Oxford, 31 october 1772
Zeer Geliefde Vader!
Geen postdag heb ik sedert mijn laatste tijd genoeg kunnen vinden om al dat geene het welk ik nog te schrijven had, zonder mij te veel te over haasten op 't proper te stellen. Ik vrees dat 't antwoord omtrent ue gedachten over Meidani ook mogelijk na deezen brief zal wagten en zeer verlang ik alwas 't ook door een of anderen mijner goede vrienden uit ue naam hieromtrent geinformeerd te worden. Ik gaa dagelijks met dit werk voort met redelijk succes en heb tans een Chilias af, de zesde part van 't geheel. Dat ik het ten eynde zal brengen zie ik kans toe en durf 't aanneemen voor nieuwjaar onder eene conditie dat de koude niet zo ondraaglijk worde dat 't onmogelijk is te schrijven. Want het minsten vuur mag in in de library volstrekt niet komen en niets is op zwaarder straf verbooden dan een eenig boek of ms mee na huis te nemen. Dog gelijk mij alles in allen opzigte bijzonder meevalt zo heb ik ook hierin een avantage boven andere dat ik een kamertje apart gekreegen heb aan een Dr. Hornsby, Prof in de Astronomie toebehoorende alswaar ik volkomen alleen zittende mij met jassen etc. zo veel tegen de koude zal mogen wapenen als 't mij goeddunkt, daar 't anders in deeze stad van ceremonies niet geoorloofd is in de library te zitten zonder de toga aan, onder welke men geen jas of iets dergelijks mag hebben. Dog voornamentlijk helpt mij dat veel in den tijd, want daar de library alleen van 9 tot 3 uur open is daarenboven op Sondag en Heylige dagen ( die hier in Engelijand redelijk veel zijn) geslooten kan ik in mijn kamer welke ook een opgang van buiten heeft gaan wanneer ik wil mits dat 't dag zij en nooit met een kaars. Dit nu vooruit hebbende hoop ik 't bij leeven en welzijn omtrent dien tijd geheel te hebben afgeschreeven. Ik meen dat ik reeds geschreeven heb welk een volumen het is. Een foliant van een hand dik. Tot nog toe heb ik genoegzaam alles (en zeker alles wat ter zaake dient) gecopieerd. Alles is door Pocock zelve nagezien gecorrigeert en geheel na 't schijnt voor de pers gereed gemaakt, gelijk ook blijkt uit het begin, alwaar hij zegt in gevalle hij 't zelf niet mogt uitgeeven te verlangen dat de een of ander 't na zijn dood mag volbrengen and perfect the work for an Edition. Dit schreef hij voor zijn vertrek na de Oost en na zijne terugkomst schijnt het dat hij er weer aangegaan is en op veel plaasen verandert heeft volgens interpretaties hem door Arabieren zelve gegeven. Het is geene vertaaling van de Scholia in 't geheel maar alleen nooten gemaakt uit en meest met de eyge woorden van Meidani waar hij Camus en Gjeuhari[1] doorgaans bij vergelijkt zo wel als als de consessy van Hariri. Jammer is het dat 't hoe langer hoe korter word en in 't begin nooten van een pagina hebbende heeft hij op 't laast zomtijds 12, 16, ja 20 proverbia op een pagina. Overal egter van 't begin tot 't eynde is eene elegante vertaaling der proverbia met derzelver zin en allusie. In 't voorneemen om er hier in Engeland een kleyn specimen van te laten drukken indien ue er niet tegen heeft word ik alle dag gesterkt door Mr White, en wilde ik zijn zin doen zou ik reeds met 't zelve begonnen zijn. Dog ik wil liever nog wat wagten, en het geheel afgeschreeven hebbende kan ik dit altijd te Londen doen alwaar ook buiten dat vrij wat mooyer Arabische letters tegenwoordig zijn dan hier. En al doe ik 't hier wil ik evenwel liever nog wat wagten zo om zelfs mijn gedagten over de keuze uit dezelve te laaten gaan, als ook om met