedrijven kwam er een Acteur op ‘t toneel, die niet tot ‘t stuk behoorde, en vertoonde zijn kunst in ‘t maaken van allerhande stemmen en geluiden zo wel als acties. Deeze wierd extraordinair geapplaudisseert; Een comicq airtje het welk hij op een zeer vreemde manier gezongen had deed men hem repeteeren. Vervolgens al agter de schermen zijnde noodzaakte men hem om terug te komen en ‘t nog eens te doen. En het geraas wierd voor de vierde reijs nog al sterker om hem weer te hebben, zo lang tot dat een van de andere acteurs kwam belooven dat alles in ‘t tweede stuk zou gerepeteerd worden – Ondertusschen weet ik tot nog toe niet waar eijgentlijk het fraaje en aardige van zijn kunst in bestaat, en kan er dus tot nog toe niet over oordeelen.
19 Voorm. t’huis tot 12 uur – Visite gedaan aan de Heeren Salgas[2] en Maty[3]. Geen van beijde t’huis gevonden – In St. James koffyhuis geweest—In mijn kamer wat geleezen – S’middags met de oom en tante van den Hr. G. gegeeten – S’avonds met mijn Hr. en Mevr. G. door eenige voornaame straaten gewandelt.
20 Te 9 uur na de capel van St. James, het welk een kleijn, dog extra net kerkje is. De dienst wierd er in ‘t Hollansch waargenomen op de Engelsche Episcopaale manier met de gewoone liturgien etc. Daar waaren geen meer menschen in de kerk, dan de Predikant, [In Margine: ter kinderen] de koster, 2 burger mannen en ik. De preek was miserabel slegt en verveelde mij bijster, schoon ‘t niet kwalijk te neemen is aan een Predikant die zo weijnig geencourageerd word. Deeze was daarenboven bijna stokoud, en zeer zwak – Ten 11 uur wandelde ik na de Savoy meenende weer een Hollandsche preek te zullen hooren, dog ik was bedroogen en de dienst wierd er in ‘t Engelsch verrigt. Ondertusschen moest ik er blijven, dewijl ik onder het zingen ingekomen zijnde en dus de taal niet kunnende onderscheijden, plaats in een bank genomen had. Dit is een kleijn kerkje in ‘t geheel niet fraai en waar mij niet bijzonders voorkwam. Van de preek verstond ik te weijnig om er over te kunnen oordeelen. Een psalm, welke even, voor de Predikant op stoel kwam en terwijl hij van gewaad veranderde, in een chorus gezongen wierd, frappeerde mij zeer, en was extraordinair fraai. Men collecteerde hier niet voor de armen (dit geschied, na ik hoor, in de Engelsche kerken niet dan bij zeekere gelegenheeden) maar aan de deur stond een heer met een tinne schootel die bij ‘t uitgaan van de kerk niet deed als roepen: Pray remember the building of the Church. Ik heb evenwel niemand gezien die wat gaf. – Na de preek wat omgewandelt en na St. James Park gegaan alwaar honderden van menschen voornamentlijk ook fatzoenlijke lieden sondags gewoon zijn te wandelen. Na ‘t eeten met de familie van den Hr. G. uit rijden geweest, onder anderen na Chelsea, alwaar het vermaarde Chelsea Hospital is, voor 600 Invalides. Dit is een allerheerlijkst gebouw en extra ruim en lugtig. Dog de tijd was te kort om er veel van te zien. – S’avonds met Mr. en Mrs. G. op straat gewandelt, alwaar men moeite had om door ‘t gedrang te komen. Wij gingen na de Adelphi houses zijnde eene geheele reij nieuwe huizen allerheerlijkst en pragtigst gebouwd aan de Theems, hebbende hun uitzigt langs de linkerzijde op Blackfriars bridge, regts af op de Westminster bridge, en regt uit over de stad op de nabij geleegen landstreeken hetwelk door de menigvuldige heuvels een der schoonste gezigten uitmaakt die men zig verbeelden kan. Twee heeren hebben ‘t bouwen van die huizen ondernomen om ze te verhuuren dog zij hebben ‘t niet kunnen goedmaaken, en hunne gebouwen zullen in ‘t begin van october verkogt worden.
