In dit hoofdstuk zullen we de prijsvorming bekijken in het geval van een onvolkomen concurrentie. Er zijn 2 grote vormen van onvolkomen concurrentie, nl. het monopolie en de oligopolie.
Dit is een marktvorm waarbij er maar één enkele aanbieder is van een product.
Er bestaan verschillende vormen van monopolies. Hieronder kan je een aantal voorbeelden vinden van hoe bepaalde bedrijven erin geslaagd zijn een monopolie te verwerven.
In 1926 werd de NMBS opgericht die het spoorwegennet in opdracht van de overheid moest uitbaten. In België heeft de NMBS een monopolie van personenvervoer per spoor.
Pidpa, opgericht in 1913, is een samenwerkingsverband tussen het provinciebestuur van Antwerpen en een aantal gemeenten. Pidpa voorziet meer dan 1 000 000 personen van drinkwater. De infrastructuur stelt heel wat voor: 62 watertorens, 27 opjaagstations en meer dan 12 000 km leidingnet.
Op het einde van de jaren 50 heeft Polaroid de direct-klaarcamera uitgevonden en op de markt gebracht. Op deze uitvinding had Polaroid een patent genomen. Hierdoor mochten concurrenten deze camera voor een bepaalde tijd niet namaken
De onderneming ‘De Beers’ ontginnen het grootste gedeelte van de diamanten die op de markt worden gebracht. Ze houden het aanbod laag om zo de prijs hoog te houden
Samenvattend:
We kunnen de monopolies dus onderverdelen in drie soorten:
Overheidsmonopolie (NMBS)
Natuurlijke monopolie: een onderneming beschikt als enige over bepaalde grondstoffen (De Beers)
Feitelijke monopolie: de ondernemer is er in geslaagd om alle concurrenten uit de markt te verdringen. Deze kunnen ontstaan door de hoge instapkosten (Pidpa), door technische suprematie (kerncentrales) of door patenten (polaroid)
De monopolist is dus de enige aanbieder op de markt. De vragers kunnen niet anders dan zich te wenden tot de monopolist om het product te verwerven. Daardoor is de vraag naar zijn producten (v) gelijk aan de totale marktvraag (V). We kunnen dit voorstellen aan de hand van onderstaande grafiek.
De monopolist zal zelf kunnen bepalen hoeveel hij aanbiedt. Voor hem is de prijs geen gegeven zoals op competitieve markten, hij is een prijszetter. Hij is de enige aanbieder, dus als de consument dit product wil, moet hij naar de monopolist. De monopolist kan in principe vragen wat hij wil.
Dat betekent niet dat hij tegen een zeer hoge prijs zoveel kan verkopen als hij wil. Hij moet er rekening mee houden dat bij hoge prijzen de afzet minder zal zijn dan bij lage prijzen. De vraagcurve heeft immers een dalend verloop. De monopolist zal een schatting maken van de afzet bij verschillende prijzen en een combinatie van prijs en afzet kiezen waar zijn winst maximaal is. (zie hoofdstuk producentengedrag: daar waar MO = MK)
Samenvattend:
Doordat de monopolist een prijszetter is, zal de prijsvorming op de markt identiek zijn als de prijsbepaling bij de individuele monopolist.
Om de prijsvorming op de markt te bepalen moeten we dus gaan kijken naar de kosten en de opbrengsten van de individuele monopolist. Zo kunnen we de prijs en afzet bepalen waar de winst maximaal is. Deze prijs zal dan ook de marktprijs zijn.
Aan de hand van het voorbeeld over Clean Air gaan we de prijsvorming bij een monopolie weergeven.
Clean Air investeerde veel in innovatie. Dit resulteerde in een machine die ervoor zorgt dat de uitstoot van grote fabrieken met 10 keer wordt verminderd. Voor deze machine heeft de onderneming een patent aangevraagd en verkregen. Voor de volgende 20 jaar hebben ze het alleenrecht op de markt om deze machine te produceren en te verkopen. Deze onderneming heeft dus een feitelijke monopolie.
