Een economie is voortdurend in beweging. Na WO II is er evenwel slechts uitzonderlijk een daling opgetreden in het reële BBP tegen marktprijzen, zodat men kan spreken van een permanente economische groeibeweging. Wel kent de economische activiteit voortdurende schommelingen rondom een trend (een sterke groei wordt afgewisseld met een zwakke groei). Deze op- en neergaande bewegingen rondom de groeitrend, wordt conjunctuur genoemd. Het begrip conjunctuur handelt dus over de schommelingen in de economische activiteit op korte termijn.
De econoom Mitchell heeft aangetoond dat de conjunctuurbewegingen het volgende verloop kennen:
De afwisselende beweging van versnellingen en vertragingen in de economische groei deed een bepaalde terminologie ontstaan:
1. Hoogconjunctuur: periode waarin de groeivoeten voortdurend hoger liggen dan de trend. ‘ het gaat goed met de economie’
2. Laagconjunctuur: periode waarin de groeivoeten voortdurende lager liggen dan de trend.
3. De herneming: is de heropleving van de economische activiteit
4. De expansiefase: de groeivoet neemt toe, de investeringen nemen toe, de werkloosheid zal dalen, de prijzen gaan algemeen stijgen
5. Het hoogtepunt of de ‘boom’: de capaciteitsgrens wordt bereikt
6. De conjunctuuromslag: de expansie wordt onhoudbaar, er ontstaan spanningen (volledige capaciteitsbezetting, stijgende loonkosten, ….)
7. De recessie: een milde vertraging van de economische activiteit lost de spanningen grotendeels op (werkloosheid vermindert de stijging van de lonen, inflatie neemt af)
8. De depressie: hierbij is er massale werkloosheid en een enorm pessimisme waardoor niemand nog risico’s neemt. (heeft zich niet meer voorgedaan na de tweede wereldoorlog)
9. Het dieptepunt of ‘slump’: na het dieptepunt komen we weer terecht bij de herneming.
Hierbij dient opgemerkt te worden dat geen enkele cyclus identiek is, noch in de lengte van de cyclus (de tijd), noch in de intensiteit van de golf. Elke cyclus vertoont wel gemeenschappelijke kenmerken:
Hoogconjunctuur wordt gekenmerkt door een stijging van de prijzen, door grote bedrijvigheid en geringe werkloosheid.
Laagconjunctuur vertoont de tegenovergestelde kenmerken: daling van de prijzen en lonen, geringe bedrijvigheid en grote werkloosheid.
Conjunctuur kan ook voorgesteld worden in functie van het verloop van het BBP (dus niet in functie van de verandering). Dit leidt tot de volgende grafiek (Merk op dat men steeds vertrekt van het reële BBP -tegen vaste prijzen dus - om de effecten van prijsveranderingen uit te schakelen):
C1. BBP tegen marktprijzen
Voor de meting van conjunctuur bestaat er geen echt criterium. Conjunctuur is immers meer dan totale productie. Toch is het BBP tegen marktprijzen de meest gebruikte indicator om de economische activiteit te meten. Men gaat daarbij best uit van het reële BBP omdat dan de prijsbewegingen uitgeschakeld zijn.
C2. Andere enkelvoudige conjunctuurindicatoren
De vastgestelde schommelingen in de economische activiteit blijven evenwel niet beperkt tot veranderingen in productie. Andere macro-economische grootheden bepalen mee de conjunctuur, zoals het werkloosheidspercentage, fluctuaties in investeringen, in- en uitvoer, privé-consumptie,... Elk van deze indicatoren kan beschouwd worden als een conjunctuurindicator in zoverre ze een duidelijk verband vertonen met het economisch gebeuren, indien ze conjunctuurgevoelig zijn en indien de informatie erover snel ter beschikking is. Met dit laatste criterium zitten we meteen bij een tweede belangrijk nadeel van het BBP. De cijfers omtrent het BBP zijn pas in een vrij laat stadium betrouwbaar. Als instrument tot economische politiek, is deze indicator dan ook beperkt.
In verband met conjunctuurindicatoren spreekt men van:
leading-indicatoren: indicatoren die vooruitlopen op het conjunctuurgebeuren;
lagging-indicatoren: indicatoren die achterlopen op het conjunctuurgebeuren;
coïncident-indicatoren: indicatoren die samenvallen met het conjunctuurgebeuren.
C3. Synthetische indicatoren
Op zichzelf is één enkele indicator weinig representatief voor het totale conjunctuurgegeven. Vandaar dat men meer en meer gebruik maakt van synthetische conjunctuurindicatoren. Dit zijn indicatoren waarin verscheidene gegevens verwerkt zijn. Men maakt hierbij een onderscheid tussen een vertrouwensindicator, waarvoor men een beroep doet op kwalitatieve gegevens (zoals de conjunctuurbarometer van de NBB) en een kwantitatieve indicator dat een beroep doet op cijfermateriaal (zoals de conjunctuurindicator van KBC).