London, 12 januari 1773
Hartelijk Geliefde Vader!
Dat ik ue brief van den 11 december wel ontfangen heb, zal Tante Lij aan welke ik den 28 december schreef ue wel gemeld hebben tegelijk met mijn voorneemen om dezelven van hier te beant woorden. Voorl[aatsten] Zaturdagavond ben ik te London gekomen en had het plaisier den waardigen Hr. Goodricke met deszelfe familie in goeden welstand aan te treffen. ue heeft van hun allen de hartelijke complimenten en met groot ongeduld en verlangen verwagt Mr. G. een brief van ue zo schielijk als mogelijk is. Als ue het schikken kan om dezelve met een wissel vergezelt te doen gaan zal het mij ook in dat opzigt zeer aangenaam zijn. Mijn geld is tans geheel ten eynde en Hr. G. heeft mij met een bill van 10£ geassisteerd, waarvan ik er 6 overig heb. In de volgende week zal ik waarschijnlijk een kleyn pakje na Holland zenden (indien de Comm. en Jobum die hier op een catalogus is niet reeds weg is) waarbij ik dan mijne geheele verreekening van al wat ik gehad heb zal bijvoe gen. ue zal daar uit kunnen zien, dat er niets buiten het noodzakelijke besteed is. Het geheele volumen van Pocock's vertaaling heb ik den laatsten dag van het voorl[aatsten] jaar geeyn digt. Onbegrijpe lijk ben ik in mijn schik met deezen volbrag ten arbeyd, waarin ik zo schielijk niet zoude geslaagt hebben indien het weer minder draaglijk geweest was. Het beslaat 696 paginaas in folio van mijn schrift en, schoon wel niet geheel woorde lijk, heb ik egter niets wat ter zaake diende overge slaagen. Meer heb ik voor tegenwoordig in de Bodleijan niet gedaan en stel dit uit tot maart of april, wanneer ik meer tijd en beeter weer kan hebben om het een of ander aldaar te copiee ren. Het specimen dat ik uit hetzelve hier zal laaten drukken is genoegzaam geheel afgeschreeven en tans in handen van Dr. Hunt, van wien ik het door Jones, die in de volgende week hier weer komt, terug zal krijgen, wanneer 't direct op de pers gaat. Mijn eerste werk dat ik hier begin, zal de praefa tie weezen, welke maar zeer kort zal zijn en juist zo veel als nodig is om een verhaal van dien aard &c van 't werk te geeven. Ik had eerst gedagt het leeven van Meidani er bij te voegen, dog zeer werd ik bedrogen met in Ebn Chalican zeer weynig van hem te vinden en niet veel meer dan hetgeen Herbe lot reeds heeft. Omtrent de dedicatie ben ik nog niet bepaald. Ten zij ue er bijzonder op gesteld zij, zal ik 't aan Bp Lowth niet verzoeken, zijnde het genoegzaam zeeker dat hij 't zou refu seeren. Drie maalen dat ik de eer gehad heb his Lordship te zien, hebben wij 't op het sujet van 't Arabisch niet eens geweest, waarvan hij het groote nut volstrekt ontkent schoon hij in dezelve tijd edelmoedig genog is van te bekennen dat hij 't niet dan beswaarlijk leezen kan. zoude het derhalven niet een soort van impolitesse weezen, hem iets te dediceeren het welk ik te vooren wist niet met zijn smaak overeen te komen. In geval ue denkt eene dedicatie beeter te zijn, dan weet ik niemand beeter uittevinden dan Dr. Hunt, die 't ook met plaisier accepteeren zal. Ik heb er hem egter niet van willen spreeken voor ik ue gedagten hier over wist, en kan dit altijd met een brief doen. Het derde voornaame point waar omtrent ik ue schrijven moet, raakt het vinden van eenig etablissement hier in Engeland. Hoe meer zin ik krijg om in dit gelukkig land te leeven hoe minder mij de hoop word van te reusseren. Ik ben tans genoeg met de constitutie der Universi teyten bekend, om genoegzaam volkomen zeeker te weezen dat het aldaar onmogelijk is. Er schiet dus niets over dan London en wat zal daar voor 't Oostersch te vinden zijn? Onlangs hoorde ik dat er een librarians plaats in het Museum vacant was. Op raad van Kennicott schreef ik direct aan Dr. Maty van wien ik tot antwoord kreeg, dat behalven dat hij dagt het reeds ver zegt te zijn, men iemand nodig had wel geverseerd in de histo ria naturalis. Dus is dat geheel gedaan. Een plan van inter pres, vrees ik, zal even schielijk in duigen vallen. Ik heb er nog nog met niemand over gesprooken, dog onder de hand zo wat uitvorschende vergaat mij de moed geheel en al. Zo iets zou direct van den koning moeten gegeeven en betaald worden. Zijn kas is niet te rijkelijk voorzien, en zijne treasurers die al wat mogelijk is zoeken af te spitten zouden ook wel zorg draag en van geen 200£ (want met veel minder kan men 't hier niet doen) voor een geheel nieuwe en ongehoorde post uittegeeven. Als wat ik nu doen kan is mij aan den Bp. of Chester en den Bp. of Oxford direct te advisseeren en hun in 't generaal mijn verlangen te kennen te