Het eindeloos wachten op redding lijkt vruchten op te leveren. Op een zonnige ochtend verschijnt aan de horizon een boot. De boot komt naar het eiland toe...
Aan boord is... Alain Groenspan. Hij is na de schipbreuk aangespoeld op een naburig eiland. Ook daar is er een economische activiteit ontstaan, maar het probleem is dat zij daar enkel bananen kunnen telen. Alain Groenspan komt kijken of het niet mogelijk is om kokosnoten met bananen te ruilen.
Ettienne van Avignon ziet hierin mogelijkheden en besluit om een handeltje in bananen en kokosnoten op te zetten. Jan Trisjet en Alain Groenspan spreken ook af dat het geld van de beide eilanden tegen elkaar kan gewisseld worden.
Door deze nieuwe ontwikkelingen komen er weer enkele economische relaties bij.
Er worden nu ook goederen in- en uitgevoerd
Er zijn vreemde munten, er moet afgesproken hoe de waardes zich t.o.v. elkaar verhouden
Er komen andere/meer goederen op de markt
Dat brengt ons bij volgend schema met nog enkele nieuwe afkortingen.
M = import of invoer E = export of uitvoer
Aanvulling: de betalingsbalans
De vergelijking tussen de import en de export leidt tot een positieve of een negatieve betalingsbalans.
E > M, dan spreken we van een positieve betalingsbalans
Een exportoverschot wordt gerealiseerd wanneer onze economie meer exporteert dan importeert. De nationale economie heeft een vordering op het buitenland. Dit tegoed is in feite een lening aan het buitenland, m.a.w. het land staat spaargelden af aan het buitenland. Deze lening betekent dan dat buitenlandse investeringen gefinancierd worden door spaargeld uit onze nationale economie.
E < M, dan spreken we van een negatieve betalingsbalans
De betalingsbalans is deficitair, we voeren meer in dan we uitvoeren(importoverschot). Hierdoor ontstaat een betalingsbalanstekort. België heeft een schuld t.o.v. het buitenland en zal dit tekort moeten aanzuiveren door te lenen in het buitenland of m.a.w. het buitenland staat ons krediet toe.
De economie is niet denkbaar zonder buitenlandse handel: het vervoer van de goederen en diensten van een land naar een ander land. Aangezien wij Belgen behoeften hebben die niet alleen door de binnenlandse productie kunnen worden bevredigd, zullen we invoeren (M).
Daarnaast produceren wij ook goederen en diensten die ze in het buitenland en die voeren we uit (E).
Het spreekt voor zich dat we de invoer moeten betalen en dat we voor de uitvoer geld ontvangen. Daarom gaat deze goederenstroom ook gepaard aan geldstromen. Die noteren we op de betalingsbalans.
Uiteraard komt er in de nationale boekhouding opnieuw een rekening bij.
We bekijken de ontvangsten en uitgaven hier vanuit het standpunt van het buitenland, m.a.w. de uitgaven zijn uitgaven van het buitenland.
Voor de sector buitenland is onze export een import die moet betaald worden, dus een uitgave. Onze export vormt dus een debetpost van de nationale rekening buitenland.
De Belgische invoer zal dan een creditpost zijn voor het buitenland.
Na de invoering van de sector buitenland, bestaat het nationaal product X niet enkel meer uit consumptiegoederen en investeringsgoederen voor de binnenlandse markt, maar ook uit de goederen voor de export E, onder aftrek van de in het buitenland aangekochte goederen, de import M:
X = Cg + G + I + E – M
X = Cg + Co + Yo + I + E - M
Het nationaal inkomen wordt nog steeds zowel aangewend voor consumptie, besparingen als belastingen:
Y = Cg + T + Sg
We gaan nog steeds uit van een gelijkheid tussen de nationale productie en het nationale inkomen:
X = Y
Dat brengt ons tot volgende afleiding:
Cg + G + I + E - M = Cg + T + Sg
G + I + E - M = T + Sg
of
G + I + E = T + S + M
Aan deze gelijkheid zal boekhoudkundig steeds voldaan zijn. We kunnen er echter niet uit afleiden dat E gelijk is of moet zijn aan M, of T al dan niet gelijk moet zijn aan G, ... In principe zijn een drietal deelevenwichten mogelijk (wenselijk):
I = S (evenwicht op de vermogensmarkt)
G = T (evenwicht in de begroting)
E = M (evenwicht op de lopende rekening)
Om nog een stap dichter bij de werkelijkheid te geraken zullen we ons model nog wat aanpassen met transferten van de overheid.
Met de opbrengst van de belastingen betaalt de overheid de lonen van het overheidspersoneel, koopt zij consumptiegoederen en diensten bij de bedrijven en betaalt ze de intresten op de staatsschuld.
Een deel van de belastingen wordt echter terug uitgekeerd aan de gezinnen en de bedrijven in de vorm van transferten: werkloosheidsvergoeding, pensioenen, kindergeld, subsidies enz.
Hiervoor staat geen directe tegenprestatie vanwege de gezinnen en de bedrijven. We stellen deze transferinkomens nu voor door de symbolen Fg en Fb
Deze transferten betekenen voor de overheid een vermindering van de belastingsinkomsten.
We zullen steeds met het saldo van die twee geldstromen werken en dit saldo met Tn (n=netto) aangeven: belastingen min transferten
Tdn = netto directe belastingen: dir bel – transferten naar gezinnnen (= Td - Fg)
Tin = netto indirecte belastingen: indir bel – transferten naar bedrijven (=Ti - Fb)