21 Ten 9 uur na den Hr. Maty, door wiens zoon ik allervriendelijkst wierd gerecipieerd; den ouden Hr. kon ik niet dan heen en weer spreeken, dewijl zijn E. belet was. Tegen den volgenden morgen weer bescheijden . Van daar langs verscheijde straaten en wegen na den Hr. de la Chaumette[4] die mij ook bij uitstek vriendelijk en gulhartig ontfong. Vervolgens weer genoegzaam geheel London doorgekruist en alle de openstaande gebouwen, welke ik passeerde, ter loops bezien. De Tower omgewandelt, op London en Blackfriars bridge geweest etc. Tusschen beijde in 2 koffyhuisen wat gerust. Een over de beurs, ‘t ander in de Adelphi. Ten half 3 t’huis. Na ‘t eeten in zommige boekwinkels geweest. S’avonds brieven geschreeven.
22 Bij den Hr. Maty gedejeuneert, die mij bij uitstek vriendelijk en gulhartig ontfong en alle dienst die hij mij bewijzen kon, toezegde – met mijnHr. en Mevr. G. hier en daar eenige huisen bezien.—In ‘t paleijs van St. James geweest alwaar ‘t wegens de verjaaring van s’konings komst tot den throon zeer vol en extra brilliant was. Tot boven toe gekomen bij de Antichambre alwaar alle de Heeren en Dames die hun compliment gingen maaken passeeren moesten. Publieke vreugde bedrijven worden er van belang niet gevierd. Het uitsteeken van de vlag uit de parochie kerk St. Martens, het afsteeken van ‘t Canon in ‘t park en van de Tower, het luiden van zommige klokken en misschien eenige weijnige illuminaties dit is alles. – In St. James Coffyhuis geweest – Na ‘t eeten en den geheelen avond brieven geschreeven en verzonden na mijn C. en mijn vader.
23. Ten 9 uur met de stage coach na Kew gereeden, alwaar ik teegen 11 uur aankwam. Lang moeten wagten eer ik den Hr. Salgas spreeken kon die niet voor 1 uur t’huis kwam. Zijn E. ontfong mij extra vriendelijk. Van Kew heb ik wegens het slegte weer weijnig kunnen zien. Het paleijs van de Koning maakt niet veel parade dog de tuin is bij uitstek groot. Tegen over het paleijs is dat van de Prins van Wales alwaar de Hr. Salgas meede logeerde. Dit is ook niet zeer groot en heeft meede maar een tamelijk voorkomen. Onderweg passeert men door Kensington dat een groote plaats schijnt te zijn, en alwaar ook een van des konings lusthuizen is. Dog zeer schielijk daar door gereeden hebbende kan ik over het een nog ‘t ander genoeg oordeelen. – Te 2 uur weer na huis gereeden ook met een stage coach dog waarvan de koetzier mij 2 shillings te veel heeft afgenomen, gelijk die van s’morgens een sixpence, zijnde ik naderhand geinformeert dat men niet meer dan 3 shilling geeft. – Na ‘t eeten bij Harris geweest. 2 deelen van Macpherson[16] gekogt met de weken van Hyde[17]. Nog hier en daar wat in boekwinkels gezien – Bij Mrs. Childley met Mr. en Mrs. G. teegedronken. – S’avonds t’huis.
