Een consument besteedt zijn budget niet aan één bepaald goed maar hij koopt een hele reeks goederen en diensten. Hij kan dan een voorkeur of preferentie uitspreken voor een bepaalde combinatie.
We keren terug naar ons eerste voorbeeld. Na de fietstocht zal je waarschijnlijk zowel honger als dorst hebben. Je gaat dus niet alleen een drankje kopen maar ook één of enkele broodjes. Als je in totaal 6 consumpties kan kopen, kan je die verdelen in een aantal combinaties: 5 drankjes en 1 broodje, 4 drankjes en 2 broodjes enz.
Naarmate je meer dorst dan honger hebt zal je meer drankjes dan broodjes bestellen.
Voor anderen speelt de precieze combinatie niet zo’n rol. Zij hebben geen bepaalde voorkeur ( = indifferentie)
De consument kan dus een preferentie of indifferentie uitspreken voor een bepaalde goederencombinatie. Dit is uiteraard subjectief en verschilt van consument tot consument.
Een consument die koopt, heeft bewust of onbewust verscheidene aankopen tegen elkaar afgewogen en tenslotte een voorkeur (preferentie) uitgesproken voor het goed dat hij aankoopt.
De moderne theorie van het consumentengedrag is gebaseerd op de gedachte dat een consument preferenties kan uitspreken.
Laten we aannemen dat het in een bepaald geval slechts om twee goederen gaat. We gaan nu verschillende combinaties van die twee goederen aan een persoon aanbieden op de volgende wijze:
We nemen enkele eenheden van het ene goed x weg (het nut daalt) en vragen de consument hoeveel eenheden we van het goed y moeten toevoegen om het oorspronkelijk nut weer te bereiken.
Voorbeeld:
Een goederencombinatie: 1 flesje frisdrank en 20 repen chocolade.
De consument meent dat het verlies van 6 repen chocolade voor hem gecompenseerd wordt door 1 flesje frisdrank. In onderstaande tabel zijn alle equivalente of indifferente goederencombinaties weergegeven.
Als we deze indifferente goederencombinaties grafisch voorstellen en we de punten verbinden, dan bekomen we een indifferentiecurve = iso-nutscurve.
Een indifferentiecurve duidt de combinaties van twee goederen aan, die aan de consument hetzelfde nut of dezelfde voldoening verschaffen.
Een consument zal een combinatie die meer eenheden van de twee goederen bevat prefereren boven een combinatie die minder eenheden bevat.
Een goederencombinatie: 30 repen chocolade en 1 flesje frisdrank.
De consument meent dat het verlies van 6 repen chocolade voor hem gecompenseerd wordt door 2 flesjes frisdrank.
De equivalente combinaties in deze tweede tabel zullen een grotere voldoening verschaffen dan de equivalente combinaties in de eerste tabel.
Rangschik de volgende goederencombinaties naar stijgende nuttigheid, leg ook uit waarom:
(2x, 24y) en (2x,14y)
Als besluit kunnen we stellen dat het nut groter is indien de indifferentiecurve verder van de oorsprong verwijderd is en kleiner naarmate de curve de oorsprong nadert. Hoe verder de indifferentiecurve van de oorsprong ligt, hoe meer de behoeften kunnen bevredigd worden. De consument kiest dus altijd de goederencombinaties die het verst van de oorsprong verwijderd zijn, rekening houdend met de beperktheid van zijn middelen. De positie van de indifferentiecurven t.o.v. de oorsprong is een weerspiegeling van het nut van de goederencombinaties op die curven. Het vlak met indifferentiecurven noemen we een indifferentiecurvenveld en geeft het preferentieschema van de consument weer.
Eigenschappen van de indifferentiecurven
De indifferentiecurve heeft een dalend verloop
Indifferentiecurven kunnen niet stijgend, verticaal of horizontaal verlopen. Indien een indifferentiecurve stijgend zou verlopen, dan zou dit betekenen dat een combinatie met minder eenheden voor een consument evenveel nut zou opleveren dan een combinatie met meer eenheden.
De indifferentiecurve is convex t.o.v. de oorsprong
Indifferentiecurven keren de bolle zijde naar de oorsprong. Dit komt doordat de hoeveelheid van goed y, die de consument bereid is af te staan voor één bijkomende eenheid van goed x, steeds kleiner wordt naarmate de goederencombinaties relatief meer eenheden van goed x en minder eenheden van goed y krijgen.
Twee indifferentiecurven kunnen elkaar niet raken of snijden
Een indifferentiecurve verbindt alle punten die een gelijk nut voorstellen. Indifferentiepunten kunnen elkaar niet snijden om de eenvoudige reden dat een bepaalde goederencombinatie niet op twee verschillende indifferentiecurven tegelijk kan liggen. Indien indifferentiecurven elkaar zouden snijden, dan zou de consument onverschillig zijn t.o.v. die goederencombinaties. In dit geval zouden de 2 curven moeten samenvallen.
Synthese
De behoeften van de consument worden zichtbaar gemaakt met een nutsfunctie. Een nutsfunctie kan grafisch weergegeven worden m.b.v. van indifferentiecurven. Een indifferentiecurve is de verzameling van alle goederencombinaties die voor een consument een zelfde nut opleveren. Een goederencombinatie op een verderaf van de oorsprong liggende indifferentiecurve heeft een hoger nut dan een combinatie op een dichter bij de oorsprong liggende curve.
Indifferentiecurven hebben volgende eigenschappen: ze hebben een dalend verloop, zijn convex t.o.v. de oorsprong en kunnen elkaar niet raken of snijden.
Oefeningen:
Ga naar smartschool > Vakken > Boekhouden en Economie (Goens) > Documenten > Open het Excel document 6HAN_ALG_ECO_WB_Hfst3. Maak hier de oefeningen 2 en 3.