Oxford 19 oct 1772
Hartelijk geliefde Vader!
Vandaag voor 8 dagen schreef ik aan Tromp hem meteen verzoekende mijne aankomst alhier aan ue te melden. Toen ter tijd nog maar een dag hier geweest zijnde wilde ik het schrijven aan ue liever nog wat uitstellen ten eynde wat omstandiger berigt omtrent de manier op welke ik 't hier vinde, en het genoegen dat ik in deeze plaats ondervinde te kunnen geeven. Saturdagavond kwam ik hier, bleef in de herberg logeeren tot maandag wanneer ik op recommandatie van de suster van Mr. Jones met wien ik te London kennis gemaakt had , die kamers huurde, welker adres ik ook nog in dien zelven brief heb bijgevoegd. Hierna adresseerde ik mij aan den regt Eerwaardigen en allezins estimabelen Dr. Hunt die mij ongemeen vriendelijk ontfong en mij tegen den volgenden dag ten eeten versogt in gezelschap van Mr. Channing welke tans bij hem logeerd en onzen Uri, die nog volkomen dezelve is als te Leyden. Ik kwam hier met 5 brieven aan geleerde mannen 1 aan Dr. Hunt van Dr. Morton 1 aan Mr Swinton Custos Archivare of the Bodleyan library van Dr. Maty 1 aan Mr. White Fellow Wadham College van Mr Woide en 2 aan Kennicot van Maty en Morton. Kennicott is nog niet hier en ligt aan de podagra[1] ergens in 't land. Dog bij de andere ging ik ook direct mijn compliment maaken en werd overal op de aangenaamste manier van de wereld ontfangen, en verder aan andere menschen welke mij van dienst konden zijn gerecommandeert. Raakende nu mijne oeconomie heb ik sedert mijn laatste aan Tromp ook eene aanmekelijke verandering ondergaan woonende tans in Wadham College en zullende waarschijnlijk in deeze week tot lid van de Universiteyt worden aangenoomen. Tot deeze geheel onverwagte verandering ben ik gekomen door eene conversatie welke ik Voorl[aatsten] Woensdag met Dr. Hunt op dit sujet had, en waarbij zijn E. mij verzeekerde oneindig meer agrement en genoegen hier aan de Universiteyt te zullen hebben indien ik meede een lid van dezelve was, vooral daar ik zekerlijk mijne meeste conversatie met lieden daar toe behoorende zou zoeken, en welke hij zeijde dat niet zo veel respect hadden voor eenen vreemdeling dan voor iemand welke in dat opzgt met hun egaal was. Dog lid van de Universiteyt te worden kon hier niet geschieden dan bij admissie in het een of ander College. Hierop expliceerde ik mij direct dat 't mij veel eer zou zijn in deeze beroemde Academie geimmatriculeerd te worden. Dat ik er ook niet tegen had in een college te gaan, dog dat ik mijn cursus Academica reeds volbragt hebbende en tans gedeeltelijk voor mijn plaisir reysende geen lust hij mij met een jong scholar gelijk te stellen. Maar wilde men mij geheel vrij en independent van alle subordinatie in 't college neemen dat ik dat met plaisir doen zou. Dit vond meer swaarigheeden dan ik vermoedde evenwel door sollicitatie van Dr. Hunt en Mr. Swinton is alles wel geslaagd en voorl. Vrijdag werd ik bij Mr. Wyndham Warden van dit college in den eed genoomen alleen voor deeze artikels, namentlijk geen kwaat van 't zelve te spreeken, deszelve rust niet te stooren, om niet tegen dezelfs fundamenteele constitutie te handelen. Vervolgens kreeg ik den naam van Gentleman Commoner[2] of Commensalis superioris ordinis in gevolge van welken rang ik aan de high table eet, met den Warden en de graduati welke hier 9 in getal zijn, Insgelijks heb ik de vrije ingang in de common room welke alleen voor den Warden, de graduati en de Fellows open is, als ook de permissie om, wanneer 't mij lust, in de tuinen te wandelen, waar toe ook niemand dan de bovengenoemde regt hebben. Daarenboven heb ik met geene wetten of reglementen het allerminste te doen, alleen heeft men mij versogt om alle ergernis om kwaad exempel te verijden ten minsten 2 maal per week in de prayers te komen, die in de capel van 't college 2 maal daags regulier gehouden worden en saturdag 's avonds en sondags mag ik er volstrekt niet uit blijven zonder permissie van den Warden. Dat noemt men surplus prayers en duuren langer dan op andere dagen. Daarbij mag ik niet uit mijn kamer komen zonder mijn Gentleman Commoners gewaad bestaande in eene toga met open mouwen, een fluweelen cap met een vierkante lap er boven op en en een open bef. Deeze toga is bij de petit maistres doorgaans geheel van zijde, dog ik heb de vrijheid gebruikt (het niet raadzaam vindende voor 3 maanden tijde 6 of 7 guinies ten minsten hier aan te besteeden) een te laten maaken zo als men hier dagelijks