Evenwicht bij een monopolie
Net zoals bij volkomen concurrentie zal de monopolist opteren om een hoeveelheid af te zetten waarbij zijn winst het grootst is of dus waar het verschil tussen de totale opbrengsten en de totale kosten het grootst is.
Een andere manier om de optimale productiegrootte te bepalen gaat uit van de marginale kosten en opbrengsten. De optimale productiegrootte waar de winst maximaal is, wordt bereikt wanneer zoveel wordt geproduceerd dat MO= MK. De optimale combinatie van prijs en afzet bij streven naar maximale winst noemt men het punt van Cournot.
Samenvatting:
Doordat een monopolist de enige aanbieder is van een product, bepaalt hij de gehele marktvraag. De marktvraag is dus gelijk aan de vraag naar het product van de individuele onderneming. Hierdoor valt de vraagcurve samen met de Gemiddelde Opbrengstencurve.
De kostenfuncties van een monopolist verlopen gelijkaardig als van een onderneming bij volkomen concurrentie.
De winst is maximaal bij de afzet waar de marginale kosten gelijk zijn aan de marginale opbrengsten. Om vervolgens de prijs te bepalen waar de winst maximaal is, moeten we de optimale afzet projecteren op de prijsafzetcurve. Dit noemen we het punt van Cournot.
Het spreekt voor zich dat een monopolie vanuit het standpunt van een consument minder interessant is.
DEFINITIE:
Een oligopolie is een tussenvorm tussen volmaakte concurrentie en een monopolie.
Het is een marktvorm waarbij er een beperkt aantal grote ondernemingen op de markt aanwezig zijn. Het aantal ondernemingen is voldoende beperkt en elk van hen is voldoende groot, zodanig dat de actie van een onderneming gevolgen met zich meebrengt voor de andere ondernemingen.
Een oligopolie heeft volgende kenmerken:
Veel vragers en weinig aanbieders
De markt is relatief gesloten. Er kan onder meer sprake zijn van een hoge startinvestering, vergunningen, tegenwerken door concurrenten, …
Het product kan zowel homogeen (bijvoorbeeld olie) als heterogeen (voorbeeld producten bij banken) zijn. Bij een heterogeen oligopolie zijn de producten substituten van elkaar.
De markt is ondoorzichtig (vooral bij een heterogeen oligopolie)
Voorbeelden van oligopolie vinden we terug in de bankensector, de vliegtuigindustrie, de oliemarkt, de energiemarkt, telefonie, …
De prijsvorming bij een oligopolie is gelijkaardig als bij monopolistische concurrentie en dus ook bij een monopolie. De aanbieder bij een oligopolie heeft ook een aantal middelen ter beschikking om zijn product te onderscheiden van dat van zijn concurrenten, zoals reclame, service, levertijd, …
In beginsel is ook de prijs een middel om kopers te trekken. De ervaring heeft echter geleerd dat oligopolisten weinig gebruik maken van de mogelijkheid om door middel van een prijsverlaging hun afzet en winst te vergroten. Bij oligopolie weet elke aanbieder dat als hij zijn prijs verlaagt, dat een merkbare invloed heeft op de afzet van zijn concurrenten. Deze zullen op hun beurt hun prijs verlagen. Zo zouden oligopolisten beurtelings hun prijs kunnen verlagen in een felle concurrentiestrijd.
Het is voor oligopolisten verboden om met elkaar afspraken te maken omtrent de prijs of de markt te verdelen onder elkaar. Zo kunnen ze bijvoorbeeld de prijs kunstmatig hoog houden. (Hier later meer over: de concentratievormen.)
Samenvatting:
Doordat de onderneming, die op een oligopoliemarkt actief is, beschikt over factoren waardoor deze zich kan onderscheiden van de andere producenten, zal de prijsvorming op een gelijkaardige manier verlopen als bij een monopolist. Om de prijs te bepalen gaan we ook naar de individuele producent gaan kijken.
De winst is maximaal waar MO = MK. De producent die op een markt afzet waar monopolistische concurrentie heerst, zal een prijs en afzet bepalen waar MO = MK. Onder volkomen concurrentie kan de producent enkel afzet bepalen.