Op een zonnige maar koude septemberdag vertrekt het cruiseschip "Economics for ever" uit de haven van Antwerpen voor een trip naar de Caraïben. De reis verloopt rimpelloos, tot plots, 150 zeemijl voor de eerste aanleg, er een onverwachte orkaan de kop opsteekt. De orkaan is zo hevig dat het schip dreigt te vergaan. De passagiers worden in reddingsboten gezet, te water gelaten,...op hoop van redding... Na drie lange dagen en nachten van ronddobberen, spoelt de reddingsboot aan op een verlaten eiland, Autarkia. De passagiers gaan van boord en wachten op redding. Die lijkt er niet onmiddellijk te komen, dus in tussentijd zullen ze toch moeten overleven op het eiland.
Een aantal van de schipbreukelingen, onder leiding van Bart Freer, besluit om de teelt van kokosnoten op zich te nemen. Ze nemen hiervoor een aantal andere schipbreukelingen in dienst (die hiervoor worden betaald), telen kokosnoten en verkopen ze aan de andere eilandbewoners.
Ze hebben dan natuurlijk een ruilmiddel nodig, een andere overlevende, Jan Trisjet stelt voor om geld in te voeren. Hij krijgt de opdracht om het geld te maken. Dat geld neemt de vorm aan van speciaal gekerfd hout.
Op het eiland komen enkele economische relaties tot stand als gevolg van deze praktische organisatie. Welke?
Een aantal mensen produceren kokosnoten tegen betaling.
Er wordt geld geproduceerd.
Eilandbewoners kopen de kokosnoten.
Deze relaties kan je ook in een schema voorstellen.
In het schema vind je allerlei economische termen terug. Vergelijk het schema met de situatie op het eiland. (zie oef. 1)
Om consumptiegoederen te kunnen produceren, schaffen de bedrijven zich factordiensten (voorlopig enkel arbeid) aan bij de gezinnen. De geproduceerde consumptiegoederen worden op hun beurt verkocht aan de gezinnen. Dit noemen we de goederenkringloop. In het schema gaat het om de _____________ -lijn.
In ruil voor de productieve diensten betalen de bedrijven een inkomen aan de gezinnen, die met het verkregen geld de producten van de bedrijven aanschaffen. Er ontstaat zo een tweede stroom, in tegengestelde richting: de geldkringloop. In het schema wordt dit de - - - - - - - - - -lijn.
Waar de geld- en de goederenstroom bij elkaar horen, hebben we een markt. Zo krijgen we twee markten: de goederenmarkt en de factormarkt.
We kunnen het economisch proces dat zich gedurende een welbepaalde periode in een volkshuishouding heeft afgespeeld, niet alleen voorstellen met behulp van een economische kringloop maar ook met behulp van nationale rekeningen. Voor iedere sector uit de economische kringloop leggen we een rekening aan. Het geheel van deze rekeningen wordt de nationale boekhouding genoemd. In de hier beschreven economie bestaat het stelsel uit twee rekeningen: gezinnen en bedrijven.
Een nationale boekhouding wordt gevoerd volgens het systeem van dubbel boekhouden. Iedere transactie wordt tweemaal geregistreerd, éénmaal bij de ene sector als uitgaande stroom en éénmaal bij de andere sector als binnenkomende stroom.
We kunnen hierbij gebruik maken van hetzij de reële stromen, hetzij de financiële stromen. Vermits in het verdere verloop een aantal financiële stromen geen (rechtstreekse) reële stromen creëren (bv. de belastingen), zullen we hier opteren voor de financiële stromen.
De nationale rekeningen voor het eenvoudig model zien er dan als volgt uit:
Uit de voorafgaande voorstellingen blijkt dat de economische activiteit van een land van twee kanten beschouwd kan worden. Men kan zich enerzijds richten op de inkomens zoals lonen, intresten, … (financiële stroom), anderzijds op de productie (reële stroom).
Het nationaal inkomen Y omvat het totale inkomen van de gezinnen van een land gedurende een welbepaalde periode.
Het nationaal product X is de totale waarde van de productie in een land gedurende een welbepaalde periode.
De gezinnen kopen met hun inkomen de hele productie van de bedrijven op. We gaan er even van uit dat ze geen geld opzij zetten. Het volledige nationaal inkomen Y wordt dan besteed aan de volledige productie X:
Y = X
De gezinnen hebben hun inkomen Y volledig uitgegeven aan de aankoop van de geproduceerde consumptiegoederen. Men kan dus de omvang van het nationaal product X eveneens berekenen door de som te maken van de ‘nationale bestedingen’.
De nationale bestedingen omvatten de totale waarde van de consumptie-uitgaven (Cg) en de besparingen (Sg) in een land gedurende een welbepaalde periode.
De nationale bestedingen zijn in dit geval (zonder sparen) dus gelijk aan de consumptie van de gezinnen Cg, en het nationaal product is gelijk aan Cg.
X = Cg
Zodoende bekomt men de volgende gelijkheid (= wiskundig model):
Y = X = Cg
Bij het berekenen van het nationaal product moeten we dus dubbeltellingen vermijden. Als we alle bovenstaande bedragen gewoon zouden optellen, komen we niet aan het nationaal product. Een deel van de omzet is immers niet door het bedrijf in kwestie maar door de leverancier (vorige element in de bedrijfskolom) geproduceerd.
Merk op dat de omzet van de eindproducent steeds gelijk is aan de toegevoegde waarde in de gehele bedrijfskolom. Bij veralgemening is de toegevoegde waarde van alle bedrijven samen het nationaal product. Dus om de juiste hoogte van het nationaal product te vinden kunnen we twee methodes volgen:
Of: De waarde van alle eindproducten optellen
Of: Voor elke schakel in het productieproces de toegevoegde waarde bepalen en de som nemen van alle toegevoegde waarden.
In de praktijk is het zeer moeilijk vast te stellen of een geleverd goed een eindproduct is (consumptiegoed) dan wel een grondstof of halffabricaat.
Is een appel bv. een eindproduct? Ja als hij opgegeten wordt, nee als bakker er een appeltaart mee maakt.
Daarom gebruikt men de methode van de toegevoegde waarde.