24. Tot 12 t’huis geweest –Na Batsons koffyhuis gegaan om de Hollandsche couranten te leezen. Eene visite aan ‘t huis van de Heeren Stapel Coxe en Meilan in Budge Row gedaan om het adres te overhandigen ‘t welk ik van den Hr. Kloos v. Amstel van hun had. De Hr.Stapel was niet t’huis, dog ik wierd van een Heer ontfangen die ook tot dat huis scheen te behooren. De man was zeer beleeft. Dog na den uiterlijken schijn geloof ik dat ‘t meest complimenten waren. Dit zal de tijd leeren. – Van daar nog na 3 koffyhuisen geweest zijnde met mijn tijd wat verleegen dewijl ik in de city dagt te eeten en ‘t te laat was om meer visites te doen. In Toms koffyhuis rencontreerde ik den Hr. la Chaumette die mij tegen den volgenden donderdag ten eeten vroeg. – In St. Michaels Court niet ver van de beurs gegeeten in Vultures Tavern alwaar het zeer goed was. Men kiest in zo een eatingshop van ’t geen men ziet, dat wat men lust. Hierop word en in een aparte kamer gebragt en krijgt ‘t geen men besteld heeft.—Na ‘t eeten t’huis teegedronken. Onderweg ontmoette ik toevalig den Hr. Cunaeus die s’avonds te vooren van zijn reijs door ‘t land in de stad gekomen was. Eenige straaten met hem omgewandelt – S’avonds met den Hr. G. in Drury Lane geweest. In zommige opzigten voldeed ‘t mij hier beeter dan in de Haymarket. Ik had hier beeter en fatsoenlijker plaats en buiten dat was ‘t gedruis van ‘t volk ook zo sterk niet. Dat gebouw is in dezelve smaak als dat op de Haymarket dog grooter en veel brillianter, zijnde al de logies behangen en van buiten met veel ornamenten van verguldzel etc. voorzien. Daarenboven pareeren 12 lusters of kroonen van cristal op ieder van welke 5 waschkaarsen geplaast zijn hier ook zeer wel. De Koning heeft in deeze comedie een loge dog daar niets bijzonders aan is. Men vertoonde een Opera The Beggar die zeer verdrietig was en boven eenige weijnige mooje aria’s niets van belang behelsde. [In Margine: Het contrarie hier van heeft mij de Hr. Maty naderhand gezegd en ‘t word voor een der beste stukken gehouden wat betreft de sterke en geestige satyres, die er in gevonden worden. N.B. Maty is de eenigste die ik dus heb hooren spreeken, alle andere die ik gesprooken heb houden ‘t voor een zeer gemeen stuk.] Omdat ‘t te laat wierd gingen wij wederom voort, na dat ‘t eerste stuk uit was, na huis.
25. Ten 10 uur uitgegaan na Sams koffyhuis in Thamesstreet om te hooren of de sloep al aan was. Bij die geleegenheid wees men mij om met een van de capteijne te spreeken na de zogenaamde long room in the custom house. Dit is een zeer groote lange kamer, zijnde geloof ik een zoort van een beurs voor alle schippers, capiteijne etc. – Van daar weer na huis gaande en de Guild-hall passeerende ging ik er met een in. Eerst kwam ik in een groote voorzaal rondom met portraiten, na ‘t mij toescheen, van vorige koningen versierd. Aan de linkerhand van den ingang is een fraay monument opgerigt ter eere van den Lord Mayor Bekford[18] uit hoofde van eene aanspraak in ‘t jaar 1770 aan den Koning gedaan. Zijn beeltenis is in marmer zeer fraai uitgehouwen met de geheele aanspraak in gouden letters er onder. Eenige trappen opgaande kwam ik in een kamer rondom met banken etc. voorzien, zijnde alles overal op de tafels in de vensterbanken en op de balies met groente bestrooit. Hier uit besloot ik dat er wel ‘t een of ander te doen zou zijn gelijk dan ook bij de uitkomst bleef, want pas was ik de guild-hall uitgegaan of de Lord Mayor kwam in zijne groote statiekoets met 6 paarden bespannen aanrijden bij zig hebbende eenen geestelijken en een Alderman. Aan de zijden van de koets gingen eenige bedienden met zeer pontijficaale kleeren en lange