Vroeger bestond er geen geld, maar werd er gewerkt met ruilhandel. 1kg aardappelen = 100gr varkensvlees,... Je kan je wel al bedenken dat deze werkwijze niet evident was, want is die 1kg aardappelen slechts 100 gr varkensvlees waard of is dat misschien 200 gr varkensvlees waard. Daarom ontstond de vraag naar een éénduidig ruilmiddel: geld
Geld is dus een algemeen aanvaard ruilmiddel
Daarnaast is het ook een:
waardemeter/rekeneenheid
beleggingsmiddel
oppotmiddel
kredietmiddel.
We kunnen 3 soorten geld onderscheiden: het chartaal geld, het giraal geld en het quasi-geld.
A1. HET CHARTAAL GELD
De munten en biljetten die in de handen van het publiek zijn vormen samen het chartaal geld.
Chartaal geld in de kas of kluis van een (centrale) bank behoort niet tot de geldhoeveelheid in omloop.
Zowel de munten als de biljetten worden voor België gedrukt in opdracht van de Europese Centrale Bank.
A2. HET GIRAAL GELD
Giraal geld of bankgeld is geld dat mensen op een rekening hebben staan bij een financiële instelling en dat zij onmiddellijk kunnen opvragen. Zij kunnen er over beschikken via bankkaarten, overschrijvingen en cheques. Hiertoe behoren dus niet beleggingen in aandelen, kasbons en obligaties waar je je geld niet onmiddellijk van kan afhalen.
Zoals je in bovenstaande grafiek kan zien is het volume van het girale geld in Europa veel hoger dan die van het chartale geld. In minder ontwikkelde landen is de verhouding tussen giraal en chartaal geld omgekeerd.
Wanneer mensen chartaal geld in giraal geld omzetten of omgekeerd, spreekt men van geldsubstitutie.
A3. HET QUASI-GELD
Quasi-geld (near money) omvat het geheel van deposito’s op termijn, dit zijn de financiële activa met een looptijd van maximum één jaar (= kortetermijn- en spaardeposito’s). Ze worden quasi-geld genoemd, omdat ze niet onmiddellijk beschikbaar zijn aangezien we ze voor een bepaalde termijn aan een kredietinstelling hebben toevertrouwd. Ondanks deze beperkingen worden deze tegoeden toch beschouwd als «bijna zo goed als» geld omdat ze op korte termijn in giraal en/of chartaal geld kan omgezet worden.
Sinds het ontstaan van de EMU (Europese Monetaire Unie) in 1999 voert het Eurosysteem, dat bestaat uit de ECB (Europese Centrale Bank) en de nationale centrale banken, autonoom het monetair beleid in de eurozone. Dit wil zeggen dat alle belangrijke monetaire beslissingen genomen worden op Europees en niet op Nationaal niveau.
De nationale banken blijven bestaan, zij voeren taken uit die de ECB hen geeft. Zo mogen zij enkel bankbiljetten in omloop brengen als de ECB dat beslist.
De voornaamste opdracht van de ECB bestaat erin voor prijsstabiliteit te zorgen, dit wil zeggen dat iedere Centrale Bank er naar streeft dat het geld zijn waarde kan behouden (dit is een stabiele munt) door zowel een stijging van de prijzen (inflatie) als een daling van de prijzen (deflatie) te vermijden.
De ECB wordt bestuurd door een Raad van Bestuur die bestaat uit zes verkozen directieleden en de voorzitters van de 16 Nationale Centrale Banken.
Opdracht:
1) Ga op zoek naar wie de huidige voorzitter van de ECB is
2) Waarom is prijsstabiliteit zo belangrijk denk je?