Dit hoofdstuk gaat over productie en bedrijven.
Om te produceren moeten er productiefactoren, zoals natuur, arbeid en kapitaal, ingeschakeld worden.
Natuur: alle natuurlijke hulpbronnen zoals grond, zonlicht, ertsen,…
Arbeid: productieve prestaties van arbeiders, bedienden en ondernemers.
Kapitaal: eerder vervaardigde hulpmiddelen nodig voor de productie zoals machines, gebouwen…
Het inschakelen van deze productiefactoren brengt kosten met zich mee. Deze kosten kunnen we verdelen in vaste en variabele kosten. Het is belangrijk voor de producent te weten wat er met de kosten gebeurt als hij de productie uitbreidt of inkrimpt.
Elke producent heeft als doel winst te maken. Hij streeft ernaar de verkoop van goederen zo te regelen, dat de opbrengsten hoger zijn dan de kosten. Dan wordt er winst gemaakt.
In dit deel gaan we kijken wat en hoeveel een producent zal aanbieden en waarom hij dat doet.
Bij economische beweringen dienen we er rekening mee te houden dat, uitgaande van bepaalde vooronderstellingen, het resultaat alleen geldt onder bepaalde constant gedachte omstandigheden. Deze voorwaarde noemt men de ceteris paribus clausule, wat letterlijk betekent: al het overige is constant.