Dr. Hunt en Mr. Jones die omtrent kersmis hier eenigen tijd overkomt hier over te consuleren. Van ieder letter 6 of 8 proverbia zal dunkt mij genoeg zijn om te doen zien hoe Pocock het werk in 't begin midden en eynde behandelt heeft en dat zal waarschijnlijk 10 of 12 vel beslaan, waarbij het mij toeschijnt niet onaardig te zullen zijn indien ik een kleyn specimen van 3 of 4 paginaas bijvoegde van Golius versie van Mutenabbi[2], en Ib Doreid beneevens eenige nooten op de Veta Tumuri. Al deeze dingen zijn hier in de library onder de adversaria van Golius dog extra slegt geschreeven; Maar Mr. White die dezelve bestudeert heeft en de hand gewend is zal 4 of 5 paginaas voor mij copieeren. Over het een en ander verlang ik zeer sterk ue gedagten wat omstandig te weeten en alle vaste bepaaling op dit sujet zal ik gelijk mijn pligt is tot dien tijd toe uitstellen. Ik heb voorl[aatsten] week aan Colonius het een en ander hier over geschreeven dat ue van hem zult kunnen hooren en ik der halven hier niet hoef te repeteeren. Wat nu mijne oeconomie alhier betreft en de manier op welke het mij heir aanstaat kan ik niet anders dan alles goede melden, en ieder dag geeft mij bij aanhoudenheid de grootste reede om den Hemel te danken dat ik de aangenaame geleegenheid, welke ik aan de liefde en goedheid van mijnen lieven Vader verschuldigt ben, om mijne studie niet alleen maar ook mijne wereld en menschenkennis uit te breiden met zo veel aanhoudende genoegens van alle kanten genieten mag, terwijl ik hoop dat een leevendig gesef van deeze weldaaden voort mag gaan met mij aan te zetten om aan dezelve met al mijn vermogen te beantwoorden en mij in alles overeenkomstig mijnen pligt te gedragen. Hier in't collegie bevalt 't mij op den duur extra wel. In de situatie waarin ik ben leef ik volkomen vrij en buiten eenige formaliteyten van zeer weynig aanbelang heb ik niets ter wereld met eenige exercitia (die hier dagelijks gehouden worden) te schaffen. Onder de masters, bacchelors en fellows met welke ik dagelijks eet, leeft men vriendelijk beleeefd en wel zonder dat 't noodig is zig sterk er mee te lieeren. En particuliere conversatie in dit college heb ik met niemand dan met White, met wien ik bijzonder wel overweg kan en eenen Mr. Rigby die mij minder aanstaat, dog dien ik genoodzaakt ben te vriend te houden als zijnde mijn Tutor. Iedere non graduatis hij zij wie hij zij is verpligt zulk een Tutor te hebben welke zorg moet dragen voor zijn pupil zo omtrent studie, als omtrent gedrag en ordentelijke kleding en manieren. Dit wordt onder de Scholars zeer strict geobserveert, dog de Gentleman Commoners hebben alleen eenen Tutor in naam, zonder welken de admissie in een College onmogelijk is. Schoon nu uit dien hoofde met Rigby niets te doen hebbende, wil ik egter, niet tegenstaande onze humeuren weynig sympathiseeren liever die relatie tusschen hem en mij observeeren dan door anders te doen mij bij hem en zijne vrienden onaangenaam maaken. Bij Dr. Hunt ga ik van tijd tot tijd mijne visite doen. Ik heb hem eens na de Abdòllatiph gevraagd, waarop hij mij zeide er nog aan beezig te zijn, en het discours afbrak op eeene wijze welke mij surpreneerde dog met White er naderhand over spreekende hoorde ik dat 't hem niet aanstaat en zijn voorneemen niet geslaagd te zijn en hij er dus niet geern van spreekt. Hij is een bijna stokoud man, extra eerwaardig en alleruitmuntendst vriendelijk. Dat ik eene visite van hem gehad heb en welk een eer het zij dat een non graduatus eenen Canonicus