stokken. Voor uit ging de Sword bearer zijnde dit een zeer groot swaard in de scheede zeer fraai vercierd. Ik volgde den trein met zeer veel fiducie agterna, en kwam in een kamer waar de Lord Mayor was ingegaan en waar verscheijde Aldermen door malkander liepen en praatten. Onder dezelve kende ik den berugten Wilkes[19] op ‘t oogenblik uit zijn portrait. Hier geschiedde niets dog ik had de tijd om den Lord Mayor tegenwoordig William Nash op mijn gemak te bezien. Zelden heb ik iemand gezien die beeter pareerde en deftiger houding had. Zijn gewaad was gelijk dat van de andere Aldermen een paarsse mantel of toga met een zoort van een bonte rand. Alleen scheen hij mij daar in onderscheiden, dat hij een vergulde of misschien goude ketting onder die mantel om’t lijf geslingert had. Het agterste van de toga wierd door een der bedienden opgehouden. Toen zij in de kamer wat geweest waren wierd er door den Serjeant een teeken gegeeven en de Lord Mayor, de Aldermen en eene menigte andere menschen na gedagten gecommitteerde uit de gildens gingen na die kamer die ik ‘t eerst gezien had. Dog toen wierden de deuren geslooten, en ik ging heen – Van daar na huis gegaan en een brief aan Colonius geschreeven – Met Mr. en Mrs. G. een boodschap of 2 gedaan. – Na ‘t eeten met den Mr. G. gewandelt door Westmunster – S’avonds t’huis.
26. Ten 8 uur na den Hr. Maty gaan dejeuneeren. Van daar met den jongen Hr. na Mr. v. Swinden die mij ook zeer vriendelijk ontfong en teegen den volgenden woensdag ten eeten vroeg. – Na St. James Coffyhuis – Door St. James Park, Green Park en eenige straaten wat gewandelt. – Ten 1 uur na huis. – S’avonds met Mr. en Mrs. Goodricke bij Mr. Cowden geweest, alwaar men kadrielje speelde, en ik mij derhalven zeer ennuieerde.
27. Ten half elf uitgegaan; eerst na de Abby van Westminster alwaar de dienst door een Bisschop of door een Dean (dat weet ik niet) verrigt wierd. Hij had gelijk andere geestelijken, een wat choor kleed aan dog van agteren met roode slippen in plaats van swarte. Ook preekte hij er in, ‘t geen de andere niet doen. Voor hem ging altijd iemand met een staf welke van boven zilver was, en die veel gelijkenis op onze Academiescepters had. In plaats van een hoed had hij een 4 of 6 kantig calotje. – De muziek in de kerk was zeer mooij, en wierd geexecuteerd door de praebendarissen van die Abby bestaande uit verscheijde geestelijken, die aan weerskanten van de kerk in order zaten, en eene geheele partij opgeschoote jongens aan de voeten van die andere zittende, ook alle met effe witte choor kleederen aan dog ik weet nog te weijnig van al die dingen om er veel van te kunnen zeggen – Ten half 12 na Kensington gewandelt, dat een redelijk fraai en groot dorp of liever stad is, dog voornamenlijk is deeze plaats beroemd om het lusthuis, welk de koning hier heeft. Deeze tuinen zijn zondags geduurende de somermaanden voor elk open. Ik ging er dan ook in dog had wel bijna anderhalf uur werk, eer ik het voornaamste doorwandelt had. Zeer veel menschen alle farzoenlijke lieden diverteerden zig hier met wandelen, en dit was deezen dag nog zo veel te meer zo om het wonderbaarlijk aangenaam weer, als om dat het de laatste gepermitteerde dag was. Het paleijs van den Koning is hier zeer grooter en fraajer dan een van die andere die ik gezien heb – Van daar ging ik verder op door Hammersmith een groot en mooij dorp, alwaar ik wat at, en Kew na Richmond dat een extraordinaire fraaje plaats is. Mij wierd ook gezegd dat ‘t voor een der mooijste dorpen gehouden wierd. Men heeft er schoone huizen waar van de meeste bij malkander staan op een extra groot plein of square, aan welkers een hoek ook de ingang is tot