Herman Van Frompui vindt dat de tijd rijp is om een centraal gezag te organiseren. Dit gezag zal instaan voor de productie van een aantal collectieve goederen zoals onderwijs, veiligheid,… Hiervoor zal de overheid eilandbewoners in dienst nemen en goederen kopen bij de bedrijven, zowel consumptiegoederen als investeringsgoederen.
Om dit te financieren, zal de overheid belastingen heffen. Bij eventuele geldtekorten zal ze bij de gezinnen lenen, een eventueel overschot wordt belegd.
Door het initiatief van Van Frompui komen er weer enkele economische relaties bij.
Ook de overheid biedt goederen aan
De overheid int belastingen aan bedrijven en gezinnen
De overheid investeert het ontvangen geld
Het schema kan dus nog wat meer worden uitgebreid.
Daarvoor gaan we vanaf nu symbolen gebruiken want anders wordt alles te druk.
Fd = factordiensten
Yb = Inkomen dat door de bedrijven aan de gezinnen wordt gegeven (loon, intresten, …)
Yo = Inkomen dat door de overheid aan de gezinnen wordt gegeven (wedde, intresten op obligaties, …)
Sg = Sparen van de gezinnen
Cg = consumptiegoederen geproduceerd door de bedrijven of de consumptie-uitgaven van de gezinnen
Co = aankoop van consumptiegoederen en diensten door de overheid
Ib = investeringen van bedrijven
Io = investeringen van de overheid
G = de overheidsconsumptie, d.w.z. de consumptie van goederen of diensten geleverd door de overheid (De term overheidsconsumptie is misleidend. Het gaat hier niet om de consumptie door de overheid! De term verwijst naar de consumptie door gezinnen en bedrijven van goederen en diensten ter beschikking gesteld door de overheid.)
Td = directe belastingen in ons vereenvoudigd model enkel betaald door gezinnen
Ti = indirecte belastingen (zoals b.t.w.) geïnd via de bedrijven
De overheid doet zijn intrede in ons model. Daarbij hoort niet alleen de Belgische staat, maar ook de gemeenschappen, de gewesten, de provincies, de gemeenten, de openbare instellingen, enz.
Die overheid produceert enerzijds goederen en diensten waarvoor de gebruikers een prijs moeten betalen (vb. inkomgeld gemeentelijk zwembad, De Lijn, de Post, enz.) Voor deze activiteiten rekenen we de overheid tot de sector bedrijven.
Anderzijds produceert de overheid collectieve goederen. Dat zijn goederen die de overheid gratis ter beschikking stelt aan gezinnen en bedrijven. Het gaat over onderwijs, veiligheid, gezondheidszorg, enz.
Om collectieve goederen voort te brengen moet de overheid beroep doen op de productieve diensten (factordiensten) van de gezinnen (Fd). Daarnaast moet ze allerlei goederen en diensten aankopen bij bedrijven De waarde van de overheidsconsumptie- of productie (G) is dus gelijk aan de som van de lonen en wedden betaald aan het overheidspersoneel (Yo) plus het bedrag dat de overheid betaalt voor de aangekochte goederen diensten bij de bedrijven (Co).
Daarnaast zal de overheid ook een aantal investeringen moeten doen om de collectieve goederen te kunnen produceren (Io).
Uiteraard heeft de overheid geld nodig om dat allemaal te kunnen betalen. Dat geld verzamelt ze met leningen en belastingheffingen. Belastingen (T) zijn alle bedragen die de gezinnen en de bedrijven wettelijk verplicht zijn aan de overheid af te staan. Leningen die de overheid aangaat, hebben meestal de vorm van staatsobligaties.
Merk op dat er in deze kringloop nog geen sprake is van sociale uitkeringen of andere transfers van de overheid. Ze zitten ook niet in het inkomen dat als vergoeding voor de productieve diensten wordt betaald.
Aanvulling: Belastingen
Er zijn twee soorten belastingen:
Directe belastingen (Td)
Dat zijn belastingen op inkomsten. De last van die belastingen wordt gedragen door de persoon (of rechtspersoon) die ze betaalt aan de overheid.
Voorbeeld: de personenbelasting, de vennootschapsbelasting
Indirecte belastingen (Ti)
Dat zijn belastingen op bepaalde feiten of handelingen. De last van deze belastingen wordt niet gedragen door de persoon die ze betaalt aan de overheid. Meestal zijn het de bedrijven die het geld aan de staat geven, maar zij hebben de belasting wel van hun klanten ontvangen.
Voorbeeld: de btw., accijnzen
Uiteraard komt er opnieuw een rekening bij, nl. de overheid. De nationale rekeningen van een gesloten economie zien er dan als volgt uit:
De overheidsconsumptie G is gelijk aan de collectieve productie, ter waarde van de wedden van de ambtenaren en de kostprijs van de aangekochte goederen en diensten bij de bedrijven:
G = Yo + Co
Verder weten we dat het nationaal product X bestaat uit de goederen geproduceerd voor gezinnen (Cg), bedrijven (I) en overheid (G):
X = Cg + G + I
X = Cg + Yo + Co + I
Het nationaal inkomen wordt aangewend voor consumptie, belastingen en besparingen:
Y = Cg + T + Sg
Het nationaal inkomen is gelijk aan het nationaal product:
X = Y
Wiskundig kunnen we dan afleiden: (Sg = S)
Cg + I + G = Cg + T + Sg
I + G = T + S
of
S - I = G - T
Hieruit kunnen we afleiden dat, in een gesloten economie met overheid, het spaaroverschot of -tekort in de particuliere sector gelijk moet zijn aan respectievelijk het begrotingstekort of -overschot.