Aedis Christi op zijn kamer recipieerd heb ik aan Colonius geschreven tegelijk met het een en ander omtrent Channing, die hier tans niet meer is. Insgelijks refereer ik mij tot dien brief omtrent mijne visite aan Dr. Kennicottt; voor dat ik dezer eijndige zal ik er een tweede visite doen en dus mogelijk nog het een of ander van hem kunnen melden zo wel als van den Bisschop van Oxford[3] bij wien ik morgen met Mr. White mijn compliment denk te gaan maaken. Hij leeft hier omtrent anderhalf uur vandaan op zijn landgoed en 's winters te Londen. Met zijn zoon die hier binnenkort is komen studeeren ben ik in geweest bij eenen Mr. Jackson aan wien ik particulier door den Hr. De Salgas gerecommandeert was, en die onlangs van London komende mij een extra polite en gratieuse brief van dien Hr. meebragt vol met complimenten over de ElNawabig. Bij Mr. Swinton gaa ik ook van tijd tot tijd mijne visite doen. Hij is een goed oud man en voornaamste schrijver van de historie der Arabieren. Ook heb ik eene alleraangenaamste kennis aan Dr. Wheeler, Prof. van Poetry en Capellaan van den Bisschop. Hij is een extra geleerd man, zijne liefhebberij valt voornamentlijk op 't Grieks en Hebreeuwsch. Binnenkort denk ik ook Mr. Warton, den uitgever van Theocritus eene visite te geeven en Dr. Durell eenen hier in Engeland vermaarden Oosterling dog meest in the Critical way hebbende ook binnen kort in die smaak eenige Remarkes on Job uitgegeven. Deeze zijn, behalve 2 of 3 bacchelors welke wat van 't Oostersch weeten, mijne kennissen onder de geleerden. Zeer veel beleeftheid geniet ik ook aan 't huis van Mr. Jones zijne Moeder en Zuster aan welke ik door een brief van hem gerecommandeert was, en door dit canaal heb ik te gelijk aan verscheide andere particulieren hier in Oxford kennis gekreegen onder anderen aan Mr. Tottie, Mrs Taunton en 2 Miss. Grovenor's alle kennissen van den Heer Maty. Ook aan eene Mrs. en Miss Jenner, insgelijks als ik mij niet bedrieg hoewel ik t' niet vast kan zeggen aan den Hr. Maty bekent. Sondag. Tot hier toe gisteren geschreven hebbende ontfang ik juist vandaag ue alleraangenaamste letteren welke ik blijde ben nu nog meteen te kunnen beantwoorden. Mijn brief dien ik vergeeten had te dateeren is op zijn tijd aangekomen zijnden den 19 van hier verzonden. Alle de voorige brieven heb ik wel ontfangen. Bij een derzelver was een extra gratieuse brief van Neef Parker, als ook van Prof. Tijdeman met eenige remarkes dog van weynig aanbelang. Aan den heer Maty heb ik ue brief overhandigt en dagt dat hij gelijk hij mij toen zeyde binnen kort te zullen doen reeds weerom zou geschreven hebben. Het heeft mij onbegrijpelijk gerust gesteld dat ue met mijne situatie zo volkomen tevreeden is. Schoon ik geene reede had om het tegendeel te vreezen maakte mij de onzekerheid evenwel meer of min bekommert. Tans is 't mij even aangeenaam dat het geen waarbij ik mij bij continuatie zo wel bevind ook ue tot genoegen is. Wat mijne finanties betreft kan ik zelve niet veel van zeggen. Alles wat het eeten betreft word in een boek opgeschreeven en bij het einde van elk vierendeeljaars betaald. Men heeft evenwel de permissie om dat boek wanneer men 't begeert op te slaan en daaruit heb ik gezien dat mij elke dag door malkander gereekend voor ontbijt, middag en avondeeten op een gulden Holl. te staan komt het wel dus grof gereekend zijnde, omtrent 10 pond voor 3 maanden bedraagen zal, dog die ik dan vertrekkende van mijne depositie betaal. Van de overige 10 pond zal dan ook een gedeelte