draagt en die niet boven 1½ guinea kost. Voor 't overige leef ik geheel independent en kan doen en laten wat mij lust. Ook komt mij alles beeter koop uit dan op kamers. Ik heb aan den Warden betaald 32 pond, waar van 20 pond voor cautie is en die ik bij mijn vertrek weerom krijg. Dus kosten mij de kamers, (eene extra groote met 3 raamen, een slaapkamertje, een studeerkamertje en een provisiekamertje) indien ik 12 weeken hier blijf, een pond in de week. Blijf ik langer, ik betaal niets meer, en wanneer ik ook weer in Oxford kome, ik vind altijd kamers weer zonder eer duit onkosten. Eene groote swaarigheid was er die mij haast van 't geheele plan had doen afzien namentlijk dat men de kamers ongemeubileerd krijgt. Dog gelukkig heb ik 't ook in dit opzigt getroffen door de vriendelijkheid van Mr. White die 2 kamers (waaraan altijd 3 apartementen gehegt zijn) hebbende, mij er eene van geheel gemeubileerd heeft overgelaaten, hebbende nu maar alleen een bed met deszelfs toebehooren moeten huuren voor 5 shillings het vierendeeljaars. Deeze beleeftheid van White is compleet Arabisch en zo hospitaal als eene prins mogelijk was. Hij is onder de jonge lieden die in in Engeland gerencontreert heb, behalven Mr. Jones de beeste Oosterling van allen. Voor 3 jaaren heeft hij reeds een geheel compleete index op den Alcoran gereed gehad, dog hoorende, dat Willmet[3] aan 't zelve werk arbeydde, heeft hij de uitgaave van 't zelve geheel gestaekt en is tans bezig met eene tot nog toe onuitgegeevene letterlijke Syrische versie van 't N.T. te laaten drukken. Om zijn gezelschap en dat van eenen Mr. Rigby meede een Fellow van dit College ook eenen Oosterling (dog die er bitter weinig van weet) bepaalde mij Dr. Hunt en Swinton to Wadham's college hetwel anders om uitwendige fraaiheid bij de meeste andere in geen comparatie komt. Zij waren beijde van gedagten dat men in een ander college beswaarlijk 2 oosterlingen te gelijk zou vinden. Omtrent 't eeten gaat 't hier zo toe. Ten half 3 kom ik van de library. Wanneer de knegt bij mij komt vraagen of ik verkies in de common hall te eeten dan in mijn eygen kamer; tegelijk noemt hij op alles wat er klaar gemaakt is waaruit men dan kiest 't geen men hebben wil. Iedere middag is er rund, kalf en schapenvleesch, met groentens, tegelijk met gevogelte wild &c. Dog blijft men bij 't vleesch dan is alles zo gereguleerd dat 't volstrekt niet mogelijk is boven 8 of op 't allerhoogst 10 stuivers, te gelijk met het drinken van excellente ale, te verteeren. 's Avonds gaa ik tegen 9 uur in de common room, en mijn stuiver brood en boter met mijn pinte ale voor 2 stuivers verteerd hebbende scheid 't gezelschap doorgaans tegen half elf. Ik mag ook op mijn kamer blijven indien ik wil en laaten 't eeten daar komen, dog de Scholars en de Commoners (Commensales inferioris ordinis) zijn verpligt in de hall hun soupé te komen neemen. Nu zal waarschijnlijk mijne formeele immatriculatie als lid van de universiteyt deeze week volgen bij welke geleegenheid ik een eed zal moeten doen dat ik hier in Engeland niemand voor Souverein erken dan George den 3den. Ook zullen de 39 artikels moeten onderschreeven worden. Dr. Hunt vreesde of ik hier omtrent eenige swaarigheid zou maaken dog ik verzeekerde hem van 't tegendeel, en dat ik dezelve deeze week geleezen had en er niets in gevonden hetwelk tegen de leer van onze Hollandsche kerk in welke ik belijdenis gedaan had, streed, en dat ik derhalven niet in goeden gemoede kon onderschrijven. Voorl[aatsten] Vrijdag kreeg ik mijne formeele admissie tot de library 't welk zeer statig in zijn werk ging. Ik wierd in een groote zaal geroepen alwaar de Vice-Chancellor op een verheevener plaats zat, aan ieder zijde van hem een Proctor en op de zij-banken eene geheele meenigte Doctors en Masters en Bachelors alle in hunnen plegtgewaaden. Een van de Proctors las mij den eed voor, welken ik vervolgens door 't aanraaken en kussen der Evangelien moest bevestigen. Hierna mijn naam in 't boek geschreven en 9 shillings betaald hebbende zond men mij weer heen en tans heb ik al mijn leeven regt tot 't gebruik van alles zo gedrukt als geschreven wat ik begeer. En hier kom ik aan aan een artikel waaromtrent ik ue tog vooral instantelijk verzoek mij zo schielijk als mogelijk is te antwoorden en mij met ue gedagten en raad bij te staan te weeten ik ben begonnen met het afschrijven van Pococks versie van de Meidani[4]. Hij heeft niet gelijk ik dagt den geheelen