We hebben aangetoond hoe de consument, rekening houdend met zijn preferenties, met zijn budget en met de prijzen, zijn nut maximaliseert. Het ligt nu voor de hand dat we eens nagaan hoe de consument reageert als één van de volgende gegevens wijzigt:
a) veranderingen in de preferenties;
b) veranderingen in het inkomen;
c) veranderingen in de prijzen.
We gaan werken volgens de ceteris paribus-regel: we wijzigen telkens één gegeven, terwijl we de overige gegevens ongewijzigd laten.
In de theorie van het consumentengedrag gaan we ervan uit dat preferenties gegeven zijn. Preferenties kunnen echter wijzigen. Door reclame proberen producenten de consumenten in hun voordeel te beïnvloeden. Maar ook zonder reclame wijzigen preferenties, bv. door het ouder worden, door de seizoenen, …
Voorkeurswijzigingen leiden tot verschuivingen van de indifferentiecurven en zo tot wijzigingen in het evenwicht van de consument.
We bekijken even onderstaande grafieken:
Als we beide grafieken vergelijken, zien we dat er een preferentiewijziging is opgetreden t.v.v. goed 2. Het gevolg van deze voorkeurswijziging is dan ook dat de consument meer van goed 2 consumeert en minder van goed 1. Hoewel hier, noch het inkomen, noch de prijzen wijzigen, verandert het consumptiepatroon wel.
Als het inkomen van de consument stijgt, dan zullen de keuzemogelijkheden van de consument verruimen. Het is van belang te weten hoe het consumptiepatroon evolueert. Zal de consument bij een toenemend inkomen bv. van alle goederen in verhouding evenveel meer gaan consumeren? Of zullen bepaalde goederen meer of minder aan belang winnen?
Een verandering van het inkomen leidt tot een evenwijdige verschuiving van de budgetlijn, naar de oorsprong toe als het om een vermindering gaat en weg van de oorsprong indien het een vermeerdering betreft.
Ga naar 6HAN_ALG_ECO_WB_Hfst3, Oefening 8
Er bestaat een positieve relatie tussen de hoogte van het inkomen en het aantal gekochte goederen m.a.w. naarmate het inkomen stijgt, zal de consument meer eenheden van een goed aankopen. Deze goederen zijn ‘primaire of noodzakelijke goederen’, zoals voeding.
De Duitse statisticus E. Engel stelde in de tweede helft van de negentiende eeuw vast dat bij een stijging van het inkomen de uitgaven voor voeding minder dan evenredig stijgen. Het percentage van het inkomen dat aan voeding wordt uitgegeven, daalt. Deze ervaringsregel staat bekend als de Wet van Engel.
Het is ook mogelijk dat de vraag naar een bepaald goed afneemt wanneer het inkomen stijgt. Goederen waarvoor dit geldt, noemen we inferieure goederen.
Traditionele voorbeelden van inferieure goederen zijn cichorei en margarine. Van zodra het inkomen een zeker niveau bereikt, worden deze goederen vervangen door koffie en boter.
Wanneer bij een stijging van het inkomen, de consumptie meer dan evenredig toeneemt, zoals bv. vrijetijdsbesteding, spreken we van een luxegoed of drempelgoed.
Een luxegoed heeft als kenmerk dat mensen met een laag inkomen geen geld aan dit goed uitgeven. Pas vanaf een bepaald inkomen besteden consumenten geld aan een luxegoed. Dit inkomen heet het drempelinkomen.
In bepaalde gevallen zal de consumptie niet reageren op een verandering van het inkomen, bv. bij sigarettenverslaving. Een dergelijk goed noemen we een indifferent goed.
Synthese
Een verandering van het inkomen leidt tot een evenwijdige verschuiving van de budgetlijn, naar de oorsprong toe als het om een vermindering gaat en weg van de oorsprong indien het een vermeerdering betreft. De consument bereikt een nieuw evenwicht waar de nieuwe budgetrechte aan de hoogst mogelijke indifferentiecurve raakt.
Voor primaire of noodzakelijke goederen neemt de consumptie toe als het inkomen toeneemt. Hierbij geldt wel de wet van Engel: als het inkomen stijgt, geeft de consument relatief minder uit aan primaire goederen.
Goederen, waarvan de consumptie afneemt als het inkomen toeneemt, noemen we inferieure goederen. Die goederen waarvan het aandeel in de consumptie toeneemt als het inkomen toeneemt, noemen we luxegoederen. Indifferente goederen zijn goederen waarvan de consumptie helemaal niet reageert op een inkomensverandering.
Ga naar 6HAN_ALG_ECO_WB_Hfst3, tabblad Oef 9, maak vervolgens oefening 10 hieronder.
Hier veronderstellen we dat het inkomen niet verandert.
Voorbeeld 1
Tim is lid van een boekenclub die ook cd's en cassettes uitgeeft. Zijn preferentie (grafische voorstelling van het preferentieschema en de budgetlijnen) bij een budget van 90,00 EUR vind je hieronder.
Veronderstel
P1 CD = 15,00 EUR en P2 cassette = 15,00 EUR
P2 CD = 15,00 EUR en P2 cassette = 11,25 EUR
De prijs van een muziekcassette daalt met 3,75 EUR.
Een cd en een cassette kunnen eenzelfde behoefte bevredigen. Ze kunnen elkaar vervangen of substitueren.
Hieronder vind je de budgetlijnen.
Bespreking:
Wat is de oorzaak van de draaiing van B1 naar B2?
Welke verandering brengt dit mee voor het koopgedrag van Tim?
Door de prijsdaling van de cassettes vervangt (substitueert) Tim cd's door de goedkoper geworden cassettes.
De optimale goederencombinatie wordt nu bereikt bij (3,4) i.p.v. (4,2).
Tim koopt nu 3 cd's i.p.v. 4 en 4 cassettes i.p.v. 2.
Substitueerbare goederen zijn goederen die eenzelfde behoefte kunnen bevredigen. Bij substitueerbare goederen zal de consument met eenzelfde inkomen meer (minder) van een goed kopen als de prijs van het ene goed t.o.v. de prijs van het andere goed daalt (stijgt).
Voorbeeld 2
Naast een vulpen heeft Tim ook inkt nodig om te schrijven. Wat zal er gebeuren met het verbruik van inktpatronen als de prijs van vulpennen daalt? Ga naar 6HAN_ALG_ECO_WB_Hfst3, Oef 11.
Door de daling van de prijs van vulpennen stijgt de vraag naar vulpennen, maar ook de vraag naar inkt.
Goederen die samen een behoefte bevredigen noemt men complementaire goederen. Bij complementaire goederen zal de consument meer (minder) van beide goederen kopen als de prijs van een goed daalt (stijgt).
Synthese
Het prijseffect
Bij een prijsdaling van goed X bij constante prijs van goed Y, wordt de helling van de budgetlijn minder steil. De consument bereikt een hogere indifferentiecurve. Zijn koopkracht neemt immers toe.
Bij een prijsstijging van goed X bij constante prijs van goed Y wordt de helling van de budgetlijn steiler. De verbruiker bereikt een lagere indifferentiecurve. Zijn koopkracht neemt af.
Soorten goederen
Bij substitueerbare goederen daalt de vraag naar het duurder geworden product en wordt dat vervangen door het goedkopere product. Bij een daling van de prijs van een goed, wordt dit goed verkozen boven het duurdere.
Bij complementaire goederen stijgt de vraag naar beide goederen indien de prijs van één van beide goederen daalt. Een daling van de vraag treedt op voor beide bij de prijsstijging van één van beide goederen.