die vermaarde konings tuin om welke te zien ik expres hier na toe was gegaan. Het was net als te Kensington vandaag de laatste dag. Hier overtrof alles de grootste verwagting die ik er ooit van kon hebben. En nooit heb ik iets van die natuur gezien waarover ik meer verrukt was, zijnde hier alles zuiver natuurlijk, of liever de natuur door de kunst zodanig geconserveerd en verbeeterd, dat men ieder oogenblik door de aangenaamste verandering dan van water, dan van heuveltjes, dan van bouw of wegland gesurpreneerd word. Het paleijs lag geheel onder de voet. Of er een nieuw zal gebouwd worden, weet ik niet. – Uit de tuin komende ging ik in de Herberg koffy drinken en wandelde vervolgens weer na Kew, alwaar ik plaats in een koets nam. Dog die koetsier zo veel menschen in en op zijn koets pakkende dat de magere peerden ieder oogenblik stil stonden en de vragt niet konden voorttrekken, sprong ik er te Hammersmith uit en schoon ‘t reeds volkomen donker was ging ik ‘t overige van den weg zijnde, omtrent 5 mijlen, te voet. De weg was vol met menschen tot de stad toe. Ten half 9 t’huis.
28. Tot 12 uuren t’huis. Toen na ‘t koffyhuis in Parliament street om de couranten te leezen. Te 1 uur weer na huis. Na ‘t eeten na Harris om de rekening te betaalen. S’avonds t’huis. Een brief geschreeven aan Mevr. B. – Met Mr. en Mrs. G. kadrielje gespeelt.
29. Tot 12 uuren t’huis – Eerst na de Savoy en Somersetshouse om den Hr.Woide[20] te zoeken. Al die gebouwen welke zeer oud zijn en niets minder als fraaij door en doorgekruist, zelfs tot boven en de gooten alwaar ook nog menschen woonden, gezogt dog alles te vergeefs. De tuin van Somersets house is extra mooij en ligt bijzonder aangenaam aan de Theems. Na een groot half uur aldaar doorgebragt te hebben keerde ik onverrigter zaake weer weg en ging den Hr. Cunaeus eene visite geeven, wien ik niet t’huis vond, dog door zijn knegt gewaarwordende dat hij in Toms koffyhuis was ging ik hem daar spreeken. Van daar na huis gaande en Guild hall passeerende, zag ik net op dien tijd den Lord Mayor in zijne staatsiekoets daar van daan rijden. Deezen dag zijnde St. Michael is men met het opneemen der stemmen tot de verkiezing van eenen nieuwen Lord Mayor begonnen. Bij die gelegenheid was de geheele straat zo vol dat er bijna geen doorkomen aan was, zo dat ‘t mij verveelde om er door te dringen en ik maar schielijk na huis ging – Na ‘t eeten bij Leacroft[21] zommige boeken gezien. Van daar wat in St. James Park gaan zitten. T’huis komende alleraangenaamst door een brief van mijn C. verrast. S’avonds t’huis gebleeven en een brief geschreeven aan Arnoldi[22]. [Tussen regels: Die dag een kaartje van v. Swinden gehad.]
30. Tot 11 uuren t’huis – Met Mr. en Mrs. Goodricke na de Minories gereeden om eene visite bij Mrs. Mainwaring te doen. Dog zij was niet t’huis en wij reeden direct weerom. – Na ‘t koffyhuis in Parliamentstreet geweest om de couranten te leezen – Van daar eene visite bij den Hr. Jones afgelegd die zeer vriendelijk was en mij verscheide mss liet zien te gelijk met zijn bibliotheek, die evenwel niet groot is. Hij is nog zeer jong niet boven 26 of 28 jaar oud, na gissing, mogelijk nog wel jonger. Hij blijft van de winter hier dewijl hij zig voornamentlijk tot de regten bepaald heeft – Van daar ten 2 uur na den Hr. v. Swinden gereeden alwaar ik at met de Heeren de la Chaumette, de la Saussaye, en Bouillier. Ten half 6 van daar na Richardson in Fleetstreet, en Elmsly[23] om de werken van Jones te koopen. Te half 7 t’huis. Den avond gepasseerd bij Mr. en Mrs. G. die hun Oom en Tante bij zig te souperen hadden. Men speelde er kadrielje. – Die dag een kaartje van Cunaeus en van Effen.