voor den pruikmaaker, Waschloon, stoppen, Naajen etc. afgaan. Tegenwoordig bezit ik nog omtrent 10 pond, waarvan ik niet heb uittegeeven dan voor dagelijksche behoofte van koolen, tee, suiker, wijn en diergelijk. Mijne intentie was egter en is nog, om zeker deeze maand zo niet langer hier mee toe te komen. Het best komt mij voor om, wanneer U geleegenheid heeft, het geld aan den Hr. Goodricke te bezorgen. Kan ik 't dan hier uithouden, dan zal ik 't te London komende van hem kunnen beuren. Zo niet, is er alijd gelegenheid genoeg wijl wij bij continuatie correspondeeren, een gedeelte van 't zelve hier te krijgen. Geen duit heb ik nog besteed of ik weet waaraan en ik heb die satisfactie voor mij zelfs dat ik niets overtollig of onnodig heb uitgegeeven. Dog alles is hier duur en shillings reekent men omtrent zo weynig als in Holland dubbeltjes of sesthalven. Dat de Hr. Goodricke nog niet geschreeven heeft zal waarschijnlijk door de druktens die hij met 't ontfangen van zijn goed gehad heeft veroorzaakt zijn. Ik heb hier reeds 2 brieven van hem gehad. Hij is bijzonder met mijne keuze om in een College te woonen in zijn schik en schreef mij hier over eene allergracieuste en aangenaamen brief. Particulier meent hij dat 't mij van dienst zal kunnen zijn om mijne plans van hier in 't land eene bevordering te zoeken te bevoordeelen. De tijd laat mij niet toe op dit sujet tans veel te schrijven en liefst wil ik dat tot eene volgende uitstellen. Dit alleen kan ik melden dat ik 't geloof aan een van beide de Universiteyten eene volstrekte onmogelijkheid te zijn en zo hier iets op is zal ik 't te London moeten zoeken. Raakende ue aanbod, om indien ik er zin aan had, meer dan 3 maanden hier te blijven verzoek ik nog een weynige tijd van beraad. Denk ik alleen op het genoegen met 't welk ik hier ben dan is 't zeker dat ik er niets tegen zou hebben. Dog het slimste is dat ik zo weynig tijd voor mij zelve heb om wat van belang te kunnen doen. Te 9 uur gaa ik na de library tot 2 uur en na 't eeten van 3 tot half 5. Dan daar van daan komende ben ik regulier dan hier dan daar verzegt tot 7 of 8 uur, waar ik te minder teegen heb om dat ik den geheelen dag in mijn kamertje opgeslooten geweest zijnde al zeer blij ben als ik mijn geest wat verlugten kan. Dus schiet er geen tijd over dan na 8 uur. (Want uit soupeeren te gaan hetwelk ik dikwijls genoeg doen kan, heb ik eens vooral afgeschaft) schoon ik nu wel van die tijd tot 12 uuren mijn Hebr[eeuws], Ar[abisch], Gr[ieks] en Lat[ijn] onderhoude wil 't egter te weinig zeggen om wat af te doen. Aan 't Perzisch ben ik met de Grammatica van Mr. Jones ook begonnen. Ik heb aan Colonius het een en ander over de Zenda Vesta van Mons. Anquetil du Perron[4] geschreeven. Het is onbegrijpelijk hoe zeer men hier teegen hem gepikeert is, voornamentlijk geloof ik omdat hij verscheyde satirique trekken zo op Dr. Hunt als andere Oxford geleerden in zijne praefatie geeft. Jones heeft hem over de onegtheid der stukken zo wel als over 't bohay dat hij maakt om ze voor egt op te disschen zeer gevoelig aangetast. Het plan van Meninski te herdrukken is geheel af tot groote spijt van Uri, die bij deeze geleegenheid een excellent geldfonds had, te weeten door zijne additamenten, welke zekerlijk zeer veel zijn. Eerst had hij er een vel van apart laaten drukken, hetwelk loos van hem overlegd was. Want immediaat kwamen de geinteresseerden in de editie van Meninski en gaven hem 30 guinies om er mee uit te scheiden en zijne additamenten liever aan