geeven. Beyde hebben mij in Oxford zo graieus gerecipieert dat ik geene swaarig heid maak hun dat te proponeeren. Dog hoe ook alle moge uitvallen, ik hoop mij mijn lieven Vaders vermaaning altijd te herinneren en te nutte te maaken en volkomen in de voorsienigheid te berusten. De dood van den Hr. Hop zal mogelijk ook wel weer eenige verandering en het plan om mij te laaten reysen, maak en. ue weet mijne omstandigheeden en kunt derhalven ligt begrijpen dat drie of 4 jaaren om te swerven juist geen van de aangenaamste situaties voor mij weezen zou. Met betrekking tot mijne studien heb ik thans voorgenomen met alle magt op 't Persisch te vallen. Jones heeft mij hier zeer sterk toe geencourageert en alle supporten beloofd. Het spreekt van zelfs dat 't Arabisch en Hebreeuwsch, Latijn en Grieks even strict moeten doorgezet worden. Onder de advantages van mijn Engelsche reys tel ik met zeer veel reede dat van door vergelijking van mij zelfs met zulken als Jones, White en andere te zien hoe veel er nog mankeert en hoe wel er gearbeyd moet worden om voor hun niet onder te doen, terwijl deeze exempels ook de allersterk ste zijn om mij hier toe aan te zetten. Jones neemt tans zijn afscheid van het Oostersch met het uitgeeven van 3 stukjes. Commentarius de Poësi Orientalium, The history of the Turkish Empire en The history of the Persian Empire, waarbij hij eene history of the Persian language bijgevoegd heeft. Dat laatste heeft hij mij geheel voorge leezen. Ongetwijfelt zal ik de eerste occassie te baat neemen om zijn tot hier toe uitgegee vene werken aan ue te zenden. Ik weet zeeker dat ue met plai sier in dezelve blaaderen zal. Het komt mij nu in gedagten dat ik reeds te vooren heb willen schrijven, dat de Baron de Reviczki[2] van wien ue de poemata van Hafez[3] present kreeg, zelfs bij ue te Leyden geweest is. Als ik mij niet bedrieg herinnerde zig ue op dien tijd niet ooit van hem gehoord te hebben. Hij heeft met zeer veel ophef en plaisier van zijne visite aan ue aan Jones met wien hij zeer intiem is, verteld. Hij is tans Ambassadeur van de Keyzerin in Poolen. Voorl[aatsten] Zondag heb ik kennis gemaakt met Dr. Harwood die alle Sondag avond bij Hr. G. komt eeten. Hij is een wonderbaarlijk aange naam mensch, dog in armoedige omstandigheeden zijnde verpligt bij privaate instructie hier te leeven. Eerste was hij predi kant onder de dissenters te Bristol dog de gemeente hoe langer hoe kleyner wordende kon hij daar niet langer bestaan. Mr. G. zal ue meer particulariteyten van hem melden. Voor het overi ge heb ik alle reede om volstrekt in allen opzigte over mijn verblijf in Oxford ten uitersten voldaan te zijn. Iedereen heeft mij boven al wat ik kon verlangen alle beleeftheid en vreindelijkheid beweezen. Bij den Bp of Oxford ging ik voorl[aatsten] week in zijn palace 8 mijlen van daar afscheid neemen. Hij komt deezen week hier en heeft mij verzogt hem dikwils te komen zien. De Bp of Chester (Dr. Markham die met eene Rotterdamsche koopmansdogter getrouwd is) is ook weer hier. Eenige dagen na dat ik bij hem geïntroduceerd was, liet hij mij ten eeten versoeken. Wijl hij een van de rijkste en tef fens deftisgste (zo men het niet trotste noemen mag) Bis schoppen is, had ik geleegenheid de Engelsche pragt en gran deur te admireeren. De tijd laat mij niet toe tans in meer particulariteyten in te treeden. Ik hoop dat deeze ue benee vens Mama en alle de verdere Leydsche vrienden zo wel zal aantreffen als ik bij aanhoudendheid ben. Ik verzoek hun allen mijnentweege hartelijk te groeten gelijk ue de complimenten van ons allen hebt. Na mij verder in ue liefde en toegeneegen heid gerecommandeert te hebben, noem ik mij met alle verschul digde eerbied en liefde,
Waarde vader
ue Onderdan. Gehoorzaame Zoon
H.A. Schultens
Ik bezwijk schier van verlangen naar een Brief van UHE; ik verwagte van u eene naauwkeurig en beredeneerd berigt van alles wat de belangens der Verdragen aangaat; ik vertrouw daarop. Wat is er van alle die Advocaten der Christ. kerken, der Room sche Kerken &c. &c. Ik heb ze alle in de Haarlem. Courant aangekondigd gezien. heb de goedheid van aan de Main te zeggen dat ik hem van deze maand het overi ge van het 11de Stuk mijner Belangens zal zenden, ik meen het slot van Hoofd IV.I en zal hem dan nader over schrij ven; daar zal maar een vel of drie te drukken vallen, des het in februa ri moet uitkomen. Ik wou gaarne weten, hoe men het op neemt en wat de Hr. v.d.K. of Bonnet er van zeggen. Ik begin nu te hopen, dat ik met menschen van mijne liefhebberij en studies een genoegelijke conversatie met der tijd zal krijgen. T.T. H.G.