[1] Goodricke
[2] Salgas
[3] Matthew Maty (1718 – 1776) arts, schrijver en hoofdbibliothecaris van het British Museum. Studeerde van 1732 tot 1740 in Leiden
[4] de la Chaumette
[5] Johannes Hendrik Verschuir, van 1764 tot 1797 hoogleraar in de Oosterse Talen te Franeker, † 1803.
[6] The British Museum
[7] Charles Morton (1716 – 1799) conservator handschriften en onderbibliothecaris van het British Museum. Werd in 1776 hoofdbibliothecaris. Studeerde van 1736 tot 1748 medicijnen in Leiden.
[8] Tromp
[9] Colonius
[10] Commentaar op Job
[11] Herbelot
[12] Golius
[13] Meninsky, Thesaurus [van oosterse talen], Wenen 1680.
[14] [Sir] William Jones (1746 – 1794) oriëntalist en jurist. In 1764 werd hij ingeschreven bij University College, Oxford, waar hij de Oosterse literatuur bestudeerde en Perzisch, Arabisch, Hebreeuws, Chinees en verschillende Europese talen leerde. Hij publiceerde een Franse vertaling van een perzische biografie van Nadir Shah in 1770 op verzoek van de Deense koning (Christian VII) en vele andere werken op het gebied van de Oosterse talen. Hij schreef ook een Perzische Grammatica, die Schultens later gebruikt om zelf Perzisch mee te leren, zie de brief van 31 oktober. Ook publiceerde hij een geschiedenis van de Perzische Taal, zie dagboek, 27 december
[15] Le Mair
[16] Waarschijnlijk James Macpherson (1736 – 1796), vertaler van de Ossianische gedichten.
[17] Thomas Hyde (1636 – 1703) orientalist, geboren. Werd door zijn vader opgeleid in de Oosterse Talen, ging op zijn zestiende naar Kings College, Cambridge, waar hij een leerling werd van Wheelock, de professor oriëntalistiek. Was van 1691 tot zijn dood in 1703 Laudian professor in Oxford. Dit hoogleraarschap was ingesteld door aartsbisschop Laud in 1640 en hield in dat de houder van het professoraat elke woensdag in de vakantie één uur moest doceren en verder fungeerde deze als conservator van de arabische manuscripten van Laud.
[18] William Beckford (1709 – 1770) Wethouder en tweemaal burgemeester van Londen. Op 4 Maart 1770 ging hij naar de Koning om daar in sterke bewoordingen zijn beklag te doen over fraude bij de verkiezingen in Middlesex. De tekst van de dappere redevoering die hij hield is te lezen in gouden letters op de sokkel van het beeld dat te zijner ere werd opgericht in de Guild-hall.
[19] Wilkes
[20] Charles Godfrey Woide (1725 – 1790), oriëntalist, geboren in Kopenhagen, opgeleid in Frankfurt a/d Oder en in Leiden. Predikant van de German Chapel Royal, St. James’s Palace, London in 1770, later van de reformed protestant church in Savoy, Londen (1778) en in 1782 assistent-bibliothecaris van het British Museum. Redigeerde het Griekse Nieuwe Testament van de Alexandrijnse Codex in het British Museum.
[21] Boekhandel in Londen
[22] A.J. Arnoldi, evenals H.A. Schultens in Herborn geboren in 1750 en eveneens een kleinzoon van Albert Schultens (van moederszijde). Arnoldi studeerde van 1769 tot 1772 in Groningen en daarna in Leiden onder J.J. Schultens
[23] Beide boekhandels in Londen.