Meidani vertaalt met Scholia[5] en al. Na 't mij voorkomt evenwel is er een versie van alle de proverbia, op de meeste van welke hij nooten gemaakt heeft voornamentlijk getrokken uit de Scholia. Wat nu te doen? Het volumen is zo groot dat 't niet mogelijk is alles in een jaar, ik laat staan in 3 maanden te copieeren. Het best dunkt mij (en Dr. Hunt approbeerde dat ook) de vertaaling van den text geheel af te schrijven en uit de nooten alleen datgeene uit te zoeken het welk mij 't interessantste voorkwam inzonderheid wat de overige proverbii, een of andere historie, antiquiteyten &c betreft. Ik ben ten minsten op dien voet begonnen en zal dus voortvaaren zo lang tot ik ue gedachten op dit stuk weet. Eene centuria heb ik deezen week reeds afgeschreeven, waarin ik mij zeker wel geweerd heb, zijnde dit (hoewel ik nog niet geadmitteerd was) zo wat ter sluik en op naam van Uri geschied. Dog wat wil dit zeggen in proportie van 't geheel. Te meer daar de bibliotheek ten 3 uur geslooten wordt en 't voor geen mensch hij zij wie hij zij geoorloofd is een boek mee na huis te neemen. Ik verlang zeer te weeten of ue de manier op welke ik nu te werk gaa ook goedkeurt, en dan dunkt mij zie ik kans om 't klaar te krijgen. Als ik 't af heb, zou ' t dan niet goed zijn er het een of ander van te laten drukken en 't na Holland tot een specimen over te zenden. Ik kan dit altijd hier van daan zijnde te Londen doen. Als is't dan wel niet van mijn eygen werk, het is ten minsten een blijk dat ik hier niet leedig gezeeten heb en mijn meesten en besten tijd van den dag met copieeren doormoetende brengen is 't mij niet kwalijk te nemen dat ik zelfs niets van belang kan uitwerken. Jones wou mij met alle kragten geweld aan de Hamasa hebben dog ik heb hem beduid dat dit mijns bedunkens hier onnoodig was daar wij te Leyden zowel als hier er eene excellente copij van hadden. Hij brand van verlangen zo wel als White na de Haririus[6]. Dog over 't een en ander zal ik ue binnen 8 dagen nader schrijven. De tijd laat mijn niet toe tans eenen dubbelen brief te maaken schoon mij de stof lang niet ontbreekt. Adieus mijn lieve vader. Ik hoop dat deeze ue beneevens Mama, Tante en verdere vrienden en bekenden aan welken ik mijne hartelijke groetenis verzoek wel mag aantreffen. Ik was blij deze aangename tijding uit ue mond in Arnolds brief te verneemen. Ik beveele mij aan uwe voorbiddingen en Vaderlijke liefde en zal altijd zijn Uw Onderd. & Gehoorz. Zoon
H.A. Schultens.
Mr. White is zeer begeerig om de titel van 't boekje van Mr. Storr te weeten. Als ik mij niet bedrieg is 't over de een of andere Syrische versie.
Mijn adres is tans dus
To Mr. S- Gentleman Commoner of Wadham College Oxford
Voorl[aatsten] postdag na Groningen schrijvende, kon ik mijne verandering van logies nog niet melden, als alleen in zo ver dat het misschien op til was. Het is de moeite niet weerd tans om die reede weer te schrijfven. Wil u zo goed zijn en bezorgens als Tante Lij laat schrijven, dat dit dan meteen beneevens mijne complimenten gemeld worde, alsook vooral het adres
[1] podagra
[2] Een commoner was een undergraduate lid van een college die geen beurs kreeg en daarom zijn ‘commons’ (levensonderhoud) niet kreeg van de universiteit, maar ze zelf diende te betalen. Een gentleman commoner was van hogere rang en kreeg daarmee meer privileges dan een gewone commoner.
[3] Joannes Willmet (1750 -?) een leerling van Everard Scheidius (zie later) en diens opvolger te Harderwijk.. Werd in 1785 predikant te Loenen. Zijn belangrijkste publicatie was de hier bedoelde Lexicon Linguae Arabicae in Coranum, Haririum et vitam Timuri, Leiden 1784. In 1804 ging Willmet over van Harderwijk naar Amsterdam.
[4] Edward Pococke (1604 – 1691) oriëntalist, op 4 juni 1619 ingeschreven aan Magdalen Hall, Oxford. Verbleef van 1630 – 1635 als chaplain to the English ‘Turkey Merchants’ in Aleppo, een post welke hij had aangenomen om arabische manuscripten te verzamelen voor de Bodleian Library. Hij bracht ook een exemplaar van Meidani’s verzameling van 6013 Arabische spreekwoorden mee terug, welke hij in 1635 vertaalde, maar nooit uitgaf.
[5] Glossen bij de tekst van de Meidani
[6] Abû Muhammad al Qâsim al-Harîrî (1054 – 1122) schrijver van 50 maqâmât (een soort gedichten) over een slimme vagebond die burgers van Abû Zayd (een stad in Noord Irak) bedriegt om in zijn levensonderhoud te voorzien. Dit werk staat bekend om zijn uitmuntende stijl en filologische trucs.