Hiernaast zie je het kostenverloop van een machinefabrikant.
Hoeveel bedraagt de prijs die de fabrikant krijgt voor zijn product?
Wat is de optimale productiegrootte bij die prijs?
Door de toenemende vraag naar het product, stijgt de prijs naar 75,00 euro. Wat is nu de optimale productiegrootte? Wat kunnen we hieruit concluderen?
Wat zal er gebeuren met de optimale productiegrootte als de prijs daalt tot 40,00 euro? Welke conclusie kunnen we nu formuleren?
We kunnen ons nu gaan afvragen of het bij die prijs nog interessant is voor de ondernemer om zijn productie voort te zetten. Om dit na te gaan, gaan we het resultaat berekenen.
TO – TK = resultaat (winst of verlies)
We berekenen eerst het resultaat indien de ondernemer de productie stopzet:
p = 40 euro en q = 0
Vervolgens berekenen we het resultaat indien de ondernemer verder blijft produceren:
p = 40 euro en q = ...
Zal deze producent bij de prijs van 40 euro verder produceren of niet en waarom?
Zal het nu ook nog nuttig zijn om de productie verder te zetten als de prijs verder daalt tot 25,00 euro? Wat kan je besluiten?
Het punt dat overeenkomt met de prijs en de afzet waarbij de ondernemer nog net wil verkopen in de korte periode, is het shutdown punt.
In de korte periode zullen ondernemingen nog blijven produceren, ook al is er verlies. Dat komt omdat ze bij stopzetting nog kosten hebben, namelijk de constante kosten. Een ondernemer weegt af wanneer hij het grootste verlies zal hebben: bij productie of bij stopzetting van de productie. Aangezien bij stopzetting zijn verlies gelijk is aan de constante kosten zal hij blijven doorgaan met produceren als zijn verlies bij productie kleiner is dan die constante kosten. Hij moet dus minstens zijn andere kosten, de variabele kosten, zien te dekken. Als de prijs gelijk is aan de GVK, en de variabele kosten dus net gedekt zijn, bevindt de onderneming zich in het shutdown punt: de grens van stopzetting in de korte periode.
We gaan dit nog eens verder onderzoeken.
Als de prijs 33,75 EUR bedraagt, dan zijn de totale opbrengsten even groot als de totaal variabele kosten.
We berekenen eerst het resultaat indien de ondernemer de productie stopzet:
p = 33,75 euro en q = 0
Vervolgens berekenen we het resultaat indien de ondernemer verder blijft produceren:
p = 33,75 euro en q = ...
Zal deze producent bij de prijs van 33,75 euro verder produceren of niet en waarom?
De opbrengsten zijn in het geval van verder te produceren, juist voldoende om de variabel kosten te dekken. Het is hier dus om het even: produceren of stoppen; het verlies is even groot.
Als TO – TVK = 0,00, dan is TO = TVK of p = GO = GVK
We gaan nu nog een stap verder. Hiervoor hebben we gezien dat bij een bepaald productieniveau je winst noch verlies kan hebben. Dit is het geval als TO = TK. We noemen dit punt het break-evenpoint. Is het in dit geval best om de productie te stoppen of niet?
Als de winst = 0,00 zal je niets verdienen, maar je kan wel al je kosten betalen uit je opbrengsten. Het is dus niet noodzakelijk om het bedrijf stop te zetten en de productie stil te leggen.
Het break-evenpoint BEP is het punt waar noch verlies, noch winst gemaakt wordt.
In het BEP is TO = TK en bijgevolg is dan ook GO = GK en W = 0,00.
Als de winst = 0,00 zal je niets verdienen, maar je kan wel al je kosten betalen uit je opbrengsten. Het is dus niet noodzakelijk om het bedrijf stop te zetten en de productie stil te leggen.