hun te geeven, waarvoor hij dan ook rijkelijk betaald zou zijn. Hij is hier in een eene beklaaglijke situatie. Te veel om te sterven en te weynig om te leeven krijgende heeft hij nu al zo veel jaaren met 't maaken van een catalogus bezig geweest. Dat is nu omtrent gedaan en wanneer 't gedrukt is, heeft hij niets. Mogelijk egter zal men hem dan employeeren om mss uit te geeven. Vandaag men ik met Mr. White bij den Bisschop Lowth in zijne residente te Luddesden 8 mijlen van hier geweest en heb dus geleegenheid gehad de magnificentie van eene Bisschop en de eerbied welke men hem bewijst de admireeren. Wij hadden eerst belet laaten vraagen om tee te drinken. Hij is een alleraangenaamst, poliet en vriendelijk man. Omtrent anderhalf uur waren wij bij hem. Hij is een groote Kennicottiaan en uit dien hoofde had hij niet veel zin in 't boek van Tychsen hetwelk Dr. Wheeler die 't van mij ter leen had, hem te leezen had gegeeven. Als ik 't van Wheeler weer heb zal ik 't aan Kennicott laaten zien. De Bisschop heeft mij een present gedaan van een Engelsche Grammatica with Critical notes door hem uitgegeven. Dog mijn papier en tijd u ten eynde. Ik recommandeer mij in mijn lieven Vaders aanhoudende liefde en geneegenheid en na de hartelijke groentenis aan Mama, Tante en verdere vrienden verzogt te hebben, blijve ik met alle respect. ue Onderdan. Gehoors. Zoon,
H.A. Schultens
Voorl[aatsten] Dinsdag ben ik met veel ceremonies tot Member van de Universiteyt aangenomen, waarbij [ik] onder anderen de XXXIX artikelen heb moeten onderteekenen.
Mag ik u verzoeken dat Arnolds of iemand anders hoe eer hoe liever den titel van 't boekje van Storr schrijft want White is er bijster nieuwsgierig na. Hij is bezig niet op order en op kosten van de Universiteyt eene oude Syrische versie van 't NT uit te geeven. Dog hier over in de volgende nader.
Met de grootste verwondering van de wereld las ik deeze week de historie van Hoising hier in de courant. Ik vind het zo particulier dat 't mij nog wel de moeite waardig toescheen om 't over te zenden.
De Geographie van Abu-Sfeda afgewerkt, en is in handen van Dr. Hunt. Van Pocock is behalven eenige kantteekeningen op de mss die hij geleezen heeft, hier niets meer.
[1] al-Gawhari †1003, auteur van een beroemd woordenboek, dat de voornaamste bron van Golius’s Lexicon is geweest. In Leiden is Golius’ eigen kopie van dit woordenboek aanwezig (OR. 85a-b).
[2] al-Mutanabii (915 – 965) Arabisch dichter van lage afkomst. Studeerde in Kufa en leefde toen lange tijd onder de Bedoeïenen om hun taal te leren, besloot bij zijn terugkeer een literaire loopbaan na te streven. Werkte vanaf 948 enige tijd in Aleppo aan het hof van Sayd ad-Dawla en bereikte daar het hoogtepunt van zijn dichtersloopbaan. Hij wordt gezien als een van de grootste Arabische dichters, die geverseerd was in vele stijlen.
[3] Robert Lowth (1710 –1787) Bishop of Oxford 1766 – 1787, oriëntalist, later ook nog bishop of London
[4] Anquetil DuPerron kwam in 1762 in Oxford ‘and intended to improve Oxford rather than be improved by it’. In zijn Zend-Avesta, ouvrage de Zoroastre, ridiculiseerde DuPerron de wanorde waarin hij de orientaalse manuscripten in de Bodleian Library aantrof en het gebrek aan kennis van enig oud-Perzisch schrift. Deze onbeleefdheid bracht de jonge William Jones ertoe om een antwoord te publiceren, dat door zijn tijdgenoten als vernietigend werd gezien, maar waarvan nu duidelijk is dat het een verkeerde beoordeling van de terechte opmerkingen van DuPerron was.