Wadh. Coll., 30 mei 1773
Hartelijk Geliefde Vader!
Ik moest voorl[aatsten] week te schielijk van London weer hier na toekomen, dan dat ik genoegzaamen tijd had ue te melden, dat de propositie in de convocation van de Doctors en Masters door den Vice Chancellor gedaan[1], om mij met een degree van Master of Arts bij diploma te honoreeren wel gereusseert is. De singulariteyt van 't geval veroorsaakte eene allersterkste oppositie, voornamentlijk onder het jongere gedeelte der Masters, die doorgaans de Doctoren en Heads of the Colleges dwarsboomen. Men ijverde er zelfs met gedrukte handbills[2], die daags te vooren rondgezonden wierden, sterk teegen; dog even dit zette de andere partij des te sterker aan om 't door te krijgen. Digt bij de 200 leden waren er tegenwoordig. De meerderheid bestond in 35 stemmen. Het geeft mij geen kleyn genoegen, dat niet alleen al de Heads of Colleges, al de Doctoren en verscheide Masters zig zeer sterk voor mij geinte resseert hebben, maar dat zelfs de andere partij altijd ver klaart heeft en nog verklaart niets personeels tegen mij teh hebben, maar 't alleen tragten te beletten, deels om dat ik te jong was voor de grootste eer, die de Universiteyt ooit iemand aandoet, deels om de gevolgen, wijl zij vreesden, dat meer vreemdelingen zouden komen, welke men dan ook beswaarlijk zou kunnen refuseeren. De eer is zeekerlijk bijzonder groot. Ik ben niet aleen de allereerste vreemdeling (except koningen en diergelijke groote potentaaten) die 't verkrijgt, maar zelfs aan inboorlingen is 't doorgaans geweygert, zo zij zig niet op eene bijzondere manier gedistingueert hebben. Ses hebben 't ekreegen in 23 jaar, waar van Johnson de aucteur van 't Dicti onary, Warton de uitgever van Vergilius, en Bp. Lowth de laatste zijn. Mijn diploma is zeer honorabel; en mijn Grootva der en Vader worden er met veel achting in gemeld. Ik ben nu hier om alle mijne vrienden te bedanken. Aan Dr. Hunt, den Bp. of Oxford, Dr. Kennicott, den Vice Chancellor, de Warden van ons college, en Mr. White ben ik 't meeste verschuldigt. Dr. Hunt is met de dedicatie zo zeer in zijn schik, dat hij mij een fraay present van Bp. Hooper's works[3] door hem uitgegeven, allerheerlijkst gebonden in de plaats heeft gegeeven, met eene bijzondere gratieuse inscriptie voor in er bij gevoegd. Ik heb met de sloep die den 5 Meij van Londen gegaan is eenige exem plaaren van Meidani's specimen verzonden. Twaalf exemplaaren heb ik in London verkogt of liever geruilt teegen een paar boeken waar van de Comment. in Jobum een is. Dit komt op 16 gulden het welk ik denk dat voor Tromp of iemand anders mijner Leydsche vrienden nog al een koopje zijn zal. Aanstaanden Zaturdag denk ik van hier te vertrekken; hoe lang ik mij te London zal ophouden weet ik nog niet. Waarschijnlijk niet boven 5 of 6 dagen. En dus hoop ik binnen 3 weeken in Leyden te zijn. Bij 't onfangen van deezen brief veronderstel ik dat ue reeds den Hr. Bruns gezien zult hebben. Kennicott heeft hem ten minsten reeds voorl[aatsten] postdag geschreeven om direct na Leyden te gaan. Er zijn tegenwoordig 229 inteekenaars bekent, die van buitenslands zijn nog niet ingekomen op eenige weynige na, waaronder de koning van Frankrijk, van Deenemareken, de Prins van Oranje, Griffier Fagel, A[rch]b[isho]p. of Paris &c. Kennicott is bijster in zijn noppen met zo een aanzienlij ke lijst. Aan 300 heeft hij ruim genoeg tot het betaalen der onkosten. Al de rest is klaar winst in zijn zak. Zijne vijan den neemen deeze geleegenheid te baat om wakker op hem te smeelen. Onlangs heb ik eenen zeer complaisanten brief van Dr. Robertson weerom ontvangen. Ik wist niet dat hij ooit in Leyden was geweest. Hij spreekt zeer hartelijk over ue vrien delijke receptie. Voor ik uit Engeland gaa zal ik hem weer schrijven. hij was zo vriendelijk als dit te begeeren. Uri heeft de Bostan tog onder de handen genomen. Hij vertaald 't in 't Latijn. En zal een Engelsche vertaaling apart zien uittegeeven. Het is tans een object van zeer serieuse conside ratie bij de delegates of the University press om eene nieuwe editie van Golius te geeven. Twee vergaderingen zijn er deee zen week over gehouden en de kosten overreekent. Deeze zijn begroot op 900 a 1000 pond. Ongetwijfelt is de kas rijk genoeg om veel meer dan dit te contribueeren. Dog buiten Dr. Hunt is er niemand, die geern zo veel voor Arabisch zou willen uitge ven. Ik denk, het plan zal wel in duigen vallen. In Londen heb ik voorl[aatsten] week toevallig een schoon koopje gedaan aan een heerlijk exemplaar van de Geographia Nubiensis hetwelk op een catalogus voor half a guinea te koop stond. Dat is het eerste en eenigste Oostersch boek, dat ik goedkoop in England gezien heb. Om niet leeg te zitten besteede ik mijn tijd hier met het afschrijven van sommige poëmata &c. uit Navagius Halbbat al-Kumayt.[4] Dit is een tame lijk dik quarto gepropt vol met aller hande histories en ver tellingen maar voornamentlijk fragmenten van versen tot lof van den wijn en de compotationes. Herbelot zegt 't een liber prohibitus te zijn. Het is niet interessant genoeg en ook te groot om geheel af te schrijven, dog ik pik zulke versen en histories eruit die mij onder 't leezen de aardigste voorko men. Abulola's [onleesbaar arabisch] zijn hier niet. En ook niets bijzon ders meer van Pocock. Uri's arbeid in 't maaken van een Cata logus is haast ten eynde. Hij heeft bij provisie weer wat te doen met 't in order brengen der mss van de Radcliffe Libra ry[5] waar in Fraser's collectie van Persi sche mss[6] is. Meer nieuws wil mij tans niet invallen. ue hebt de hartelijke groetenis van al de Engelsche vrienden. Ik ver soek de mijne aan Mama, Tante en verdere vrienden. Haast hoop ik 't genoegen te hebben mijnen lieven Vader in eygen persoon weer te mogen zien en de aanhoudende blijken te geeven van die hartelijke liefde en verschuldigden eerbied met welke ik altijd zijn zal
Hartelijk Geliefde Vader
ue Onderdaanige en Gehoorsaame Zoon
H.A. Schultens